ECLI:NL:RBMNE:2025:6879

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/16/531380 / FO RK 21-1290
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van gezag en omgangsregeling in een familierechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 een beschikking gegeven in een familierechtelijke procedure tussen de moeder en de vader van twee minderjarige kinderen. De rechtbank heeft de moeder voortaan belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en heeft een zorgregeling vastgesteld voor de omgang tussen de vader en [minderjarige 2 (voornaam)]. De ouders hebben een complexe relatie met ernstige communicatieproblemen, wat heeft geleid tot een ondertoezichtstelling van de kinderen. De rechtbank heeft eerder beschikkingen afgegeven en heeft de verzoeken van de ouders over het gezag en de omgangsregeling besproken tijdens een mondelinge behandeling. De moeder verzoekt om alleen het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en de vader verzoekt om gezamenlijk gezag over beide kinderen en een omgangsregeling. De rechtbank heeft vastgesteld dat het gezamenlijk gezag onwerkbaar is en dat de moeder alleen het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] moet uitoefenen. De omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 2 (voornaam)] wordt stapsgewijs uitgebreid, met evaluaties door de gecertificeerde instelling (GI). De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk moet worden opgevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/531380 / FO RK 21-1290
Gezag en omgang
Beschikking van 23 december 2025
in de zaak van:
[de moeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.M. van Maanen,
tegen
[de vader] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. W.Y. Hofstra.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 9 februari 2022, 22 november 2022, 11 juli 2024 en
15 oktober 2025 eerdere beschikkingen tussen partijen afgegeven. Voor het procesverloop tot 15 oktober 2025 verwijst de rechtbank naar die beschikkingen.
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • de brief van de GI van 13 november 2025;
  • de brief met bijlage van de GI van 14 november 2025;
  • een F9-formulier van de vader, met als bijlage het arrest van het hof van 11 november 2025.
1.3.
De verzoeken zijn verder besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 20 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader en zijn advocaat;
  • [A] namens de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • [B] en [C] namens de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de GI)
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] niet opnieuw naar hun mening gevraagd. De rechtbank heeft de kinderen namelijk in oktober dit jaar al uitgenodigd om met de rechter te komen praten.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen twee kinderen:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] .
[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] wonen bij de moeder.
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1 (voornaam)] moeten nemen. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 2 (voornaam)] . Dat betekent dat de moeder alleen de belangrijke beslissingen over [minderjarige 2 (voornaam)] mag nemen.
2.4.
[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] zijn onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter van deze rechtbank heeft op 3 juli 2025 de ondertoezichtstelling verlengd tot 12 juli 2026.
2.5.
De ouders zijn het niet eens over het gezag en de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen.
2.6.
De moeder wil alleen het gezag over de kinderen. Zij verzoekt daarom het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] te wijzigen, in die zin dat zij voortaan alleen belast is met het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] .
2.7.
De vader wil gezamenlijk gezag over beide kinderen en verzoekt daarom het gezag over [minderjarige 2 (voornaam)] te wijzigen, in die zin dat de ouders voortaan gezamenlijk belast zijn met het gezag over [minderjarige 2 (voornaam)] . Daarnaast vraagt de vader de rechtbank een omgangsregeling vast te leggen tussen hem en de kinderen, waarbij de man onbegeleid contact kan hebben met de kinderen.
2.8.
De rechtbank heeft bij beschikking van 22 november 2022 de beslissing op die verzoeken eerder aangehouden, in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling en de in te zetten hulpverlening. Daarbij heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] omgang zullen hebben met de vader, onder begeleiding van een hulpverlener, waarbij de gezinsvoogd de frequentie en duur van de omgangsmomenten bepaalt en – indien de gezinsvoogd en de hulpverlenende instantie vinden dat de kinderen dat aan kunnen – kan worden toegewerkt naar een wekelijks begeleid contact. De gezinsvoogd kan daarbij bepalen dat de vader zowel contact heeft met beide kinderen gelijktijdig, maar kan ook individueel contact tussen de vader en [minderjarige 1 (voornaam)] of [minderjarige 2 (voornaam)] organiseren.
