ECLI:NL:RBMNE:2025:6914

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/4299
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van voorschriften over geluid in de omgevingsvergunning voor milieuactiviteit en de zorgvuldigheid van het geluidsonderzoek

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Midden-Nederland het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, dat op 26 april 2024 een wijziging van de voorschriften over geluid in de omgevingsvergunning voor een slachterij met vleesverwerking en een vrieshuis heeft goedgekeurd. Eiser, die in de nabijheid woont, is het niet eens met deze wijziging en stelt dat zijn zienswijze niet is meegenomen in de besluitvorming. De rechtbank oordeelt dat dit gebrek kan worden gepasseerd op basis van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar veroordeelt het college wel tot vergoeding van de proceskosten van eiser. De rechtbank concludeert dat de nieuwe geluidsnormen, hoewel ze een verslechtering voor eiser betekenen, binnen de richtwaarden blijven zoals vastgelegd in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het college het belang van de vergunninghouder zwaarder heeft laten wegen dan dat van eiser, gezien de locatie van eiser op een bedrijventerrein. De rechtbank oordeelt dat het geluidsonderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de vergunninghouder zich aan de nieuwe geluidsnormen moet houden. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, en de nieuwe voorschriften blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4299

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Lubben),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, verweerder
(gemachtigde: mr. ing. M.G. van der Hoek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. F. Damen).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het college van 26 april 2024 tot wijziging van de voorschriften over geluid in de omgevingsvergunning milieu van het bedrijf van vergunninghouder aan de [adres 1] in [plaats] (de veranderingsvergunning). Dit bedrijf is een slachterij met vleesverwerking en een vrieshuis. Eiser woont aan de [adres 2] in [plaats] en is het niet eens met de wijziging van de vergunningvoorschriften.
1.2.
Het college heeft de veranderingsvergunning voorbereid volgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het college een ontwerpvergunning ter inzage heeft gelegd. Een ieder kon hiertegen zienswijzen indienen. Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, met daarbij een notitie van [plaats] ( [plaats] ) van 23 december 2024. Ongeveer tegelijkertijd heeft eiser zijn beroepsgronden aangevuld en daarbij een notitie van [bedrijf] van 17 januari 2025 (de notitie van [bedrijf] ) overgelegd. Dit was voor het college aanleiding om zijn verweerschrift aan te vullen. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk op het beroep gereageerd, met daarbij een notitie van [plaats] van 31 januari 2025.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
  • eiser, de gemachtigde van eiser en [A] , geluidsdeskundige bij [bedrijf] ;
  • de gemachtigde van het college, vergezeld door [B] , geluidsdeskundige bij de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) en [C] ;
  • namens vergunninghouder: [D] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghouder en [E] , akoestisch deskundige bij [plaats] .

