ECLI:NL:RBMNE:2025:6924

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/16/601105 / JE RK 25-1562
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2009. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 29 november 2026, evenals de machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegmoeder. De vader van de minderjarige is het niet eens met de huidige situatie en pleit voor een neutrale plaatsing, maar de kinderrechter oordeelt dat de huidige situatie bij de pleegmoeder in het belang van de minderjarige is. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de vader onvoldoende in staat is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De uitspraak is openbaar gemaakt en op schrift gesteld op 16 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/601105 / JE RK 25-1562
Datum uitspraak: 4 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
DE JEUGD- & GEZINSBESCHERMERS, hierna: de GI,
gevestigd in [.] .
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige (voornaam)] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1], hierna: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.Q.M. Mosk uit Amsterdam.
[belanghebbende 2] ,hierna: de pleegmoeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. van Harskamp uit Utrecht.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de tussenbeschikking van 25 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Tijdens deze zitting zijn ook de aanvragen van [minderjarige (voornaam)] en het verzoek van de vader behandeld (zaak- en rekestnummers: C/16/577917 / FO RK 24-855 en C/16/585836 FO RK 24-1500). Op die verzoeken heeft de rechter mondeling beslist. De schriftelijke uitwerking van die beslissing is opgenomen in een aparte beschikking.
1.3.
Bij de zitting waren aanwezig:
- de advocaten van de vader, mr. M.Q.M. Mosk en mr. A.M.S. Kraaijeveld;
- de pleegmoeder met haar advocaat;
- [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- [B] namens de GI.
1.4.
De vader was niet aanwezig bij de zitting. Dit heeft hij voor de zitting aan de rechtbank laten weten.
1.5.
Op de zitting is door de advocaten van de vader een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
1.6.
De rechter heeft [minderjarige (voornaam)] naar haar mening gevraagd. [minderjarige (voornaam)] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechter op voorafgaand aan de zitting. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige (voornaam)] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.7.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan. [minderjarige (voornaam)] was hierbij aanwezig.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder, [C] , zijn de ouders van [minderjarige (voornaam)] . De moeder is overleden op [overlijdensdatum] 2016.
2.2.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] .
2.3.
[minderjarige (voornaam)] verblijft sinds november 2022 bij de pleegmoeder. De vader en de pleegmoeder hebben van februari 2020 tot augustus 2022 een relatie gehad.
2.4.
Op 12 september 2024 is [minderjarige (voornaam)] voorlopig onder toezicht gesteld. In de beschikking van 29 november 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige (voornaam)] definitief onder toezicht gesteld van de GI tot 29 november 2025. Op 25 november 2025 is de ondertoezichtstelling met instemming van partijen kort verlengd tot 13 december 2025, omdat het niet lukte om de zitting vóór 29 november 2025 te plannen. Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar, tot 29 november 2026.
2.5.
Op 12 september 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] verleend in een netwerkpleeggezin, bij de pleegmoeder. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna, net als de ondertoezichtstelling, steeds verlengd, voor het laatst tot 13 december 2025. Op 4 december 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] bij de pleegmoeder verlengd voor de duur van een jaar, tot 29 november 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De kinderrechter moet nu nog beslissen op het resterende deel van de verzoeken van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een pleeggezin te verlengen tot 29 november 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De vader is het niet eens met het verblijf van [minderjarige (voornaam)] bij de pleegmoeder. Hij wil dat [minderjarige (voornaam)] op een neutrale plek geplaatst wordt. Verder vindt de vader dat er al drie jaar lang niets wordt gedaan aan het contactherstel tussen hem en [minderjarige (voornaam)] .
4.2.
De pleegmoeder is het eens met de verzoeken van de GI.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een pleeggezin verlengen tot 29 november 2026. Zij zal hieronder uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
De ondertoezichtstelling
5.2.
Op grond van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen als het kind in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet er sprake zijn van de situatie dat de ouder de hulp die nodig is om die bedreiging weg te nemen, niet of niet genoeg accepteert. Bij de kinderrechter moet wel de verwachting bestaan dat die ouder binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind zelf weer kan dragen. Tot slot kan de kinderrechter op grond van artikel 1:260 BW de ondertoezichtstelling telkens met een jaar verlengen, zolang aan de eerder genoemde gronden is voldaan.
5.3.
Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat is voldaan aan de wettelijke criteria om [minderjarige (voornaam)] onder toezicht te stellen. [minderjarige (voornaam)] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Feitelijk is de situatie niet gewijzigd ten opzichte van de beschikking van 29 november 2024. De eetstoornis van [minderjarige (voornaam)] is op dit moment redelijk onder controle. Hoewel zij haar streefgewicht nog niet heeft bereikt en dit nog steeds een punt van aandacht is, zit zij nu wel op een veilig gewicht en staat zij niet meer onder controle van een kinderarts. Stress verergert de problemen van [minderjarige (voornaam)] . Alle spanning rondom de woonsituatie van [minderjarige (voornaam)] en deze zitting werken dus averechts. De kinderrechter hoopt dat de beschikkingen van vandaag gaan zorgen voor meer duidelijkheid en rust, zodat [minderjarige (voornaam)] minder last heeft van de stress hierover.
