Eiser en zijn echtgenote hebben een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de IOAZ, welke door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht is afgewezen vanwege een te hoog gezamenlijk inkomen over de afgelopen drie jaar.
Eiser betoogt dat het inkomen uit de gezamenlijke onderneming naar rato verdeeld moet worden, maar de rechtbank stelt vast dat de IOAZ-uitkering bedoeld is voor het gezamenlijke inkomen van de gehuwden en dat het college terecht het volledige gezamenlijke inkomen heeft meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat het inkomen van eiser en zijn echtgenote het toegestane maximum overschrijdt, waardoor het beroep ongegrond wordt verklaard. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.