ECLI:NL:RBMNE:2025:6963

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/5975
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening inzake openbaarmaking documenten Jeugd Lelystad en Raad voor de Kinderbescherming

Op 29 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak tussen de Raad voor de Kinderbescherming (verzoekster) en Jeugd Lelystad (JEL). De zaak betreft een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) tot openbaarmaking van documenten over de communicatie tussen JEL en de Raad voor de Kinderbescherming in de afgelopen vijf jaar. De Raad heeft verzocht om een voorlopige voorziening, omdat zij meent dat zij de ongelakte documenten nodig heeft om een zorgvuldige zienswijze te kunnen geven. De voorzieningenrechter oordeelt dat JEL niet verplicht was om de documenten in ongelakte vorm voor te leggen, omdat de Raad niet concreet heeft onderbouwd waarom dat noodzakelijk was voor een zorgvuldige zienswijze. Echter, de voorzieningenrechter erkent dat de ongelakte documenten elementen bevatten die mogelijk herleidbaar zijn naar individuele casussen. Daarom wordt het verzoek van de Raad toegewezen en wordt het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter roept beide partijen op tot samenwerking, gezien hun publieke rol in de jeugdzorg. JEL wordt ook verplicht het griffierecht aan de Raad te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5975

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2025 in de zaak tussen

Raad voor de Kinderbescherming, uit Den Haag, verzoekster(gemachtigden: S. Warneke, D. Schophaus, M. Mvidi)

en

Jeugd Lelystad , ( JEL )

(gemachtigden: mr. C. Louisse en mr. J.B. van Doorn).
Als derde-partij, tevens Woo-verzoeker, neemt aan de zaak deel: [A] uit [plaats] (derde-partij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van JEL tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 2 oktober 2025 heeft JEL besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster, de gemachtigden van JEL en [B] ( [functie] van JEL ) en derde-partij.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Derde-partij heeft JEL verzocht om openbaarmaking van - kort weergegeven - alle communicatie in de afgelopen 5 jaar van medewerkers en bestuurders van JEL met medewerkers, raadsonderzoekers en bestuurders van verzoekster, met uitzondering van privacygevoelige informatie over afzonderlijke casussen. Daarnaast is gevraagd om openbaarmaking van verslagen van vergaderingen van JEL met verzoekster in de afgelopen 5 jaren. JEL heeft aan verzoekster een zienswijze gevraagd.
4. Verzoekster heeft op 3 september 2025 haar zienswijze gegeven. Daarin heeft zij opgemerkt dat zij transparant gelakte stukken nodig heeft om een goede en zorgvuldige zienswijze te geven. Zij heeft verder geconcludeerd - kort weergegeven - dat openbaarmaking van (delen) van het dossier niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de Jeugdwet, in strijd is met de AVG, disproportioneel en onrechtmatig is en geweigerd moet worden op grond van artikel 5, tweede lid, onder e en f van de Woo.
5. JEL heeft op 2 oktober 2025 beslist op het Woo-verzoek en besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van documenten. Toegepaste weigeringsgronden zijn artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e, van de Woo (eerbiediging persoonlijke levenssfeer), artikel 5.1, eerste lid, onderdeel d, van de Woo (bijzondere persoonsgegevens), artikel 5.1, tweede lid, onder h. van de Woo (beveiliging personen en bedrijven ter voorkoming van sabotage), artikel 5.2, eerste lid, van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen in een stuk voor intern beraad). De zienswijze van verzoekster heeft niet geleid tot aanpassing van de voorgenomen openbaarmaking.
6. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit en de openbaarmaking van de documenten te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat JEL alle documenten op de inventarislijst ongelakt aan haar voorlegt voor een zienswijze om alsnog overeenstemming te bereiken over de openbaarmaking.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Bestuursorgaan
7. De voorzieningenrechter ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of JEL een bestuursorgaan is. JEL heeft in haar verweerschrift en op de zitting er op gewezen dat zij is aan te merken als een bestuursorgaan. Daarbij heeft JEL toegelicht dat zij op grond van artikel 2.11 van de Jeugdwet door het college is aangewezen als derde om namens het college uitvoering aan de Jeugdwet te geven. In dat kader neemt zij ook besluiten, bijvoorbeeld over een persoonsgebonden budget in de zin van artikel 8.1.1. van de Jeugdwet. Verzoekster en derde-partij hebben dat standpunt niet betwist. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is JEL aan te merken als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Spoedeisend belang
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Zonder voorlopige voorziening worden documenten openbaar gemaakt, wat onomkeerbaar is, terwijl verzoekster het niet eens is met de openbaarmaking zoals JEL die voorstaat.
Toetsingskader
9. Als er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen twijfel is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zal het algemene belang bij openbaarheid, de doorslag geven. Dit geldt ook wanneer de uitvoering van het besluit, zoals in dit geval, onomkeerbare gevolgen heeft. Als de voorzieningenrechter het besluit tot openbaarmaking van de documenten onrechtmatig vindt of als zij twijfel heeft bij de rechtmatigheid van het besluit terwijl de uitvoering daarvan onomkeerbare gevolgen heeft, kan er aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Standpunt van verzoekster
10. Verzoekster voert aan dat JEL het zorgvuldigheidsbeginsel schendt door alleen gelakte documenten voor een zienswijze te overleggen. Volgens verzoekster moet JEL de documenten transparant lakken, zodat verzoekster volledige inzage krijgt in de openbaar te maken stukken, omdat zij die stukken anders niet goed kan beoordelen en niet goed kan afstemmen binnen de organisatie. Doordat de documenten gelakt aan verzoekster zijn overlegd, weet zij niet aan welke medewerkers die documenten ter beoordeling voorgelegd moeten worden. Hierdoor bestaat het gevaar dat openbaar gemaakte informatie te herleiden is tot cliënten en medewerkers van verzoekster en dat kan hun belangen schaden. Volgens eiseres miskent JEL met haar werkwijze de weigeringsgronden van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel d, van de Woo (openbaarmaking bijzondere categorieën persoonsgegevens en openbaarmaking persoonsgegevens van strafrechtelijke aard) en artikel 5.1, tweede lid, onderdeel e, van de Woo (openbaar making nationaal identificatienummer). Ook betoogt verzoekster dat de beschrijving van gebeurtenissen, locaties en omstandigheden in de geziene documenten zo specifiek is, dat betrokkenen door hun omgeving eenvoudig herkenbaar zijn in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Avg. [1] Tot slot voert verzoekster aan dat JEL niet heeft aangetoond dat het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van bescherming van de privacy.
Had JEL bij het verzoek om een zienswijze aan verzoekster de ongelakte stukken moeten voorleggen?
11. Niet in geschil is dat uit artikel 4:8 van de Awb de verplichting voor JEL volgt om aan verzoekster een zienswijze te vragen. Noch uit dit artikel noch uit de Woo volgt dat JEL de openbaar te maken documenten ongelakt of transparant gelakt aan verzoekster moet overleggen. JEL stelt terecht dat verzoekster voor het geven van een zienswijze geen recht heeft op ongelakte of transparant gelakte documenten.
12. Ook de stelling van verzoekster dat zij zonder transparant gelakte stukken niet goed kan uitzetten bij de juiste medewerker in de organisatie, de mogelijke impact van openbaarmaking daardoor niet goed kan beoordelen en dus niet op zorgvuldige wijze tot een zienswijze kan komen, maakt niet dat zij op die transparant gelakte stukken recht had. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster blijft steken in algemeenheden zonder concreet op de voor een zienswijze overgelegde documenten in te gaan. Voor zover verzoekster beoogt te betogen dat het vragen van een zienswijze in de zin van artikel 4:8 van de Awb zinledig is geworden als zij daarbij niet beschikt over de ongelakte stukken, is dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk geworden.

