De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds november 2022 bij een pleegmoeder verblijft. De moeder van de minderjarige is overleden in 2016 en de vader heeft het ouderlijk gezag. De ondertoezichtstelling is sinds september 2024 van kracht en werd eerder definitief gesteld tot november 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing werd eveneens verleend en verlengd tot december 2025.
De vader is het niet eens met het verblijf van de minderjarige bij de pleegmoeder en wenst een neutrale plaats. Hij uit ook zorgen over het contactherstel, dat volgens hem al drie jaar stagneert. De pleegmoeder en de gecertificeerde instelling (GI) steunen de verlengingsverzoeken. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord en concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de vader onvoldoende in staat is om de bedreiging binnen een aanvaardbare termijn weg te nemen.
De kinderrechter overweegt dat de eetstoornis van de minderjarige redelijk onder controle is, maar dat stress de situatie verergert. Er is geen contact tussen vader en kind, en de vader toont onvoldoende zelfinzicht en reflectie. De GI heeft de zorgen van de vader onderzocht maar deelt deze niet. De pleegmoeder werkt mee aan hulpverlening en de minderjarige ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. De kinderrechter acht het belang van de minderjarige gediend met verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegmoeder, en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.