ECLI:NL:RBMNE:2025:6837

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11999025
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van achterstallig salaris en vakantietoeslag in kort geding met verstek

In deze zaak heeft eiseres, handelend onder de naam [handelsnaam 1] en in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de heer [onderbewindgestelde], een kort geding aangespannen tegen gedaagde, handelend onder de naam [handelsnaam 2]. De eis betreft de betaling van achterstallig (cumulatief) salaris van [onderbewindgestelde] over de periode van 1 juli tot 1 november 2025, alsook aanspraken op wettelijke rente, wettelijke verhoging, kosten en het verstrekken van salarisspecificaties, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De mondelinge behandeling vond plaats op 11 december 2025, waarbij gedaagde niet aanwezig was. De kantonrechter heeft verstek verleend en de vorderingen van eiseres toegewezen, omdat aan de voorwaarden voor een voorlopige voorziening is voldaan.

De kantonrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang, aangezien [onderbewindgestelde] afhankelijk is van het salaris voor zijn levensonderhoud. Tevens is het zeer waarschijnlijk dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen, gezien de cao-bepalingen die van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst van [onderbewindgestelde]. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [onderbewindgestelde] recht heeft op een bruto maandsalaris van € 2.528,93, en dat er een achterstand is in de salarisbetalingen van € 10.115,72 bruto, wat door gedaagde niet is betwist.

