Uitspraak
1.de vennootschap onder firma [verweerster sub 1] , handelend onder diezelfde naam,
2.
[verweerder sub 2] , vennoot van [verweerster sub 1],
3.
[verweerster sub 3] , vennoot van [verweerster sub 1],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer was sinds maart 2025 in dienst bij een vennootschap onder firma als tweede schipper op een binnenvaartschip. Op 14 april en 14 juli 2025 werden in zijn kamer onder andere urine en lingerie van een vrouwelijke collega aangetroffen, wat leidde tot beschuldigingen van seksuele intimidatie. Tevens werden op 14 juli 2025 verdovende middelen in zijn kamer gevonden.
De werkgever gaf op 16 juli 2025 telefonisch ontslag op staande voet wegens het bezit van verdovende middelen en seksuele intimidatie. De werknemer ontving de ontslagbrief op 18 juli 2025 per aangetekende post, maar betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en startte een procedure tot vernietiging en wedertewerkstelling.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was gegeven, omdat het bezit van verdovende middelen en de seksuele intimidatie een dringende reden vormden. Het ontslag was onverwijld meegedeeld. De subsidiaire verzoeken van de werknemer werden niet behandeld omdat zij gekoppeld waren aan de vernietiging van het ontslag.
De werknemer werd veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, onverschuldigd betaald loon en restschade wegens bewuste roekeloosheid. De proceskosten werden aan de werknemer opgelegd. De voorwaardelijke verzoeken van de werkgever werden niet behandeld.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig gegeven en het verzoek tot vernietiging wordt afgewezen; de werknemer moet schadevergoeding en onverschuldigd betaald loon betalen.