ECLI:NL:RBMNE:2025:6849

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/16/579300/ FO RK 24-956
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel van gezag over een minderjarige na beëindiging van voogdij

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 18 december 2025 een beschikking gegeven over het herstel van het gezag van de moeder over haar minderjarige zoon, geboren in 2016. De moeder had eerder verzocht om het herstel van haar gezag, nadat dit in 2019 was beëindigd en de voogdij was toevertrouwd aan Samen Veilig Midden-Nederland. De rechtbank had eerder, op 19 december 2024, de beslissing op het verzoek van de moeder uitgesteld en advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 november 2025 werd het verzoek besproken, waarbij de moeder en haar advocaat aanwezig waren, evenals vertegenwoordigers van Jeugdbescherming Rotterdam en de Raad.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder sinds de terugplaatsing van de minderjarige in december 2023 in staat is gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van haar zoon te dragen. De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de minderjarige is dat de moeder opnieuw met het gezag wordt belast, gezien de positieve ontwikkelingen in haar leven en de zorg voor haar kind. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank heeft benadrukt dat de hulpverlening moet blijven bestaan en dat er aandacht moet zijn voor de impact van de pleegzorg op de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/579300 / FO RK 24-956
Gezag
Beschikking van 18 december 2025
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. W.P.A. Vos,
over het kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige (voornaam)] ,
met als belanghebbende:
JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM,
gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen: Jeugdbescherming Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 19 december 2024 de beslissing op het verzoek van de moeder tot het herstel van haar gezag over [minderjarige (voornaam)] uitgesteld en advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • het rapport van de Raad van 6 juni 2025, ontvangen op 11 juni 2025;
  • de mail van de moeder van 28 juli 2025;
  • de mail van Jeugdbescherming Rotterdam van 29 september 2025.
1.3.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 20 november 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat, mevrouw [A] namens Jeugdbescherming Rotterdam en mevrouw [B] namens de Raad.
1.4.
De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige (voornaam)] , de zoon van de moeder, gevraagd wat hij van het verzoek vindt. [minderjarige (voornaam)] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Bij beschikking van 24 juli 2019 is het gezag van de vader en de moeder over [minderjarige (voornaam)] beëindigd en is Samen Veilig Midden-Nederland met de voogdij over [minderjarige (voornaam)] belast.
2.2.
[minderjarige (voornaam)] heeft van 9 oktober 2017 tot 28 december 2023 in een pleeggezin gewoond. Sinds 28 december 2023 woont [minderjarige (voornaam)] bij de moeder.
2.3.
De moeder heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de voogdijmaatregel over [minderjarige (voornaam)] is beëindigd en dat haar gezag over [minderjarige (voornaam)] wordt hersteld.
2.4.
Bij beschikking van 19 december 2024 heeft de rechtbank Samen Veilig Midden Nederland van de voogdij over [minderjarige (voornaam)] ontslagen en Jeugdbescherming Rotterdam tot voogd over hem benoemd. Daarnaast heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de moeder tot herstel van haar gezag aangehouden voor de duur van zes maanden, in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder toewijzen en het gezag van de moeder over [minderjarige (voornaam)] herstellen. Dat betekent dat zij opnieuw met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] zal worden belast en dat zij daardoor vanaf heden de belangrijke beslissingen over hem mag (en moet) nemen. De rechter zal hierna uitleggen hoe hij tot deze beslissing is gekomen.
Het wettelijk kader
3.2.
De rechtbank kan de ouder wiens gezag is beëindigd op zijn verzoek in het gezag herstellen. [1] Daarvoor moet aan twee voorwaarden zijn voldaan:
  • herstel in het gezag moet in het belang zijn van het kind, en;
  • de ouder moet in staat zijn om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen.
