ECLI:NL:RBMNE:2025:6841

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
16/048539-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanranding van een minderjarige in Utrecht

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van aanranding van een minderjarige. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 10 december 2025. De verdachte, die bekent, heeft op 13 februari 2025 in Utrecht seksuele handelingen verricht met een meisje van 11 jaar, terwijl hij als medewerker in een winkel werkzaam was. De rechtbank oordeelt dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, maar legt hem toch een gevangenisstraf op van 240 dagen, waarvan 131 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast krijgt hij een taakstraf van 100 uur. De vordering van de benadeelde partij, die een schadevergoeding van € 1.067,- vorderde, werd volledig toegewezen. De rechtbank benadrukt de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer, en legt bijzondere voorwaarden op aan de verdachte, waaronder een meldplicht en een contactverbod met het slachtoffer. De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de adviezen van deskundigen, maar vindt dat de opgelegde straffen recht doen aan de ernst van het gepleegde feit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/048539-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 december 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1960] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 10 december 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. J. Boon;
  • de advocaat van de verdachte: mr. C. van Oort;
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. T.C. Cooman;

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 13 februari 2025 in Utrecht met [slachtoffer] die toen nog geen 12 jaar oud was seksuele handelingen heeft verricht.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert geen verweer over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit, namelijk aanranding van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
  • de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 10 december 2025;
  • een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [slachtoffer] .
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 13 februari 2025 te Utrecht met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [2013] ) seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het onverhoeds van achteren benaderen van die [slachtoffer] en het onverhoeds van achteren zijn armen om het bovenlichaam van die [slachtoffer] slaan en
- het met zijn handen betasten van de borsten van die [slachtoffer] en
- aan die [slachtoffer] te vragen of ze door haar knieën kon gaan en
- vervolgens zijn, verdachtes, hand in de broek van die [slachtoffer] doen en
- het met zijn handen betasten van de met ondergoed bedekte vagina van die [slachtoffer] en
- daarbij de woorden toe te voegen ‘dit is heel lekker zacht’ en
- het met zijn handen betasten van de met ondergoed bedekte billen van die [slachtoffer] .
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
KwalificatieHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren.
4.2
Strafbaarheid feit en verdachteHet feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 132 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd een meldplicht, een behandelverplichting bij De Waag, een contactverbod met het slachtoffer en een contactverbod met minderjarigen;
- een taakstraf van 150 uur, te vervangen door 75 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat de nadruk bij de straftoemeting moet liggen op de hulpverlening. De advocaat van de verdachte kan zich vinden in de geëiste gevangenisstraf. Het is belangrijk dat de verdachte niet terug de gevangenis in moet. De advocaat verzoekt de rechtbank om aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet als bijzondere voorwaarde een contactverbod met minderjarigen te verbinden. Deze voorwaarde is niet door de reclassering geadviseerd en deze voorwaarde is ook al niet meer als voorwaarde aan de schorsing verbonden. Een contactverbod met het slachtoffer is daarnaast niet noodzakelijk, nu de verdachte geen contactgegevens heeft en ook zelf geen behoefte heeft aan contact met het slachtoffer. De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf niet nog een taakstraf op te leggen. De verdachte werkt en heeft daarnaast nog de zorg over zijn dochter en een kwetsbare gezondheid. Met daarnaast drie keer per week een behandeling bij De Waag wordt cliënt overvraagd als hij ook nog een taakstraf moet uitvoeren.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte op een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 131 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met daarnaast een taakstraf van 100 uur. Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft een meisje van 11 jaar aangerand terwijl hij als medewerker werkzaam was in de [winkel] . Het slachtoffer was daar aan het winkelen met haar moeder en de verdachte liet haar de fitnesstoestellen en het materiaal zien. Hij heeft vervolgens de borsten en billen van het slachtoffer betast en is met zijn hand in haar broek gegaan. Hij heeft haar billen en vagina over de onderbroek betast. De verdachte heeft verklaard dat hij in een soort ‘flow’ kwam en ging daarin met zijn handelingen steeds verder. De verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen die dit voor haar heeft gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik de ontwikkeling van kinderen kan verstoren en dat dit kan zorgen voor grote en langdurige psychische schade. Dat het misbruik ook in dit geval een grote impact op het slachtoffer heeft gehad, blijkt uit de slachtofferverklaring die op de zitting is voorgelezen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 3 juni 2025 blijkt dat de verdachte langgeleden (in 1987) is veroordeeld voor een soortgelijk feit en een aantal schennisplegingen. Daarna is in 2005 een voorwaardelijk sepot gevolgd in verband met schennispleging. Er zijn geen recente veroordelingen voor soortgelijke feiten.
Verdachte is in 2023 in behandeling gegaan bij De Waag voor grensoverschrijdend gedrag. De rechtbank weegt dit niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.
De rechtbank heeft meerdere rapporten gelezen die over de verdachte zijn geschreven. In het rapport van 27 mei 2025 van GZ-psycholoog mw. drs. A.M.I. Peelen leest de rechtbank dat er bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde parafiele stoornis en ook van een aanpassingsstoornis met angstige en sombere stemming. De andere gespecificeerde parafiele stoornis was aanwezig tijdens het plegen van het bewezenverklaarde feit en beïnvloedde ook zijn gedragskeuzes en gedragingen. Bij de verdachte is sprake van verstoorde (seksuele) cognitieve vervormingen. Tegelijkertijd was de verdachte zich ook tijdens het plegen van het feit bewust van de strafbaarheid van zijn gedrag. Bij de verdachte was er sprake van een conflictbeleving (conflict tussen een wens en een verbod), waarbij de wens om zijn handelen voort te zetten sterker was dan zijn gewetensfunctie en empathie ten aanzien van het slachtoffer. Alles overziend wordt gedacht dat de andere gespecificeerde parafiele stoornis een doorwerking had op zijn handelen en dat de verdachte – ook al was hij zich bewust van de ontoelaatbaarheid van zijn handelen – onvoldoende zichzelf kon remmen. De GZ-psycholoog adviseert daarom om het feit in (licht) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Gezien er een langslepend patroon is van zeden gerelateerde feiten en de problematiek al lange tijd (soms sluimerend) aanwezig is, wordt de kans op recidive als matig hoog ingeschat als de verdachte niet behandeld wordt voor zijn problematiek. De GZ-psycholoog adviseert om een langer durende behandeling in te zetten gericht op het veranderen van de cognitieve vervormingen, het aanleren van alternatieven om om te gaan met zijn verstoorde lustprincipes en het meer leren verplaatsen in de ander. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijk strafdeel op te leggen bij een reclasseringsmaatregel, met als bijzondere voorwaarde mee te werken aan behandeling.
