De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 4 december 2025 een zaak betreffende de zorgregeling voor een minderjarige wiens moeder in 2016 is overleden. De vader heeft het eenhoofdig gezag, terwijl de minderjarige sinds november 2022 bij een pleegmoeder verblijft. De pleegmoeder en de gecertificeerde instelling (GI) zijn eveneens belanghebbenden in de procedure.
De minderjarige is sinds september 2024 onder toezicht gesteld en verblijft op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegmoeder. De rechtbank heeft eerder de beslissing over de hoofdverblijfplaats en het contact tussen vader en minderjarige aangehouden in afwachting van contactherstel. Tijdens de zitting op 4 december 2025 werd besloten dat er geen contact is tussen vader en minderjarige, tenzij de minderjarige zelf aangeeft hiertoe bereid te zijn.
De rechtbank neemt geen ambtshalve beslissing over de hoofdverblijfplaats, omdat de vader het gezag heeft en de wet geen mogelijkheid biedt om het gezag te beëindigen of over te dragen aan de pleegmoeder. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing waarborgt het verblijf bij de pleegmoeder. De vader heeft zijn verzoek om een contactregeling ingetrokken en laat de keuze aan de minderjarige over. De pleegmoeder ondersteunt de wensen van de minderjarige.