De toelichting
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke criteria om de moeder in het gezag te herstellen is voldaan. Het is in het belang van [minderjarige (voornaam)] dat de moeder opnieuw met het gezag over hem wordt belast. [minderjarige (voornaam)] is in december 2023 geheel onverwachts thuisgeplaatst bij de moeder en woont inmiddels alweer twee jaar bij haar. De rechtbank ziet dat de moeder het beste met [minderjarige (voornaam)] voorheeft en dat zij zich inzet om goede beslissingen voor hem te nemen. Zij heeft de afgelopen twee jaar laten zien dat zij duurzaam de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding van [minderjarige (voornaam)] kan dragen. Hoewel de afgelopen jaren niet makkelijk zijn geweest, omdat zowel [minderjarige (voornaam)] als de moeder veel hebben meegemaakt, heeft de moeder hard gewerkt om de zorg voor [minderjarige (voornaam)] op zich te kunnen nemen. De moeder leidt inmiddels een stabieler leven en is, met de ingezette hulpverlening, in staat gebleken een veilige thuissituatie te bieden. Er is een positieve gedragsverandering te zien bij [minderjarige (voornaam)] . Daarvoor wil de rechtbank de moeder een groot compliment geven.
3.4.
De rechtbank vindt het belangrijk dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie van de afgelopen twee jaar. Het is in het belang van [minderjarige (voornaam)] dat de moeder naast het verzorgen en opvoeden, ook gezagsbeslissingen kan nemen. Zowel de GI als de Raad hebben op de zitting verklaard dat het herstel van het gezag van de moeder in het belang van [minderjarige (voornaam)] is. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, het vertrouwen dat de moeder deze verantwoordelijkheid kan dragen.
3.5.
Nu de betrokkenheid van de GI eindigt, is het van belang dat de hulpverlening, waaronder de traumabehandeling van [minderjarige (voornaam)] , via het wijkteam wordt voortgezet. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij de afgelopen weken contact heeft gehad met het wijkteam voor een overdracht, zodat het wijkteam de regie kan overnemen.
3.6.
Op grond van artikel 1:281, eerste lid, sub b, en het tweede lid, BW eindigt de voogdij van de Jeugdbescherming Rotterdam over [minderjarige (voornaam)] van rechtswege daags nadat deze - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking is verstrekt of verzonden. De rechtbank wijst er nog op dat de voogd op grond van artikel 1:372 BW, rekening en verantwoording moet afleggen aan haar opvolger in het bewind, in dit geval de moeder.
Tot slot
3.7.
Tot slot is het belangrijk dat er vanuit de hulpverlening aandacht blijft voor het onderwerp pleegouders. [minderjarige (voornaam)] moest daar twee jaar geleden plotseling vertrekken, wat een grote impact op hem heeft gehad. Deze impact is vergroot doordat het contact met de pleegouders daarna is weggevallen. Voor [minderjarige (voornaam)] is het belastend dat de pleegouders enerzijds hebben aangegeven dat hij vanwege zijn gedrag niet langer bij hen kon wonen, terwijl zij anderzijds hebben uitgesproken dat zij hem missen. Daarom is in overleg met de hulpverlening besloten dat er op dit moment geen contact is tussen de pleegouders en [minderjarige (voornaam)] . Het is belangrijk dat de hulpverlening onderzoekt of en op welke wijze in de toekomst een herstelgesprek kan plaatsvinden en hoe het contact tussen [minderjarige (voornaam)] en de pleegouders eventueel vormgegeven kan worden. Dit draagt eraan bij dat [minderjarige (voornaam)] zich verder op een gezonde en positieve manier te kunnen ontwikkelen.
3.8.
Nu de moeder in het gezag zal worden hersteld, zal de voogdij van de GI van rechtswege eindigen na het versturen van deze beschikking.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.9.
De rechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. De beslissing van de rechter geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
herstelt de moeder in het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ;
4.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.G. Bakker, (kinder)rechter in samenwerking met mr. E.A.G. Mosch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.artikel 1:277 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.