ECLI:NL:RBMNE:2025:6836

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11877388
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en rechtsgeldigheid van de arbeidsovereenkomst

In deze zaak verzoekt de werknemer, [verzoeker], om vernietiging van zijn ontslag op staande voet en wedertewerkstelling. Hij vraagt ook om betaling van een ingehouden bedrag op zijn loon en diverse vergoedingen. De werkgever, [verweerster sub 1], verzet zich tegen deze verzoeken en doet tegenverzoeken om betaling van onverschuldigd loon en schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, omdat er dringende redenen waren, waaronder het bezit van verdovende middelen en seksuele intimidatie. De primaire verzoeken van de werknemer worden afgewezen, en hij moet de (gefixeerde) schadevergoeding betalen. De kantonrechter wijst ook de tegenverzoeken van de werkgever toe, waarbij de werknemer wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en onverschuldigd loon. De proceskosten komen voor rekening van de werknemer.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: 11877388 \ LE VERZ 25-62
Beschikking van 23 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende op [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: F.P. Troost,
tegen

1.de vennootschap onder firma [verweerster sub 1] , handelend onder diezelfde naam,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2.
[verweerder sub 2] , vennoot van [verweerster sub 1],
wonende in [woonplaats 2] ,
3.
[verweerster sub 3] , vennoot van [verweerster sub 1],
wonende in [woonplaats 2] ,
verwerende partijen,
verzoekende partijen in het tegenverzoek,
hierna samen ook te noemen: [verweerster sub 1] ,
gemachtigde: mr. N.Y. Bettenbroek.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- het verzoekschrift met producties;
- het verweerschrift met producties en een zelfstandig tegenverzoek;
- een aanvulling op het verzoekschrift met producties;
- de pleitnotities van de gemachtigde van [verzoeker] ;
- de pleitnotities van de gemachtigde van [verweerster sub 1] .
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 27 november 2025. [verzoeker] is verschenen, vergezeld door zijn ouders en begeleider [A] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Mede namens [verweerster sub 1] en voor zichzelf zijn verschenen [verweerder sub 2] ( hierna: [verweerder sub 2] ) en [verweerster sub 3] (hierna: [verweerster sub 3] ), bijgestaan door de gemachtigde. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat een beschikking zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoeker] wil met deze procedure bereiken dat primair het aan hem verleende ontslag op staande voet wordt vernietigd en hij weer te werk wordt gesteld in zijn functie. Hierbij verzoekt [verzoeker] ook om meerdere verklaringen van recht en de betaling van een op zijn loon ingehouden bedrag. Subsidiair verzoekt [verzoeker] om betaling van een gefixeerde schadevergoeding, een transitie- en billijke vergoeding en veroordeling van [verweerster sub 1] in de volledige proceskosten. [verweerster sub 1] verzet zich tegen de door [verzoeker] ingediende verzoeken en heeft een aantal tegenverzoeken gedaan waarin wordt verzocht om betaling van een onverschuldigd betaald bedrag aan loon en (gefixeerde) schadevergoeding. Ook heeft [verweerster sub 1] een voorwaardelijk verzoek om een verklaring van recht en ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedaan. De kantonrechter wijst de primaire verzoeken van [verzoeker] af, omdat het ontslag op staande voet naar haar oordeel rechtsgeldig door [verweerster sub 1] is gegeven. Nu de subsidiaire verzoeken ook gekoppeld zijn aan vernietiging van het ontslag op staande voet komt de kantonrechter aan een beoordeling daarvan niet toe. Datzelfde geldt voor de voorwaardelijke verzoeken van [verweerster sub 1] . [verzoeker] zal naar aanleiding van het tegenverzoek wel de (gefixeerde) schadevergoeding moeten betalen. Een en ander zal hieronder worden uitgelegd.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[verzoeker] was vanaf 2022 samen met [verweerder sub 2] werkzaam voor [onderneming] , een bedrijf dat wordt geëxploiteerd door de stiefmoeder van [verweerder sub 2] en dat zich bezighoudt met goederenvervoer over water. Op 1 januari 2025 is [verweerder sub 2] ‘voor zichzelf begonnen’ en heeft hij samen met zijn partner [verweerster sub 3] , als vennoten, de vennootschap onder Firma ‘ [verweerster sub 1] ’ opgericht. Vanaf maart 2025 exploiteert [verweerster sub 1] een binnenvaartschip (‘ [naam] ’) van 110 meter, waarbij goederenvervoer plaatsvindt over de Nederlandse binnenwateren door middel van vrachtvaart. Dat gebeurt hoofdzakelijk in België en het zuiden van Nederland en/of Duitsland. [verweerster sub 1] biedt hierbij onder andere een werkplek (als matroos) voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
3.2.