Zijn de stukken herleidbaar tot personen?

13. Verzoekster heeft er ook op gewezen dat de openbaar te maken documenten herleidbaar zijn tot specifieke individuen en situaties. Ook ten aanzien van dit standpunt merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster niet concreet maakt in welke documenten en waar in die documenten dat potentiële risico van herleidbaarheid zich voordoet.
14. Hier staat tegenover dat de voorzieningenrechter kennis heeft genomen van de gelakte Woo-stukken. De voorzieningenrechter constateert dat het gaat om gespreksverslagen over casussen niet waarin bepaalde elementen die niet zijn gelakt, mogelijk wel herleidbaar zijn tot personen. Zo staat er bijvoorbeeld een voornaam in, een plaatsnaam, een verplaatsing uit een andere regio, een beslissing over een ondertoezichtstelling op of rond de datum van het genoemde gespreksverslag en betrokkenheid van de reclassering bij de vader in een gezin. Niet valt uit te sluiten dat deze informatie in combinatie met andere ongelakte passages van het verslag van een gesprek over een gezin voor de kring van die betrokkenen herleidbaar is tot dat gezin. Hoewel verzoekster de vrees voor herleidbaarheid naar personen en casussen niet concreet onderbouwt, begrijpt de voorzieningenrechter de zorg van verzoekster wel. Te meer ook nu JEL op zitting heeft verklaard dat de betrokken gezinnen niet op de hoogte zijn gebracht van dit verzoek en aan hen geen zienswijze is gevraagd. Terwijl, gelet op het voorgaande, niet is uit te sluiten dat juist de belangen van de gezinnen in de zin van artikel 4:8 van de Awb getroffen kunnen worden met de openbaarmaking van gespreksverslagen over hun situatie. Daarbij vindt de voorzieningenrechter bovendien van belang dat derde partij in zijn verzoek en ook op de zitting heeft benadrukt dat het hem niet gaat om openbaarmaking van individuele casussen.
15. De voorzieningenrechter concludeert daarom dat voor wat betreft de door verzoekster geuite bezwaren aangaande de mogelijke herleidbaarheid naar individuele personen en aangaande de belangenafweging, niet is uit te sluiten dat die bezwaren kans van slagen hebben.

Conclusie

16. De voorzieningenrechter zal het verzoek, om het bestreden besluit en de openbaarmaking van de documenten te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar, toewijzen. Er zijn door verweerder geen (zwaarwegende) belangen naar voren gebracht, die zich ertegen verzetten om de openbaarmaking te schorsen totdat op het bezwaar is beslist, terwijl verzoekster daar wel duidelijk belang bij heeft.
17. Het verzoek van verzoekers om te bepalen dat JEL alle documenten op de inventarislijst ongelakt aan haar voorlegt voor een zienswijze om alsnog overeenstemming te bereiken over de openbaarmaking, wijst de voorzieningenrechter af. Wel roept de voorzieningenrechter JEL en verzoekster op tot samenwerking. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat zowel JEL als verzoekster werken in het publieke domein, namelijk de jeugdzorg, en beiden ook hebben aangegeven het van belang te vinden dat de openbaar te maken informatie niet herleidbaar is tot individuele casussen en gezinnen. De voorzieningenrechter meent dat daarbij passend is dat verzoekster zich actief opstelt en concreet maakt wat haar kan helpen bij het opstellen van een deugdelijke zienswijze en dat JEL een meer bereidwillige en minder principiële houding aanneemt.
18. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet JEL het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding vatbare proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat JEL het griffierecht van € 385,- aan verzoekster vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening EU 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)