De rechtbank heeft ook het rapport van de reclassering van 17 november 2025 betrokken bij de beslissing. De reclassering schrijft dat hoewel de frequentie van het delictgedrag beperkt is, zij wel een patroon van seksueel grensoverschrijdend gedragingen zien. De verdachte is sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in behandeling bij De Waag. De behandeling is gericht op het verlagen van de risico’s door onder andere het maken van een delictanalyse, het vergroten van zelfinzicht en psychomotorische therapie. De reclassering ziet de behandeling bij De Waag, de intrinsieke motivatie van de verdachte hiervoor en de steun vanuit zijn netwerk (partner, dochter) als beschermende factoren. Het is positief dat er geen problemen zijn op de praktische leefgebieden en dat er voldoende stabiliteit is in zijn leven. Het huidige toezicht en de behandeling bij De Waag verlopen goed. De reclassering vindt het van belang dat dit wordt voortgezet om het risico op recidive te verlagen. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Dit betekent onder andere dat de rechtbank het feit in verminderde mate aan de verdachte zal toerekenen.
De straf
De rechtbank houdt rekening met de straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken. Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De verdachte is ondertussen begonnen met zijn behandeling bij De Waag. Deze behandeling verloopt goed en de reclassering vindt het van belang dat de behandeling wordt voortgezet. De rechtbank wil deze positieve ontwikkeling niet doorkruisen door de verdachte terug naar de gevangenis te sturen. Daarom legt de rechtbank aan de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. Daarbij legt de rechtbank een flink deel voorwaardelijk op als stok achter de deur voor de verdachte om zich in te zetten voor zijn behandeling en om hem ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. De rechtbank volgt voor wat betreft de gevangenisstraf de eis van de officier van justitie en legt aan hem op een gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 131 dagen voorwaardelijk. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden verbinden van een meldplicht en het meewerken aan de behandeling, zoals geadviseerd door de reclassering. De psycholoog en reclassering schrijven dat een langdurige behandeling noodzakelijk is om recidive te voorkomen.
De rechtbank zal ook een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarde opleggen. Dit is de uitdrukkelijke wens van het slachtoffer. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod met de ouders van het slachtoffer op te leggen nu zij niet rechtstreeks betrokken waren bij het strafbare feit. De officier van justitie heeft ook geëist om een contactverbod met minderjarigen in het algemeen als bijzondere voorwaarde op te leggen. De rechtbank acht dit echter niet uitvoerbaar. De reclassering heeft dit ook niet geadviseerd. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf een proeftijd van 3 jaar verbinden, zodat er voldoende tijd is voor de langdurige behandeling.
De rechtbank is van oordeel dat enkel deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank legt daarom aan de verdachte ook een onvoorwaardelijke taakstraf op. De rechtbank houdt rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en de door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Daarom zal de rechtbank, ook gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, de door de officier van justitie geëiste taakstaf iets matigen. De rechtbank legt aan de verdachte op een taakstraf van 100 uur.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van de rechtbank dat de verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis als hij zich aan de voorwaarden houdt. Daarom zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.067,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 67,- voor vergoeding van materiële schade en € 1.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit vergoeding voor de inbeslaggenomen kleding van [slachtoffer] . Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte stelt zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De hoogte van de immateriële schade is namens de verdachte ook niet betwist. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 13 februari 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.067,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 240 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf
een gedeelte van 131 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij
een proeftijd van 3 (drie) jarenvast;
- als voorwaarden gelden dat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [2013] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;
* zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland meldt op het adres Zwarte Woud 2 te Utrecht. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt
* zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 100 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
  • wijst de vordering van [slachtoffer] geheel toe tot een bedrag van € 1.067,-;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.067,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 20 dagen gijzeling;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. F.F. Geerdink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.I. van Balkom, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Utrecht, in elk geval in Nederland,
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer]
(geboren op [2013] )
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het onverhoeds van achteren benaderen van die [slachtoffer] en/of het
onverhoeds van achteren zijn armen om het bovenlichaam van die [slachtoffer]
slaan en/of
- het met zijn handen betasten van de borsten van die [slachtoffer] en/of
- aan die [slachtoffer] te vragen of ze door haar knieën kon gaan en/of
- vervolgens zijn, verdachtes, hand in de broek van die [slachtoffer] doen
en/of
- het met zijn handen betasten van de met ondergoed bedekte vagina
van die [slachtoffer] en/of
- daarbij de woorden toe te voegen ‘dit is heel lekker zacht’, althans
woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- het met zijn handen betasten van de met ondergoed bedekte billen van
die [slachtoffer] en/of.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2025047526, doorgenummerd pagina 1 tot en met 89. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 15-22.