[verzoeker] was sinds 10 maart 2025 in dienst bij [verweerster sub 1] als (tweede) schipper voor gemiddeld 40 uur per week, op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zeven maanden. De beide schippers wisselden elkaar af en werkten in grote lijnen op basis van week-op en week-af op het schip. [verzoeker] verbleef dus doorgaans vijf dagen per week inclusief de nachten op [naam] . Hij maakte daar dan onderdeel uit van een bemanning van in totaal drie personen, een schipper, stuurman en matroos. Op het schip hebben alle bemanningsleden een eigen kamer om te verblijven. [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] wonen op het schip. De kamer van [verzoeker] was gelegen dicht bij de ‘woning’ op het schip van [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] .
3.3.
Op 14 april 2025 is [verweerster sub 3] de kamer van [verzoeker] binnengegaan, nadat zij een sterke urinegeur rook en dacht dat haar hond daar misschien zijn behoefte had gedaan. [verzoeker] was op dat moment niet op het schip aanwezig. [verweerster sub 3] trof een volledig ondergeplaste kamer en matras aan als bron van de urinegeur. Dit was duidelijk niet van de hond. [verweerster sub 3] heeft [verzoeker] vervolgens willen helpen en is de kamer gaan schoonmaken. Tijdens het schoonmaken stuitte zij op haar eigen lingerie, die zij al geruime tijd kwijt was. Ook die lingerie zat onder de urine.
3.4.
[verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] zijn vervolgens het gesprek met [verzoeker] aangegaan. Over de inhoud van het gesprek lopen de visies van partijen uiteen, maar wel staat vast dat [verzoeker] beterschap van zijn gedrag heeft beloofd. Ook heeft [verzoeker] toegezegd hulp voor zijn problematiek te gaan zoeken en is aan hem een andere kamer aan de andere kant van het schip toebedeeld. Hem is verboden ooit nog in de ruimtes van [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] te komen.
3.5.
In de periode die volgde was volgens [verweerster sub 1] sprake van een moeizame verhouding met [verzoeker] . Op 14 juli 2025, toen [verzoeker] niet aanwezig was, werd opnieuw een urinegeur vanuit zijn (nieuwe) kamer geroken. [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] troffen vervolgens ook deze kamer ondergeplast aan, onder andere het bed, de laden eronder en ook matrassen uit andere ruimtes. Er werd opnieuw (ondergeplaste) lingerie van [verweerster sub 3] aangetroffen en ook lingerie van een ander vrouwelijk bemanningslid. Daarnaast werden deze keer ook drugs en drugsresten aangetroffen.
3.6.
Op 14 juli 2025 heeft [verweerster sub 1] vervolgens juridisch advies bij haar boekhouder ingewonnen, die haar adviseerde om over te gaan tot ontslag op staande voet. De boekhouder zou daarvoor een brief maken. [verweerster sub 1] was op dat moment met [naam] in Duitsland, [verzoeker] was toen niet aan het werk en was in Nederland. Diezelfde dag heeft er telefonisch contact tussen [verzoeker] en [verweerder sub 2] plaatsgevonden. Over de inhoud van dit telefoongesprek lopen de visies van partijen uiteen. Volgens [verweerster sub 1] is [verzoeker] in het telefoongesprek op staande voet ontslagen vanwege het bezit van verdovende middelen en (seksuele) intimidatie. Volgens [verzoeker] heeft hij in dit telefoongesprek meegedeeld dat hij 14 dagen nadien een plek had gekregen in een afkickkliniek in Portugal. Op 16 juli 2025 heeft weer telefonisch contact tussen [verzoeker] en [verweerder sub 2] plaatsgevonden. Volgens [verweerder sub 2] was dat om aan te kondigen dat [verweerster sub 3] en hij langs zouden rijden met de brief waarin het ontslag op staande voet werd bevestigd (en te checken of [verzoeker] thuis was), volgens [verzoeker] is toen het ontslag op staande voet gegeven.
3.7.