Daarnaast heeft de kantonrechter ook de vorderingen met betrekking tot vakantietoeslag en niet genoten vakantiedagen toegewezen, evenals de wettelijke verhoging en rente. Gedaagde is veroordeeld tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten zijn eveneens voor rekening van gedaagde. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11999025 \ UV EXPL 25-311
Kort geding vonnis van 22 december 2025
in de zaak van
[eiseres], handelend onder de naam [handelsnaam 1] , in haar hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de heer
[onderbewindgestelde],
gevestigd in [verstigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. E. Weijer,
tegen
[gedaagde] ,handelend onder de naam [handelsnaam 2] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de kort geding dagvaarding met producties ontvangen en gelezen.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 11 december 2025. Verschenen zijn [onderbewindgestelde] , vergezeld door een tolk en bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] wil met deze procedure bereiken dat [gedaagde] het achterstallige (cumulatieve) salaris van [onderbewindgestelde] over de periode 1 juli tot 1 november 2025 alsnog betaalt. Hierbij maakt zij ook aanspraak op de wettelijke rente, wettelijke verhoging, kosten en het verstrekken van salarisspecificaties, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De vorderingen worden toegewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom.
3. De beoordeling
Tegen [gedaagde] is verstek verleend
3.1.
De mondelinge behandeling vond plaats op 11 december 2025. [gedaagde] was niet aanwezig op de mondelinge behandeling en heeft voorafgaand hieraan ook niet op een andere manier gereageerd. Uit de dagvaarding volgt dat hij wel op een juiste manier is opgeroepen. Daarom is tijdens de mondelinge behandeling tegen [gedaagde] verstek verleend. De zaak is dus zonder aanwezigheid of reactie van [gedaagde] behandeld.
Betaling van het achterstallige (cumulatieve) salaris wordt toegewezen
3.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening, waarin door de kantonrechter aan de gedaagde partij verstek is verleend. In een dergelijk geval worden de vorderingen door de kantonrechter toegewezen als:
I. sprake is van een spoedeisend belang;
II. het zeer waarschijnlijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen;
III. de vorderingen niet in strijd zijn met de wet en een geldige reden aanwezig is.
3.3.
Met betrekking tot alle vorderingen wordt aan de drie voorwaarden voldaan, zodat ze alle worden toegewezen. Dit zal hieronder worden uitgelegd.
I. Er is sprake van een spoedeisend belang
3.4.
In dit kort geding moet de kantonrechter allereerst beoordelen of [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Van een spoedeisend belang is sprake als een onmiddellijke voorziening nodig is en van eiseres niet kan worden verlangd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een dergelijk spoedeisend belang bij de ingestelde vorderingen, omdat aanspraak wordt gemaakt op loon waarvan [onderbewindgestelde] afhankelijk is om zijn kosten van bestaan, waaronder zijn huur, te betalen.
II. Het is zeer waarschijnlijk dat alle vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen
3.5.
De kantonrechter moet in dit kort geding vervolgens beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt hierbij dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter hebben alle vorderingen een zodanige kans van slagen dat het treffen van een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Dit wordt hierna uitgelegd.
Toewijzing van het achterstallige salaris is aannemelijk
3.6.
Vanaf l juli 2025 was [onderbewindgestelde] werkzaam als bedrijfsleider bij [handelsnaam 2] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, voor 40 uur per week tegen een laatst genoten salaris van € 2.400,- bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag. Op die arbeidsovereenkomst is de cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf (hierna: de cao) van toepassing. Op grond van die cao meent [onderbewindgestelde] recht te hebben op een hoger bruto maandsalaris. Volgens [onderbewindgestelde] moet zijn functie als bedrijfsleider, die niet in de cao staat omschreven, worden gelijkgesteld met de in de cao beschreven functie van ‘bedrijfsbeheerder I’ en het daarbij passende salaris (functiegroep 4). Verdisconteerd naar een dienstverband van 40 uur, bedraagt het bruto maandsalaris volgens [onderbewindgestelde] € 2.528,93. Omdat [gedaagde] al wel enige salarisbetalingen aan [onderbewindgestelde] heeft gedaan, vordert [eiseres] namens [onderbewindgestelde] in deze procedure betaling van het verschil: € 10.115,72 bruto (4 maanden x € 2.528,93) minus € 2.740,- netto aan reeds uitbetaald salaris. Dit zal worden toegewezen.
3.7.
Onweersproken is dat de functie van bedrijfsleider moet worden gelijkgesteld met de functie van ‘bedrijfsbeheerder I’ uit de cao, waarbij het gaat om de functie met de laagste niveau-onderscheidende kenmerken. Verder blijkt uit de cao, wat ook niet door [gedaagde] weersproken is, dat de functie bedrijfsbeheerder I is ingeschaald in functiegroep 4 en dat daarbij - verdisconteerd naar 40 uur per week - een bruto maandsalaris van € 2.528,93 hoort. Dit leidt er toe dat in de periode 1 juli tot 1 november 2025 een deel van het salaris van [onderbewindgestelde] niet door [gedaagde] is uitbetaald en dat alsnog recht bestaat op dat bedrag. Nu de door [onderbewindgestelde] genoemde bedragen niet door [gedaagde] zijn betwist, gaat de kantonrechter uit van een nog uit te betalen salaris van € 10.115,72 bruto minus € 2.740,- netto aan reeds uitbetaald salaris.
Toewijzing van de vakantiebijslag en vakantiedagen is aannemelijk
3.8.
[onderbewindgestelde] heeft, nu sprake is van achterstallig salaris over de periode 1 juli tot 1 november 2025, eveneens recht op 8% vakantietoeslag over dat salaris. [eiseres] heeft namens [onderbewindgestelde] in totaal € 809,26 bruto aan vakantietoeslag gevorderd. Nu dit bedrag niet door [gedaagde] is weersproken, zal dit ook worden toegekend.
3.9.
Zij heeft verder nog de uitbetaling van de opgebouwde vakantie-uren van in totaal 66,67 uren gevorderd. Volgens [onderbewindgestelde] heeft hij in de periode 1 juli tot 1 november 2025 geen vakantiedagen genoten en zijn die tot op heden ook niet door [gedaagde] uitbetaald. Het gaat in totaal om een bedrag van € 972,72. [gedaagde] heeft het aantal vakantie-uren en de daarbij horende hoogte niet betwist. Deze zullen daarom ook worden toegekend.
III. De vorderingen zijn niet in strijd zijn met de wet / er is een geldige reden aanwezig
3.10.
Niet is gebleken dat de voorgaande vorderingen in strijd zijn met de wet. Ook zijn ze niet zonder een geldige reden ingesteld. Dit staat toewijzing daarom niet in de weg.
De salarisspecificaties worden toegekend
3.11.
[gedaagde] wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties van het salaris van [onderbewindgestelde] over de periode 1 november 2022 tot 1 november 2025, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 75,00 voor iedere dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt. Onweersproken is namelijk dat [onderbewindgestelde] vanaf zijn indiensttreding op 1 november 2022 cgeen orrecte salarisspecificaties heeft ontvangen, terwijl hij daar wel recht op heeft.
De wettelijke verhoging, rente en buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend
3.12.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om de eveneens onweersproken gevorderde wettelijke verhoging van 50% over het achterstallig salaris, achterstallige vakantietoeslag en vakantie-uren te matigen. Deze vordering zal ook worden toegewezen. De door [onderbewindgestelde] gevorderde wettelijke rente over de bovenstaande vorderingen zal eveneens worden toegewezen op de wijze zoals deze in de beslissing is vermeld.
3.13.
[eiseres] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.007,79) is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief (€ 899,98).
De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat namens [onderbewindgestelde] is geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten worden begroot op:
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
Totaal
935,00
De wettelijke rente over de proceskosten
3.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt ook toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.16.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 10.115,72 bruto aan achterstallig salaris minus € 2.740,- netto aan reeds uitbetaald salaris;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 809,26 bruto aan achterstallige vakantietoeslag;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 972,72 aan niet genoten en niet uitbetaalde vakantiedagen;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over de onder 4.1 t/m 4.3 genoemde bedragen;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de bedragen als genoemd in over de onder 4.1 t/m 4.4, met ingang van 20 november 2025, tot de dag van volledige betaling;
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties van het salaris van [onderbewindgestelde] over de periode 1 november 2022 tot 1 november 2025, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 75,00 voor iedere dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt;
4.7.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 899,98 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.8.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 935,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
LHJ/63796