2.9.
De rechtbank moet nog een definitieve beslissing nemen op de verzoeken van de ouders over het gezag en de omgang.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
De rechtbank zal:
  • bepalen dat de moeder voortaan eenhoofdig met het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] wordt belast;
  • de omgangsregeling wijzingen en een opbouwende omgangsregeling vaststellen tussen de vader en [minderjarige 2 (voornaam)] ;
  • bepalen dat er geen omgangsregeling is tussen de vader en [minderjarige 1 (voornaam)] ;
  • het meer of anders verzochte afwijzen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Het gezag3.2. De ouders hebben op dit moment het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] . De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2 (voornaam)] .
3.3.
De rechtbank stelt vast dat er al lange tijd sprake is van ernstige communicatieproblemen tussen de ouders. Uit de eerst behandeling van het verzoek is een raadsonderzoek en daaruit een ondertoezichtstelling voortgekomen. Beide ouders is hulpverlening aangeboden. Dit heeft niet geleid tot verbetering van de manier waarop ouders met elkaar communiceren. Er is geen rechtstreeks contact, de communicatie verloopt volledig via de GI.
3.4.
De rechtbank constateert dat de vader heel graag betrokken wil zijn bij de beslissingen rondom de kinderen, maar dat het contact tussen de ouders feitelijk niet mogelijk is. De moeder heeft herhaaldelijk aangegeven dat de vader onvoorspelbaar is in zijn gedrag en, bijvoorbeeld op verzoeken om toestemming voor vakantie, niet of te laat reageert en dat zij met name last heeft van de frustraties en de vijandige toon die de vader in zijn communicatie hanteert. De vader heeft op zijn beurt aangegeven dat hij zich als vader niet gehoord voelt en dat hij niet de kans krijgt om bij zijn twee kinderen betrokken te zijn. Dit leidt voor hem tot spanningen en frustraties.
3.5.
De Raad heeft in de zitting van 15 oktober 2025 verwezen naar het raadsrapport dat na de eerste zitting over deze verzoeken is uitgebracht. De Raad concludeert dat het ondanks de ondertoezichtstelling en de inzet van hulpverlening helaas niet is gelukt om verandering aan te brengen. De vader wijst in alles naar anderen, zonder oog te hebben voor zijn eigen aandeel in het geheel dat de samenwerking juist bemoeilijkt. Als voorbeeld heeft de Raad verwezen naar de vele e-mail berichten die de vader na eerdere rechterlijke beslissingen aan de Raad heeft gestuurd, met allerlei instanties in cc en omgekeerd. In die situatie acht de Raad gezamenlijk gezag niet uitvoerbaar.
3.6.
De GI wil geen standpunt innemen over het gezag. Het is wel juist dat de vader met regelmaat niet of negatief reageert op de moeder en de GI, wat de situatie compliceert. De GI maakt zich ook zorgen over het feit dat de vader de informatie die hij ontvangt van de moeder deelt met derden, wat de vertrouwelijkheid van de communicatie schaadt. Verder maakt de GI zich zorgen over het gebrek aan reflectief vermogen van de vader en het herhalende patroon van reageren, waarin de vader moeite heeft zijn persoonlijke frustraties los te laten.
3.7.
De rechtbank heeft, net als de GI en de Raad, zorgen over de emotionele en zeer stellige manier van communicatie van de vader. Dat tekent enerzijds zijn oprechte betrokkenheid en verdriet over de situatie, maar het roept tegelijkertijd een blokkade op voor samenwerking. De blokkade zit met name in het feit dat het, door de manier waarop de vader zich uit, met name gaat om waar hij als vader recht op heeft en wat hem als vader wordt onthouden. Daarbij is geen ruimte om wat de kinderen voelen of nodig hebben, voor het eigen gevoel van de vader stellen. De vader lijkt niet in staat om zijn frustraties opzij te zetten en op een constructieve wijze deel te nemen aan het proces van gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij wat belangrijk is voor het kind voorop staat.