Op 17 juli zijn [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] , zodra zij terug waren in Nederland, met de ontslagbrief langs het huis van [verzoeker] gereden. Deze heeft geweigerd deze brief in ontvangst te nemen. Daarom is de brief alsnog per aangetekende post verstuurd. Deze is op 18 juli 2025 door [verzoeker] ontvangen. [verweerster sub 1] heeft vervolgens een eindafrekening aan [verzoeker] toegezonden, waarbij zij een bedrag van € 589,39 netto als schadevergoeding heeft ingehouden. [verzoeker] is het niet met het ontslag en de inhouding op zijn salaris eens en is daarom deze procedure begonnen.

4.De beoordeling van het verzoek

Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig
4.1.
Op grond van de wet [1] mag een werkgever de arbeidsovereenkomst onverwijld opzeggen als daar een dringende reden voor is en hij die reden onverwijld aan de werknemer meedeelt. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerster sub 1] aan deze vereisten heeft voldaan, waardoor het ontslag op staande voet rechtsgeldig aan [verzoeker] is gegeven. Dit zal hierna worden uitgelegd.
4.2.
Als dringende redenen [2] worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.
4.3.
De dringende reden moet beoordeeld worden aan de hand van de inhoud van de (in dit geval onjuist gedateerde) ontslagbrief van 14 juli 2025. In die brief heeft [verweerster sub 1] toegelicht dat het ontslag op staande voet is verleend vanwege het bezit van verdovende middelen en het intimideren van collega’s. Volgens Volgens [verweerster sub 1] vormen deze redenen elk afzonderlijk, maar ook in samenhang, een dringende reden voor ontslag op staande voet. De kantonrechter is dat met [verweerster sub 1] eens en overweegt daarover het volgende.
Het bezit van verdovende middelen levert een dringende reden op
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat er – voor zover relevant – in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk staat opgenomen dat het bij zich hebben, nuttigen, gebruiken of tot zich nemen van enigerlei verdovende middelen verboden is en overtreding ontslag op staande voet tot gevolg kan hebben. Ook is niet in geschil dat er op 14 juli 2025 verdovende middelen in de kamer van [verzoeker] zijn aangetroffen. De kantonrechter is van oordeel dat hiermee vaststaat dat sprake is van bezit van verdovende middelen in strijd met de arbeidsovereenkomst. Dit levert hier ook een dringende reden op.
4.5.
In tegenstelling tot wat [verzoeker] heeft betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat het aantreffen van verdovende middelen in de persoonlijke kamer van [verzoeker] op [naam] onder de definitie van de verbodsbepaling in de arbeidsovereenkomst valt. De uitleg van [verzoeker] dat onder ‘het bij zich hebben van verdovende middelen’ enkel moet worden verstaan het ‘bij zich dragen dan wel op, aan of in de buurt van het lijf hebben van de verdovende middelen’, wordt niet gevolgd. Naar het oordeel van de kantonrechter moet onder ‘bezit’ eveneens worden omvat het meenemen en bewaren van verdovende middelen in de eigen kamer op het schip.
4.6.
Voor zover [verzoeker] verder heeft aangevoerd dat de door [verweerster sub 1] gemaakte verwijten terug zijn te voeren op zijn drugsverslaving en die het ontslag op staande voet – onder verwijzing naar de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) en de STECR-richtlijn – daarom niet rechtvaardigen, wordt dit niet gevolgd. Vooropgesteld wordt dat het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt in het geval van een ontslag op staande voet. [3] Daarom kan in het midden blijven of [verzoeker] zich op 14 juli 2025 impliciet heeft ziek gemeld, zoals hij heeft betoogd, door de volgens hem gedane mededeling dat hij een plek in een afkickkliniek zou krijgen. Los daarvan is in deze procedure niet komen vast te staan dat [verzoeker] ten tijde van het bezit van de verdovende middelen aan een drugsverslaving leed. Die stelling is, evenals de stelling dat [verweerster sub 1] drugsgebruik gedoogde, op geen enkele wijze onderbouwd. [verweerster sub 1] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij vóór 14 juli 2025 op de hoogte was van drugsbezit aan boord van [naam] en van een eventueel bij [verzoeker] bestaande drugsverslaving. Ook heeft zij betwist dat zij op dit vlak ook maar iets gedoogde, waarbij zij heeft gewezen op de verantwoordelijkheid die het varen met een schip van 110 meter lang met zich brengt en de regels die in het goederenvervoer gelden. Van wetenschap of het gedogen van enig drugsbezit door [verweerster sub 1] aan boord van [naam] , al dan niet ten behoeve van een drugsverslaving, is op geen enkele wijze gebleken. De kantonrechter acht dit ook niet geloofwaardig, gelet op de door [verzoeker] beklede functie als schipper en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid voor het schip. Dat in de arbeidsovereenkomst expliciet een verbod op het bezit (en gebruik) van drugs is opgenomen, met als sanctie (de mogelijkheid van) ontslag op staande voet, is in dit verband tekenend. Daaruit moest ook [verzoeker] - nog los van zijn eigen verantwoordelijkheid - afleiden dat [verweerster sub 1] hier zwaar aan tilt. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] hiermee ook voldoende was gewaarschuwd voor de gevolgen van het bezit van verdovende middelen aan boord van [naam] .