5.4.
Daarnaast is er nog steeds geen contact tussen de vader en [minderjarige (voornaam)] . [minderjarige (voornaam)] heeft het nog steeds nodig dat haar vader erkent wat er in het verleden is gebeurd en welke impact dit op [minderjarige (voornaam)] heeft gehad, dat de vader hierin ook fouten heeft gemaakt en dat hij dat zelf kan uitspreken. Daarvoor is nodig dat de vader wat zelfinzicht en reflectie laat zien over de dingen die zijn gebeurd. Dat ontbreekt in dit geval. De kinderrechter gelooft wel dat de vader van [minderjarige (voornaam)] houdt en dat hij verdrietig is omdat er geen contact meer is, maar behalve één gesprek bij een coach, waar wellicht niet de probleemvraag is neergelegd die wel behandeld zou moeten worden, is er vanuit de vader tot nu toe niets van de grond gekomen. De vader voelt zich niet gehoord in zijn zorgen over de plek waar [minderjarige (voornaam)] nu verblijft en niet betrokken in de hulpverlening en volgens zijn advocaat is dat de reden dat hij aan overige zaken niet meewerkt. Echter is gebleken dat de vader wel degelijk wordt betrokken in de hulpverlening, maar dat het door zijn eigen handelen niet mogelijk is om tot een constructieve samenwerking te komen. De GI heeft op de zitting als voorbeeld gegeven dat de pleegzorg de vader heeft uitgenodigd voor een gesprek om het pleegzorgplan te bespreken, maar dat deze gesprekken niet goed zijn verlopen. De eerste keer is de vader niet verschenen en de tweede keer had de vader het verslag niet gelezen en heeft hij het papieren verslag tijdens het gesprek in de lucht gegooid. De GI ervaart de gesprekken met de vader ook als moeizaam, omdat de emoties bij hem gauw hoog oplopen. Verder heeft de GI toegelicht dat ze wel degelijk de zorgen die de vader uit, heeft onderzocht, maar dat zij deze zorgen niet deelt. Er zijn geen zorgen over het verblijf van [minderjarige (voornaam)] bij de pleegmoeder. De pleegmoeder werkt aan alle afspraken met de hulpverlening mee, er is aandacht voor de eetstoornis van [minderjarige (voornaam)] en er is ruimte om over de moeder van [minderjarige (voornaam)] te praten. Het contact met de opa en oma van [minderjarige (voornaam)] is verbeterd en [minderjarige (voornaam)] heeft weer meer contact met haar broer. Kortom, het grootste zorgpunt op dit moment is dat [minderjarige (voornaam)] zich niet begrepen voelt door de vader en dat het de vader niet lijkt te lukken om hierin iets te veranderen. De kinderrechter acht de vader daarom onvoldoende in staat om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige (voornaam)] in het vrijwillige kader weg te nemen. Daarom vindt de kinderrechter het nog steeds nodig dat een onafhankelijk persoon de regie heeft over de hulpverlening.
5.5.
In het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling moet gewerkt worden aan de volgende doelen:
  • [minderjarige (voornaam)] heeft een veilige stabiele opvoedsituatie en maakt een goede ontwikkeling door;
  • [minderjarige (voornaam)] heeft de regie over haar leven.
5.6.
Op dit moment is het voor alle betrokkenen duidelijk dat de vader de verzorging en opvoeding van [minderjarige (voornaam)] niet kan dragen binnen een voor [minderjarige (voornaam)] aanvaardbare termijn. De GI gaat nog bekijken of een verzoek tot onderzoek naar gezagsbeëindiging wordt ingediend bij de Raad, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige (voornaam)] en de lange wachtlijsten bij de Raad.
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.7.
Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter een GI kan machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter deze machtiging telkens met een jaar kan verlengen.
5.8.
De kinderrechter vindt noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding
van [minderjarige (voornaam)] dat zij bij haar pleegmoeder kan blijven wonen. Zoals de kinderrechter hiervoor al heeft overwogen, zijn er geen zorgen over [minderjarige (voornaam)] in de thuissituatie bij de pleegmoeder. [minderjarige (voornaam)] ontwikkelt zich goed bij de pleegmoeder. [minderjarige (voornaam)] is hier zelf ook heel duidelijk in: zij wil graag bij de pleegmoeder blijven wonen. Gelet op de leeftijd van [minderjarige (voornaam)] vindt de kinderrechter het passend om daar goed naar te luisteren. Daar komt bij dat iedereen het erover eens is dat [minderjarige (voornaam)] op dit moment niet bij de vader kan wonen. Een plaatsing op een neutrale plek, waar de vader om vraagt, vindt de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] .
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct gaat gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige (voornaam)] tot 29 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een pleeggezin, te weten bij de pleegmoeder, tot 29 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Clement als griffier, en op schrift gesteld op 16 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.