Beoordeling door de rechtbank

2. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de veranderingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. [1]
Is de voorbereidingsprocedure zorgvuldig verlopen?
3. Over het verloop van de procedure voert eiser aan dat het college ten onrechte zijn zienswijze niet bij de besluitvorming over het wijzigen van de voorschriften over geluid heeft betrokken. In het verweerschrift heeft het college erkend dat dit inderdaad abusievelijk niet is gebeurd. Het college had dit wel moeten doen. Door dit niet te doen kleeft aan de veranderingsvergunning een gebrek.
4. Partijen hebben de rechtbank gevraagd dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Dit zal de rechtbank doen. Wel is dit gebrek voor de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van eiser van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en het door hem betaalde griffierecht.
Is de veranderingsvergunning in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
5. Op de zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat twee onjuistheden die in de veranderingsvergunning zijn geslopen, ook wat hem betreft kunnen worden aangemerkt als kennelijke verschrijvingen die niet tot een vernietiging van de veranderingsvergunning kunnen leiden. Het betreft de nummering van de bijlagen bij de veranderingsvergunning en het in de veranderingsvergunning onjuist vermelden van de datum van een veranderingsvergunning voor het realiseren van een washal. Dit betekent dat de rechtbank over deze onjuistheden in de veranderingsvergunning in deze uitspraak niet inhoudelijk zal oordelen.
6. Eiser voert aan dat de veranderingsvergunning in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij heeft niet kunnen vaststellen of het geluidsonderzoek van [plaats] dat aan de veranderingsvergunning ten grondslag ligt, zorgvuldig is geweest. Hij verwijst hierbij naar de notitie van [bedrijf] . Volgens eiser is onvoldoende onderbouwd dat geen sprake is van hoorbaar tonaal geluid op de gevels van de woning van eiser vanwege de koeltechnische installatie (de condensor) van het vrieshuis. Als sprake is van tonaal geluid moet een toeslag van 5 dB worden toegepast. De resultaten van de geluidmetingen die [plaats] heeft gedaan zijn alleen in het overall geluidniveau dB(A) vermeld. De uit de metingen af te leiden frequentie-afhankelijke (spectrale) bronsterkten zijn niet gegeven. Ook is het voor eiser niet mogelijk om de wijze van meten door [plaats] te controleren. Ten slotte heeft het college volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen. Met de veranderingsvergunning worden hogere langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus toegestaan. Hierdoor zal het akoestisch klimaat voor eiser verslechteren ten opzichte van de eerder vergunde situatie van vergunninghouder.
7. Op grond van de nieuwe voorschriften over geluid mag het langtijdgemiddeld boordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en de laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, ter hoogte van de woning van eiser niet meer bedragen dan 46 dB(A) gedurende de dag- en avondperiode en 45 dB(A) gedurende de nachtperiode. Het maximale geluidniveau (LAmax) mag ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige gebouwen van derden niet meer bedragen dan 70 dB(A) gedurende de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode.
8. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat deze nieuwe vergunde waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau hoger zijn dan in de voorschriften over geluid in eerdere aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunningen die met de veranderingsvergunning zijn ingetrokken. De normstelling voor piekniveaus, het maximale geluidniveau, is ongewijzigd gebleven.
9. Partijen zijn het er over eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat de verruiming van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau een verslechtering inhoudt voor eiser maar dat de nieuwe vergunde waarden wel binnen de richtwaarden voor woningen op industrieterreinen blijven, zoals deze zijn opgenomen in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De rechtbank is van oordeel dat omdat het vergunde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau binnen deze richtwaarden blijft, het college de door vergunninghouder aangevraagde verruiming van de geluidsnormen aanvaardbaar heeft mogen achten. De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het college het belang van vergunninghouder bij de verruiming van de geluidsnormen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van eiser bij het gelijk blijven van de geluidsnormen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser óp het bedrijventerrein woont en daardoor een grotere mate van hinder door die bedrijven te dulden heeft, dan een bewoner in een woonwijk.
10. Wat eiser aanvoert over de zorgvuldigheid van het geluidsonderzoek door [plaats] geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van [plaats] in de notitie van 28 augustus 2023. De spectrale gegevens van de immissierelevante bronsterkte van de verschillende bronnen zijn door [plaats] aan het college ter beschikking gesteld door middel van het opsturen van het digitale akoestisch rekenmodel. Dit rekenmodel is door de geluidsdeskundige van de ODRU beoordeeld op kwaliteit en volledigheid en akkoord bevonden. De door eiser ingeschakelde deskundige van [bedrijf] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen van [plaats] of de controle daarop door de ODRU onjuist zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de kanttekeningen die eiser heeft geplaatst bij oude rapporten die aan eerder verleende vergunningen ten grondslag hebben gelegen niet relevant zijn, omdat vergunninghouder naar aanleiding van klachten van omwonenden uit 2021 inmiddels diverse bronmaatregelen heeft getroffen. [plaats] heeft voor het onderzoek gebruik gemaakt van de nieuwe brongegevens en nieuwe metingen gedaan. Door zowel de deskundige van [plaats] , als de geluidsdeskundige van de ODRU is op de zitting bevestigd dat geen tonaal geluid is waargenomen.
11. Eiser voert nog aan dat hij er aan twijfelt dat vergunninghouder zich aan de nieuwe normstelling kan houden. Hij twijfelt met name of het geluid van de condensor van het vrieshuis in de avond en nacht binnen de nieuwe normstelling blijft. De rechtbank merkt daarbij op dat vergunninghouder zich zal moeten houden aan de geluidsnormen die nu met de veranderingsvergunning in de voorschriften van de omgevingsvergunning milieu zijn opgenomen. Als vergunninghouder hier niet aan voldoet, is dit een kwestie van handhaving. In het verweerschrift en op de zitting heeft het college toegelicht dat als bij controle op de naleving van de nieuwe vergunningvoorschriften mocht blijken dat op enig moment wel tonaal geluid aanwezig is, de toeslag van 5 dB zal worden toegepast en bij een overschrijding hier handhavend tegen zal worden opgetreden.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de nieuwe voorschriften over geluid in de omgevingsvergunning milieu van vergunninghouder in stand blijven.
13. De veranderingsvergunning vertoont wel een gebrek. Zoals overwogen onder 3, had het college de zienswijze van eiser bij de besluitvorming moeten betrekken. Dat het college dat niet heeft gedaan is voor de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiser van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. W. Altenaar, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
de voorzitter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.