Uitspraak
1.De procedure
2.De kern van de zaak
.De proceskosten worden begroot op:
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak heeft eiseres, handelend onder de naam [handelsnaam 1] en in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de heer [onderbewindgestelde], een kort geding aangespannen tegen gedaagde, handelend onder de naam [handelsnaam 2]. De eis betreft de betaling van achterstallig (cumulatief) salaris van [onderbewindgestelde] over de periode van 1 juli tot 1 november 2025, alsook aanspraken op wettelijke rente, wettelijke verhoging, kosten en het verstrekken van salarisspecificaties, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De mondelinge behandeling vond plaats op 11 december 2025, waarbij gedaagde niet aanwezig was. De kantonrechter heeft verstek verleend en de vorderingen van eiseres toegewezen, omdat aan de voorwaarden voor een voorlopige voorziening is voldaan.
De kantonrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang, aangezien [onderbewindgestelde] afhankelijk is van het salaris voor zijn levensonderhoud. Tevens is het zeer waarschijnlijk dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, gezien de cao-bepalingen die van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst van [onderbewindgestelde]. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [onderbewindgestelde] recht heeft op een bruto maandsalaris van € 2.528,93, en dat er een achterstand is in de salarisbetalingen van € 10.115,72 bruto, wat door gedaagde niet is betwist.
Daarnaast heeft de kantonrechter ook de vorderingen met betrekking tot vakantietoeslag en niet genoten vakantiedagen toegewezen, evenals de wettelijke verhoging en rente. Gedaagde is veroordeeld tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten zijn eveneens voor rekening van gedaagde. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.