De Raad heeft in een eerdere zitting al genoemd dat verschillende trajecten van hulpverlening aan de vader zijn gestagneerd, waarbij de vader een beperkt reflectief vermogen laat zien. Ook de kinderrechter heeft in haar beschikking van 3 juli 2025 benoemd dat de vader de komende tijd kritisch naar zichzelf moet kijken.
De rechtbank ziet dat het voor de vader nauwelijks mogelijk is opzij te zetten dat hij zich als vader tekort gedaan voelt en dat van hem ander gedrag verwacht wordt. Als hij daarop wordt aangesproken, dan leidt dat steeds tot een discussie of het wel of niet zo is en dat anderen daar schuldig aan zijn (zoals de discussie over of vader toevallig een sigaret bleef roken bij de Albert Heijn, terwijl [minderjarige 1 (voornaam)] dat heeft ervaren als dat hij opgewacht werd door de vader). Hierdoor raakt wat in het belang is van [minderjarige 1 (voornaam)] volledig op de achtergrond.
3.8.
[minderjarige 1 (voornaam)] heeft hechtings- en traumaproblematiek en is gebaat bij extra zorg, stabiliteit en voorspelbaarheid. Hij is nog maar net gestart met therapie die hem moet helpen zijn emoties te leren uiten. Hoe hij zal reageren op de overgang naar de middelbare school, en de beslissingen daarover, zijn zorgelijk. In deze context is het gezamenlijke gezag met de vader onwerkbaar en belastend. De rechtbank acht het daarom in [minderjarige 1 (voornaam)] ’s belang dat de moeder het gezag voortaan alleen uitoefent.
3.9.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2 (voornaam)] op dit moment evenmin in haar belang. Het verzoek van de vader wordt daarom afgewezen.
3.10.
De rechtbank benadrukt dat de vader, ook zonder gezag, de vader van de kinderen blijft. De moeder heeft ter zitting toegezegd dat zij de vader zal blijven informeren over belangrijke zaken die de kinderen betreffen. Dat is ook haar wettelijke plicht. De rechtbank gaat ervan uit dat zij deze plicht zorgvuldig zal blijven nakomen.
3.11.
De rechtbank wil de vader nog meegeven dat ook door de jeugdbeschermer gezien is dat hij, in het persoonlijk contact met [minderjarige 2 (voornaam)] en eerder in zijn betrokkenheid bij de medische gesprekken over [minderjarige 1 (voornaam)] , wel heeft laten zien een betrokken vader te kunnen zijn. De rechtbank zou het daarom de vader gunnen, en ook de kinderen en de moeder, dat de vader zich openstelt voor onderzoek of
zijn manier van reagerenrichting de moeder en hulpverlenende instanties mogelijk toch voortkomt uit het niet aangeboren hersenletsel dat hij in het verleden heeft opgelopen.
De omgangDe omgang tussen de vader en [minderjarige 1 (voornaam)]
3.12.
De rechtbank zal het verzoek van de vader, om een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige 1 (voornaam)] , afwijzen en bepalen dat er geen omgangsregeling is tussen de vader en [minderjarige 1 (voornaam)] .
3.13.
Er is momenteel al enkele jaren geen contact tussen [minderjarige 1 (voornaam)] en zijn vader. [minderjarige 1 (voornaam)] toont sterke weerstand tegen ieder contact. De weerstand is zo sterk dat elke aanraking van dit onderwerp voor [minderjarige 1 (voornaam)] leidt tot forse emotionele en gedragsmatige ontregeling. Hierdoor komt zijn psychomotorische therapie (die gericht is op de ontwikkeling van emotieregulatie en stabiliteit) onder druk te staan. Gedwongen contactmomenten zijn daarom volgens de rechtbank op dit moment zijn voor zijn ontwikkeling. De rechtbank acht het wel belangrijk dat de vader blijft laten zien dat hij open staat voor contact en daarin ook betrouwbaar blijft.