4.7.
Gelet op het voorgaande, is door [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat
sprake was van een drugsverslaving, dat het bezit van verdovende middelen werd gedoogd, of dat hem dit niet kan worden verweten. Zijn beroep op de Wgbh/cz en de STECR-richtlijn slagen daarom eveneens niet en staan dus niet aan het ontslag op staande voet in de weg.
Er was sprake van seksuele intimidatie en dat levert (ook) een dringende reden op
4.8.
Niet in geschil is dat er tot twee keer toe (op 14 april en 14 juli 2025) ondergeplaste lingerie van [verweerster sub 3] in de kamer van [verzoeker] is aangetroffen. Het gaat om lingerie die [verzoeker] zich zonder toestemming van [verweerster sub 3] heeft toegeëigend en heeft onder geplast. De kantonrechter is van oordeel dat deze omstandigheden maken dat sprake is van (seksuele) intimidatie van [verweerster sub 3] en dat ook dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Zo heeft [verweerster sub 3] aangegeven dat het op deze wijze aantreffen van de lingerie die zij al miste een grove impact op haar sociale veiligheid teweeg heeft gebracht. Op de zitting heeft zij toegelicht dat zij hier tot op de dag van vandaag last van heeft. De kantonrechter acht dit zeer goed voorstelbaar, omdat het een ernstige inbreuk oplevert op haar gevoel van veiligheid, op haar privacy en op haar seksuele integriteit. Dit temeer omdat [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] samen met hun werknemers op een afgesloten werkplek (een schip) hun werkzaamheden verrichten en de privéruimtes ook daar aanwezig zijn. Onderling vertrouwen speelt dus een grote(re) rol. Verder heeft [verzoeker] niet weersproken dat hij na het eerste incident op 14 april 2025 mondeling door [verweerster sub 1] is gewaarschuwd niet nog een keer in de woonruimte van [verweerster sub 3] te komen en/of zich lingerie toe te eigenen, en dat heeft hij dus wel gedaan. Ook heeft [verzoeker] op geen enkel moment, ook niet desgevraagd op de mondelinge behandeling, zijn excuses aan [verweerster sub 3] gemaakt voor zijn gedragingen of uitgelegd waarom hij dit heeft gedaan. Dat alles rekent de kantonrechter [verzoeker] zwaar aan. Gelet op het voorgaande, levert ook de (seksuele) intimidatie van [verweerster sub 3] een dringende redenen op dat het ontslag op staande voet rechtvaardigt.
Het ontslag is onverwijld, dus zo snel mogelijk, gegeven én meegedeeld
4.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag ook onverwijld gegeven én meegedeeld. Vaststaat dat er op zowel 14 juli als op 16 juli 2025 telefonisch contact tussen partijen is geweest. Ondanks dat partijen van mening verschillen op welke van deze twee data het ontslag op staande voet telefonisch is gegeven, kan dit naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. Het ontslag is in ieder geval telefonisch op 16 juli 2025 aan [verzoeker] gegeven (en de kantonrechter zal hierna zekerheidshalve die datum aanhouden). Gelet op de volgende omstandigheden van het geval, is het ontslag ook op 16 juli 2025 onverwijld gegeven: [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] waren op 14 juli 2025 met het schip in Duitsland en waren nog onderweg naar Nederland, waar [verzoeker] was. [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] hebben nog juridisch advies bij hun boekhouder moeten inwinnen, die een brief zou maken, waarna zij - toen zij eenmaal in Nederland waren aangekomen - direct naar het woonadres van [verzoeker] zijn gereden om de schriftelijke bevestiging van het ontslag aan [verzoeker] te overhandigen. Deze brief heeft [verzoeker] volgens [verweerster sub 1] geweigerd aan te nemen, wat [verzoeker] niet heeft betwist. Daarna is de brief per post bezorgd. Deze omstandigheden maken dat het ontslag op staande voet, ook als dat op 16 juli 2025 was, voldoende onverwijld is gegeven en meegedeeld.
