ECLI:NL:RBMNE:2025:6864

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11736963 \ UC EXPL 25-4930
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen voor verzekeringen toegewezen aan eiseres

In deze civiele zaak vordert eiseres betaling van twee facturen ter hoogte van € 2.125,49 voor verzekeringen die gedaagde bij haar had lopen. Gedaagde stelt dat zij de verzekeringen in november 2022 heeft opgezegd en weigert daarom te betalen. De kantonrechter oordeelt dat alleen de garageverzekering schriftelijk is opgezegd, terwijl gedaagde onvoldoende bewijs levert van opzegging van de overige verzekeringen.

De kantonrechter baseert zich op het polisblad, facturen en een e-mail van 4 oktober 2022 waarin alleen de garageverzekering wordt opgezegd. Correspondentie van gedaagde over stopzetting van verzekeringen ontbreekt aan ondubbelzinnig bewijs. Nieuwe verzekeringsstukken tonen slechts een garageverzekering bij een andere maatschappij. Hierdoor moet gedaagde de openstaande facturen voldoen.

Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van wettelijke handelsrente vanaf 9 mei 2025 en buitengerechtelijke incassokosten van € 318,82. Ook de proceskosten van € 1.231,35 komen voor rekening van gedaagde. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad, zodat betaling ook bij hoger beroep moet plaatsvinden.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11736963 \ UC EXPL 25-4930 RJ/58605
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V.,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door: de heer [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 mei 2025 met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord van 11 juli 2025 met bijlagen;
- de conclusie van repliek van 17 september 2025 met productie 4;
- de conclusie van dupliek van 12 november 2025.
1.2.
Op basis hiervan doet de kantonrechter deze uitspraak.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft verschillende verzekeringen gehad bij [eiseres] . [eiseres] wil dat [gedaagde] nog twee facturen aan haar betaalt van in totaal € 2.125,49. [gedaagde] wil deze facturen niet betalen, omdat zij de verzekeringen zou hebben stopgezet in november 2022 en de facturen van na deze periode zijn. De kantonrechter geeft [eiseres] gelijk. [gedaagde] moet de facturen betalen.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet de facturen van € 2.125,49 aan [eiseres] betalen
3.1.
[gedaagde] moet de facturen van € 2.125,49 aan [eiseres] betalen. De kantonrechter zal dat hierna uitleggen.
3.2.
Uit het polisblad en de overgelegde facturen blijkt dat [gedaagde] vijf verzekeringen had bij [eiseres] , namelijk voor huurdersbelang, inventaris/goederen, bedrijfsschade, milieuschade en garage. Voor elk van deze 5 verzekeringen bestond een polisblad en [gedaagde] betaalde voor elk type verzekering een aparte premie. Op de facturen waar het in deze zaak over gaat wordt nog de premie gevorderd tot 1 februari 2023 voor de verzekeringen huurdersbelang, inventaris/goederen, bedrijfsschade en milieuschade.
3.3.
[gedaagde] wil de facturen niet betalen, omdat zij de verzekeringen in november 2022 zou hebben opgezegd, maar dit klopt volgens [eiseres] niet. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] alleen de garageverzekering opgezegd. [eiseres] verwijst daarbij naar een e-mail van 4 oktober 2022 waarin, namens [gedaagde] , de garageverzekering wordt opgezegd. In deze e-mail staat: “
Hierbij het verzoek, namens relatie, om per 1 november 2022 zijn bovengenoemde garageverzekering te beëindigen.” [1] Verder staat in de bijlage van deze e-mail staat dat het gaat om de opzegging van de garageverzekering met polisnummer “ [nummer] ”. De kantonrechter constateert dat volgens het polisblad en de facturen dit polisnummer alleen bij de garageverzekering hoort en niet bij de andere 4 verzekeringen. De kantonrechter stelt dan ook vast dat met de e-mail van 4 oktober 2022 alleen de garageverzekering is opgezegd. De premie voor de garageverzekering wordt ook niet meer op deze facturen gevorderd (het werd eerst in rekening gebracht, maar daarna ook weer gecorrigeerd).
3.4.
Omdat het volgens [eiseres] niet klopt dat [gedaagde] ook de andere verzekeringen heeft opgezegd, lag het op de weg van [gedaagde] om haar stelling dat ook de verzekeringen voor de inventaris/goederen, huurdersbelang, bedrijfsschade en milieuschade zijn opgezegd, verder te onderbouwen. Uit de stukken van [gedaagde] blijkt wel dat [gedaagde] op 23 december 2022 en 24 december 2022 aan [eiseres] mailt dat zij de verzekering(en) heeft stopgezet, maar stukken (bijvoorbeeld een brief of e-mail) waaruit blijkt dat zij dit daadwerkelijk heeft gedaan, ontbreken (zoals de e-mail waarin de garageverzekering wordt opgezegd). Volgens [gedaagde] heeft zij hierover met [eiseres] gebeld, maar wanneer dat zou zijn geweest, wat er toen zou zijn besproken en/of met wie er is gesproken, blijkt nergens uit. Verder heeft [gedaagde] wel stukken overgelegd van haar nieuwe verzekering bij “MoVea”, maar uit deze stukken blijkt alleen dat zij bij MoVea een garageverzekering heeft afgesloten. Hieruit blijkt niet dat zij bij MoVea inventaris/goederen, huurdersbelang, bedrijfsschade en milieuschade heeft laten verzekeren en/of dat deze verzekeringen bij [eiseres] zijn opgezegd. Overigens is niet uit te sluiten dat [gedaagde] wel de bedoeling had om alle verzekeringen op te zeggen, maar deze wil heeft niet geresulteerd in een ondubbelzinnige en schriftelijke opzegging van alle verzekeringen. Dat heeft tot gevolg dat [gedaagde] de nog openstaande facturen moet betalen.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen
3.5.
[eiseres] vordert ook de wettelijke handelsrente. [gedaagde] is deze wettelijke handelsrente verschuldigd omdat zij de facturen niet heeft betaald binnen de daarvoor gegeven betalingstermijn. De wettelijke handelsrente is een vergoeding voor de vertraging van die betaling. De wettelijke handelsrente bedraagt € 549,69 tot en met 8 mei 2025. Daarnaast wijst de kantonrechter de wettelijke handelsrente toe vanaf 9 mei 2025 tot het moment waarop [gedaagde] daadwerkelijk betaalt.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.6.
[eiseres] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wijst de kantonrechter het bedrag van € 318,82 toe.
Conclusie
3.7.
[gedaagde] moet in totaal (exclusief de wettelijke handelsrente vanaf 9 mei 2025 en de proceskosten) aan [eiseres] betalen:
- hoofdsom
- wettelijke handelsrente
2.125,49
549,69
- buitengerechtelijke incassokosten
318,82
+
Totaal
2.994,00
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.231,35
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.9.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.994,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 2.125,49, met ingang van 9 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.231,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Voetnoten

1.Zie productie 4 van [eiseres] .