In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 18 december 2025 een beschikking gegeven over het herstel van het gezag van de moeder over haar minderjarige zoon, geboren in 2016. De moeder had eerder verzocht om het herstel van haar gezag, nadat dit in 2019 was beëindigd en de voogdij was toevertrouwd aan Samen Veilig Midden-Nederland. De rechtbank had eerder, op 19 december 2024, de beslissing op het verzoek van de moeder uitgesteld en advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 november 2025 werd het verzoek besproken, waarbij de moeder en haar advocaat aanwezig waren, evenals vertegenwoordigers van Jeugdbescherming Rotterdam en de Raad.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder sinds de terugplaatsing van de minderjarige in december 2023 in staat is gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van haar zoon te dragen. De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de minderjarige is dat de moeder opnieuw met het gezag wordt belast, gezien de positieve ontwikkelingen in haar leven en de zorg voor haar kind. De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank heeft benadrukt dat de hulpverlening moet blijven bestaan en dat er aandacht moet zijn voor de impact van de pleegzorg op de minderjarige.