De conclusie
4.10.
De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De door [verzoeker] verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet, wedertewerkstelling in zijn functie en verklaringen van recht zullen daarom worden afgewezen. Ook de uitbetaling van een op zijn loon ingehouden bedrag als schadevergoeding zal worden afgewezen, wat hieronder bij de beoordeling van de door [verweerster sub 1] ingediende tegenverzoeken zal worden toegelicht.
4.11.
Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en de arbeidsovereenkomst daardoor per 16 juli 2025 is geëindigd, komt de kantonrechter niet meer toe aan het subsidiaire verzoek tot het toekennen van een gefixeerde schadevergoeding, transitie- en billijke vergoeding. Al deze verzoeken zijn immers gekoppeld aan een niet rechtsgeldig ontslag.
[verzoeker] moet de proceskosten in het verzoek betalen
4.12.
De proceskosten in het verzoek komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerster sub 1] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beoordeling van de tegenverzoeken
5.1.
[verweerster sub 1] heeft tegenverzoeken ingediend. [verweerster sub 1] verzoekt de kantonrechter om [verzoeker] te veroordelen tot de betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 6.018,11, de (terug)betaling van een onverschuldigd betaald bedrag van € 1.896,96 en de betaling van restschade van € 355,70, waarbij alle bedragen vermeerderd moeten worden met de wettelijke rente. De restschade zal geheel worden toegewezen. De verzochte gefixeerde schadevergoeding en (terug)betaling van het onverschuldigd betaalde bedrag worden toegewezen. Hierover wordt het volgende overwogen.
De verzochte restschade wordt geheel toegewezen
5.2.
[verweerster sub 1] maakt aanspraak op de betaling van een restschade van € 355,70, omdat [verzoeker] door opzet of bewuste roekeloosheid schade aan boord van [naam] heeft veroorzaakt. Die schade bestaat volgens [verweerster sub 1] uit het herstellen van de ernstig bevuilde kamers die [verzoeker] aan boord van [naam] heeft gebruikt, waaronder de noodzakelijke vervanging van matrassen e.d.. In totaal bedroeg de (in de procedure met bonnen gespecificeerde) schade € 945,09. Deze is al deels (voor € 589,39) door [verweerster sub 1] bij de eindafrekening op het salaris van [verzoeker] ingehouden.
5.3.
[verzoeker] heeft de gestelde schade niet betwist, maar heeft wel betwist dat sprake was van bewuste roekeloosheid en/of opzet. Volgens [verzoeker] was er door zijn verslaving een aanmerkelijke kans op schade, waarvan hij zich direct voorafgaand aan zijn handelen ook bewust was en waarbij hij zich had moeten onthouden, maar dat niet mogelijk was door zijn verslaving. Zoals eerder besproken, kan de drugsverslaving van [verzoeker] formeel niet worden vastgesteld. Daarbij komt ook dat niet valt in te zien hoe de veroorzaakte schade verband houdt met een drugsverslaving. Daarover heeft [verzoeker] geen enkele uitleg gegeven. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat een werknemer geen drugs moet gebruiken tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat, als hij dat wel doet, er een aanmerkelijke kans bestaat op het aanrichten van schade en de werknemer dus bewust roekeloos handelt. De kantonrechter acht dit in het geval van [verzoeker] aan de orde en zal daarom de gevorderde restschade geheel toewijzen.
De gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen
5.4.
De door [verweerster sub 1] verzochte gefixeerde schadevergoeding ziet op het loon van [verzoeker] in de periode 15 juli – 31 juli 2025 en de maand augustus 2025, berekend op € 5.572,32, vermeerderd met 8% vakantiegeld, wat in totaal neerkomt op € 6.018,11. [verzoeker] betwist de hoogte van de verzochte gefixeerde schadevergoeding, nu volgens hem niet meer dan één maand opzegtermijn wordt gevorderd. [verzoeker] wordt in dit standpunt gevolgd.
5.5.
