De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 5 februari 2025 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die op 19 februari 2025 werd uitgesproken. Veroordeelde werd veroordeeld voor het op 2 juli 2024 in Dronten overdragen van explosieven aan een pseudokoper, waarvoor hij €2.000,- ontving.
De officier van justitie vorderde dat dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld en aan de Staat werd ontnomen. Veroordeelde stelde dat hij het geld had weggegooid en betwistte de verrekening met een in beslag genomen geldbedrag van €1.680,- wegens een vermeende onrechtmatige doorzoeking.
De rechtbank oordeelde dat het ontvangen bedrag van €2.000,- als wederrechtelijk verkregen voordeel geldt, ongeacht wat veroordeelde met het geld heeft gedaan. De vordering tot ontneming werd toegewezen en de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op €2.000,-. Het verzoek tot niet-verrekening van het in beslag genomen geld werd afgewezen, waarbij de rechtbank opmerkte dat er geen sprake was van een onrechtmatige doorzoeking.