ECLI:NL:RBMNE:2025:6791

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/3489
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van Ziektewet-uitkering en geschil over arbeidsongeschiktheid

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 19 december 2025, wordt de beëindiging van de Ziektewet (ZW)-uitkering van eiseres per 22 januari 2024 behandeld. Eiseres, die zich op 13 september 2022 ziekmeldde, is van mening dat het UWV ten onrechte haar uitkering heeft beëindigd, omdat zij volgens haar meer dan 65% van haar oude loon kan verdienen. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden van eiseres en komt tot de conclusie dat het UWV terecht heeft gehandeld. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Het procesverloop laat zien dat het UWV op 21 december 2023 de ZW-uitkering heeft beëindigd, omdat eiseres per 22 januari 2024 in staat zou zijn om 82,38% van haar laatstverdiende loon te verdienen. Eiseres heeft bezwaar aangetekend, maar dit werd ongegrond verklaard. Tijdens de zitting op 8 oktober 2025 zijn beide partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft de medische beoordeling van het UWV gevolgd, waarbij eiseres aanvoert dat haar medische situatie niet goed is ingeschat. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft gemotiveerd dat de vastgestelde beperkingen juist zijn en dat er geen reden is voor meer beperkingen.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit van het UWV in stand blijft. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(hierna: het UWV), verweerder
(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de Ziektewet (ZW)-uitkering van eiseres per 22 januari 2024, omdat zij per 7 november 2023 meer dan 65% van haar oude loon kan verdienen. Eiseres is het niet eens met deze beëindiging. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beëindiging van de ZW-uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering van eiseres heeft beëindigd. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres werkte gemiddeld 35,86 uur per week en heeft zich op 13 september 2022 ziekgemeld. Het UWV heeft met het besluit van 21 december 2023 (het primaire besluit) de ZW-uitkering van eiseres beëindigd, omdat zij per 22 januari 2024 ten minste 65% van haar laatstverdiende loon (maatmaninkomen) kan verdienen, namelijk 82,38%.
2.1.
Met het besluit van 29 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Als uitgangspunt geldt dat op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering behoudt, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn maatmaninkomen. Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
De medische beoordeling
4. Eiseres voert aan dat het UWV haar medische situatie onderschat. Zij voert aan meer arbeidsbeperkingen te ondervinden dan zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Zij stelt meer beperkt te zijn op het gebied van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen en werktijden. Daarnaast stelt zij dat niet alle beperkingen zijn meegenomen omdat zij naast ADHD inmiddels ook gediagnosticeerd is met autisme (ASS) en autistische burn-out. Die aandoeningen waren eerder niet bekend bij verweerder en zijn dus niet meegenomen bij de beoordeling, terwijl dit wel invloed heeft op haar arbeidsbeperkingen. Ter onderbouwing legt eiseres een rapport van haar behandelaar gedateerd van 4 juli 2025 over.
4.1.
Het UWV stelt dat zich op het standpunt dat de beperkingen juist zijn vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 6 maart 2025 de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen overgenomen en in aanvulling daarop een aantal extra beperkingen vastgesteld gesteld in het kader van de fysieke belastbaarheid en persoon- en sociaal functioneren. Voor de verdere beperkingen waar eiseres naar verwijst, ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische grond.
4.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de in beroep ingestuurde medische stukken een aanvullend rapport geschreven op 28 september 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft daarin aan dat de diagnose ASS een ontwikkelingsstoornis is en dat de beperkingen die daaruit voortvloeien al zijn meegenomen in de FML. Eiseres heeft altijd kunnen functioneren met ASS en ADHD en ook een studie afgerond. Daarom ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op overtuigende wijze heeft gemotiveerd in hoeverre eiseres belast kan worden met werk. Voor meer of verdere beperkingen bestaat geen medische grond. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat de ontwikkelingsstoornissen ADHD en ASS geen reden zijn voor het aannemen van meer beperkingen, omdat met de daarmee samenhangende klachten al voldoende rekening is gehouden bij de vaststelling van de beperkingen. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen reden om aan de juistheid van de medische beoordeling te twijfelen. Het is immers de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidsdeskundige beoordeling
5. Eiseres stelt dat de geduide functies niet geschikt zijn omdat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij het selecteren van functies is uitgegaan van onjuiste beperkingen in de FML.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat, nu de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij het beoordelen van het arbeidsvermogen is uitgegaan van een juiste medische grondslag, geen aanleiding bestaat de arbeidskundige beoordeling voor onjuist te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
5.2.
Verder heeft eiseres er op de zitting nog op gewezen dat voor een aantal geduide functies de reductiefactor mogelijk ten onrechte niet is toegepast. De rechtbank is van oordeel dat eiseres deze beroepsgrond eerder in de procedure naar voren had kunnen en moeten brengen. Gelet op het tijdstip waarop deze nieuwe grond is aangevoerd was het voor verweerder redelijkerwijs niet mogelijk om adequaat te reageren. Gelet daarop acht de rechtbank het aanvoeren van deze grond op deze wijze in strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat deze grond daarom buiten beschouwing.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit van het UWV in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.