Overwogen wordt dat in artikel 7:677 lid 2 BW is geregeld dat – in dit geval – [verzoeker] aan [verweerster sub 1] een vergoeding verschuldigd is, omdat hij door opzet/schuld dringende redenen aan [verweerster sub 1] heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. In artikel 7:677 lid 3 BW is vervolgens bepaald hoe deze vergoeding moet worden berekend, waarbij voor de berekening een onderscheid wordt gemaakt tussen een arbeidsovereenkomst waarin wel en geen tussentijdse opzegging is overeengekomen. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is de mogelijkheid van tussentijdse opzegging opgenomen, in die zin dat uitsluitend tegen het einde van de kalendermaand tussentijds kan worden opgezegd. [4] Dit betekent dat de gefixeerde schadevergoeding gelijk is aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, wat neerkomt op het loon van 17 juli 2025 tot en met 31 augustus 2025. Omdat de kantonrechter in tegenstelling tot [verweerster sub 1] van een ontslagdatum van 16 juli 2025 en niet van 14 juli 2025 uitgaat, valt de gefixeerde schadevergoeding lager uit. Nu het bruto maandloon van [verzoeker] van € 3.675,36 niet door [verzoeker] is betwist, gaat de kantonrechter daarvan uit bij haar berekening. De gefixeerde vergoeding wordt voor de periode 17 juli – 31 juli 2025 bepaald op € 1.673,79, exclusief vakantiegeld, en voor de maand augustus 2025 op € 3.675,36, exclusief vakantiegeld. Dit komt dit neer op een bedrag van € 5.349,14, waarover ook nog 8% vakantiegeld (€ 427,93) verschuldigd is. In totaal bedraagt de gefixeerde schadevergoeding daarmee € 5.777,08.
Het gevorderde onverschuldigd betaalde bedrag wordt deels toegewezen
5.6.
[verweerster sub 1] heeft verder een bedrag van € 1.896,96 aan onverschuldigd betaald loon over de periode 15 juli tot en met 31 juli 2025 teruggevorderd, omdat per abuis over die maand het volledige loon aan [verzoeker] is uitbetaald terwijl hij daar vanwege zijn ontslag op staande voet geen recht op heeft. [verzoeker] heeft niet betwist dat hij over deze periode loon heeft ontvangen. De kantonrechter zal het gevorderde onverschuldigd betaalde loon daarom toewijzen, maar zal dit beperken tot de periode 17 juli tot en met 31 juli 2025. Dit omdat de kantonrechter uitgaat van 16 juli 2025 als datum waarop het ontslag op staande voet (in ieder geval) is gegeven. Het onverschuldigd betaalde loon bedraagt daardoor € 1.673,79.
Voorwaardelijke verzoeken worden niet behandeld
5.7.
[verweerster sub 1] heeft tot slot een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor het geval dat zou worden geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Ook is een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend voor een verklaring van recht dat de arbeidsovereenkomst op 9 oktober 2025 is geëindigd, indien niet sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor deze tegenverzoeken, zal op deze voorwaardelijke tegenverzoeken niet worden beslist.
De proceskosten in het tegenverzoek worden op nihil gesteld
5.8.
Omdat [verzoeker] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten in het tegenverzoek betalen. Gelet op de nauwe samenhang in de behandeling van het verzoek en het tegenverzoek en omdat in het zelfstandig tegenverzoek niet is gebleken van kosten of werkzaamheden ten aanzien van het tegenverzoek die voor aparte vergoeding in aanmerking komen, worden die kosten op nihil begroot.

6.De beslissing

De kantonrechter:
op het verzoek
6.1.
wijst het verzoek af;
6.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [5] ;
op het tegenverzoek,
6.5.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de gefixeerde vergoeding van € 5.777,08 bruto, te betalen binnen vijf werkdagen na de datum van deze beschikking en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.6.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van € 355,70 netto aan schadevergoeding, te betalen binnen vijf werkdagen na de datum van deze beschikking en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.7.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van € 1.673,78 aan onverschuldigd betaald loon, te betalen binnen vijf werkdagen na de datum van deze beschikking en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling
6.8.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerster sub 1] vastgesteld op nihil;
6.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [6] ,
6.10.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Zie de artikelen 7:677 lid 1 en artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 7:678 lid 1 BW.
3.Zie artikel 7:670a lid 2 sub c BW.
4.Zie artikel 2.4 van de arbeidsovereenkomst.
5.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.