De huidige praktijk waarin de vader kaartjes stuurt, kan daarom voor de toekomst heel belangrijk zijn, ook al reageert [minderjarige 1 (voornaam)] daar nu nog niet positief op. Het laat [minderjarige 1 (voornaam)] zien dat de vader er onvoorwaardelijk voor hem is. [minderjarige 1 (voornaam)] zal tijdens de beeldende therapie hopelijk meer zicht krijgen op zijn emoties bij het gesprek over zijn vader en beter kunnen uitspreken wat [minderjarige 1 (voornaam)] daar zelf in wil. De GI monitort hierbij of er in de toekomst signalen ontstaan dat [minderjarige 1 (voornaam)] wél openstaat voor contactherstel. Dat moment is er nu nog niet.
De omgang tussen [minderjarige 2 (voornaam)] en de vader
3.14.
[minderjarige 2 (voornaam)] ziet haar vader wekelijks op woensdag van 14:00 tot 16:30 uur. Zij heeft een positieve band met zowel haar vader als met haar opa, bij wie vader woont. De begeleiding is afgebouwd tot twee keer een kwartier begeleiding aan begin en einde van het moment. Deze regeling is blijven gelden tot en met woensdag 3 december 2025.
3.15.
De rechtbank ziet geen belemmeringen om de omgang stapsgewijs uit te breiden.
De GI heeft hiervoor een duidelijk en realistisch opbouwschema opgesteld. De rechtbank zal dit schema volgen, in lijn met het advies van de Raad. Dit betekent dat de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 2 (voornaam)] steeds iets langer en onbegeleid zullen zijn, waarbij er tussendoor evaluaties zullen plaatsvinden met beide ouders. De GI zal [minderjarige 2 (voornaam)] rondom deze evaluatiemomenten uitleggen wat de vervolgstappen zijn. Daarnaast zal de GI monitoren hoe de omgang zich ontwikkelt en beoordelen of er inderdaad ruimte is voor de verdere uitbreiding. De GI beoordeelt ook of er een passend contactmoment in de kerstvakantie kan plaatsvinden.
3.16.
De rechtbank neemt in aanmerking dat de opa aan vaderszijde een positieve relatie heeft met zowel de moeder als met beide kinderen en kan ondersteunen bij het halen en brengen. De partner van de vader heeft eveneens aangeboden hierbij te helpen. Omdat [minderjarige 2 (voornaam)] en de moeder haar nog nauwelijks kennen, acht de rechtbank een kennismaking op korte termijn wenselijk.
3.17.
Het opbouwschema, dat ook op de zitting is besproken, luidt als volgt:
Uitbreiding december 2025
  • 10 december 2025 – 14:00 tot 18:00 uur ( [minderjarige 2 (voornaam)] loop zelfstandig heen, de jeugdbeschermer haalt [minderjarige 2 (voornaam)] op);
  • 17 december 2025 – 14:00 tot 18:00 uur ( [minderjarige 2 (voornaam)] loop zelfstandig heen, de jeugdbeschermer haalt [minderjarige 2 (voornaam)] op);
  • 24 december 2025 – moeder kan dan niet; de GI zal een alternatieve datum vaststellen;
  • 31 december 2025 – 14:00 tot 18:00 uur ( [minderjarige 2 (voornaam)] loopt zelf heen, opa of de partner van de vader brengt haar terug).
Kerstvakantie
 De vader heeft een contactmoment op een nader te bepalen moment van 13:00 tot 19:00 uur, zodat de vader en [minderjarige 2 (voornaam)] iets leuks kunnen doen.
Op 6 januari 2026 vindt een evaluatie plaats met beide ouders.De GI spreekt met [minderjarige 2 (voornaam)] voor uitleg over het vervolg.
