De moeder heeft verzocht om herstel van haar ouderlijk gezag over haar minderjarige kind, nadat het gezag in 2019 was beëindigd en het kind onder voogdij was geplaatst. Het kind woonde sinds december 2023 bij de moeder, na een periode van verblijf in een pleeggezin.
De rechtbank heeft het verzoek toegewezen omdat het herstel van het gezag in het belang van het kind is en de moeder duurzaam in staat is gebleken de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. De moeder heeft de afgelopen twee jaar een stabiele en veilige thuissituatie geboden, met positieve gedragsveranderingen bij het kind.
De juridische situatie wordt hiermee in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. De voogdij van Jeugdbescherming Rotterdam eindigt van rechtswege na deze beschikking. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze geldt ook bij hoger beroep.
Daarnaast is aandacht gevraagd voor de impact van het plotselinge vertrek uit het pleeggezin en het wegvallen van contact met de pleegouders, met het oog op een mogelijke toekomstige herstelgesprek en contactregeling. De hulpverlening wordt gevraagd dit te begeleiden.