Uitbreiding januari 2026
Vanaf dit moment zullen de ouders in overleg met de GI bepalen wie [minderjarige 2 (voornaam)] terugbrengt.
  • 7 januari 2026 – 14:00 tot 19:00 uur (inclusief avondeten)
  • 14 januari 2026 – 14:00 tot 19:00 uur (inclusief avondeten)
  • 21 januari 2026 – 14:00 tot 19:00 uur (inclusief avondeten)
Op 26 januari 2026 vindt een evaluatie plaats met beide ouders.De GI spreekt opnieuw met [minderjarige 2 (voornaam)] voor uitleg over het vervolg.
28 januari 2026 – 14:00 tot 19:00 uur (inclusief avondeten).
3.18.
Met deze beslissing vervalt de voorlopige omgangsregeling uit de beschikking van 22 november 2022. De verdere uitbreiding van de nu voor [minderjarige 2 (voornaam)] gegeven omgangregeling kan onder regie van de GI worden uitgevoerd. De lopende ondertoezichtstelling, die in ieder geval nog duurt tot 12 juli 2026, kan hiervoor worden gebruikt. Wanneer tot een afsluiting van de ondertoezichtstelling zou worden overgegaan, kan de GI de kinderrechter verzoeken de dan geldende omgangsregeling vast te leggen op grond van artikel 1:265g, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.19.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beslist dat de moeder voortaan alleen is belast met het ouderlijk gezag over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ;
4.2.
stelt de volgende omgangsregeling vast tussen de vader en [minderjarige 2 (voornaam)] :
Uitbreiding per 10 december 2025
  • 10 december 2025 – 14:00 tot 18:00 uur ( [minderjarige 2 (voornaam)] loop zelfstandig heen, de jeugdbeschermer haalt [minderjarige 2 (voornaam)] op);
  • 17 december 2025 – 14:00 tot 18:00 uur ( [minderjarige 2 (voornaam)] loop zelfstandig heen, de jeugdbeschermer haalt [minderjarige 2 (voornaam)] op);
  • 24 december 2025 – moeder kan dan niet; de GI bepaalt een alternatieve datum;
  • 31 december 2025 – 14:00 tot 18:00 uur ( [minderjarige 2 (voornaam)] loopt zelf heen, opa of de partner van de vader brengt haar terug).
De kerstvakantie
 Eén omgangsmoment van 13:00 tot 19:00 uur; de GI bepaalt in overleg met partijen de exacte datum en onderzoekt een mogelijkheid voor een contactmoment tijdens Kerst.
De GI spreekt met [minderjarige 2 (voornaam)] voor uitleg.
Op 6 januari 2026 vindt een evaluatie plaats met beide ouders.
Uitbreiding per januari 2026
Vanaf dit moment zullen de ouders in overleg met de GI bepalen wie [minderjarige 2 (voornaam)] ophaalt.
  • 7 januari 2026 – 14:00 tot 19:00 uur (inclusief avondeten)
  • 14 januari 2026 – 14:00 tot 19:00 uur (inclusief avondeten)
  • 21 januari 2026 – 14:00 tot 19:00 uur (inclusief avondeten)
De GI spreekt opnieuw met [minderjarige 2 (voornaam)] voor uitleg.
Op 26 januari 2026 vindt een evaluatie plaats met beide ouders
28 januari 2026 – 14:00 tot 19:00 uur (inclusief avondeten).
4.3.
bepaalt dat de GI de regie houdt op (uitbreiding van de) bovengenoemde omgangsregeling en bevoegd is praktische nadere afspraken te maken indien dit in het belang van [minderjarige 2 (voornaam)] noodzakelijk is;
4.4.
bepaalt dat er geen omgangsregeling is tussen de vader en [minderjarige 1 (voornaam)] ;
4.5.
verklaart de beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door V.M.M. van Amstel, (kinder)rechter in samenwerking met mr. C.A. Lammertink, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.