ECLI:NL:RBMNE:2025:6781

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
572801
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenverzoeken en toepassing van Turks huwelijksvermogensrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 17 oktober 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die in 1991 in Turkije zijn getrouwd. De vrouw verzocht om echtscheiding en om partneralimentatie van € 1.237,- per maand. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de partneralimentatie toegewezen, waarbij de man verplicht werd dit bedrag te betalen vanaf de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft ook de verdeling van de huwelijksgemeenschap beoordeeld, waarbij de vrouw € 8.394,97 aan de man moest betalen voor het gebruik van de gezamenlijke woning. Daarnaast zijn de auto’s verdeeld en is bepaald dat de inboedel in onderling overleg moet worden verdeeld. De rechtbank heeft de vrouw ook verplicht om de vakantiewoning in Turkije te laten taxeren, waarbij de kosten van de taxatie door beide partijen gedeeld moeten worden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Turks recht van toepassing is op de afwikkeling van het huwelijksvermogen, en dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over de verzoeken te oordelen. De rechtbank heeft de verzoeken van de man om de alimentatie te verlagen en om de vakantiewoning als persoonlijk eigendom van de vrouw te beschouwen, afgewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de echtscheiding en de partneralimentatie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers: C/16/572801 / FA RK 24-644 en C/16/578025 / FA RK 24-1234
Beschikking van 17 oktober 2025
in de zaak van
[de vrouw],
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J. Celen,
en
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. Aksü.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op 22 maart 2024;
  • het verweerschrift van de man (met bijlagen) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);
  • de brief van 2 juli 2024 van de vrouw, met bijlagen;
  • het verweerschrift van de vrouw (met bijlagen) op de zelfstandige verzoeken van de man;
  • de brief van 25 augustus 2025 van de man, met bijlagen;
  • het bericht van 28 augustus 2025 van de vrouw, met bijlagen;
  • het bericht van 29 augustus 2025 van de vrouw, met bijlagen.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 4 september 2025. Daarbij waren de partijen met hun advocaten aanwezig.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn op [datum] 1991 met elkaar getrouwd in [plaats] (Turkije).
2.2.
Partijen hebben de Nederlandse en Turkse nationaliteit.
2.3.
De rechtbank heeft bij beschikking van 12 april 2024 de volgende voorlopige voorzieningen getroffen:
- toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw, met bevel aan de man de woning te verlaten en niet meer te betreden;
- vaststelling van een partneralimentatie van € 1.237,- bruto per maand vanaf 1 mei 2024.
2.4.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen hen uit te spreken.
De man legt zich neer bij het oordeel van de rechtbank over de echtscheiding.
2.5.
Daarnaast verzoekt de vrouw de rechtbank om:
  • te bepalen dat de man een partneralimentatie van € 1.237,- per maand moet betalen aan de vrouw;
  • primair: het echtscheidingsconvenant in de beschikking op te nemen en aan te hechten;
  • subsidiair: de verdeling vast te stellen conform punt 20 tot en met 24 van het verzoekschrift van de vrouw en de verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] te bepalen door verkoop en verdeling van de overwaarde bij helfte;
  • ten aanzien van de vakantiewoning in Turkije:
o primair: dat de rechter zich als Nederlandse rechter onbevoegd verklaard;
o subsidiair: te bepalen dat de vakantiewoning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort en als persoonlijk eigendom van de vrouw te bepalen;
o meer subsidiair: de vakantiewoning aan de vrouw toe te delen tegen 1.053.500 Turkse lires; de helft van die waarde komt toe aan de man en wordt verrekend met de overwaarde van de echtelijke woning;
o te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de kosten van het taxatierapport dat de vrouw heeft laten maken;
  • te bepalen dat de leningen van partijen van € 6.500,- worden verdeeld en verrekend uit de overwaarde van de echtelijke woning;
  • te bepalen dat de pensioenrechten van de man moeten worden verevend.
2.6.
De man vindt dat de verzoeken van de vrouw moeten worden afgewezen. Hij verzoekt de rechtbank om:
- de verdeling vast te stellen conform punt 8 van zijn verweerschrift.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken en:
  • bepalen dat de man een partneralimentatie van € 1.237,- per maand aan de vrouw moet betalen;
  • bepaalt in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van de verwervingsdeelneming dat:
o de vrouw € 8.394,97 aan de man moet betalen als vergoeding voor het gebruik van de gezamenlijke woning;
o de auto Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] , naar de vrouw gaat en de auto Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] , bij de man blijft. De vrouw betaalt de man € 625,-;
o elk van partijen zijn/haar bankrekeningen houdt zonder dat de saldi worden verrekend;
o voor de vakantiewoning in Turkije ( [adres] in [plaats] ) geldt het volgende:
 de vakantiewoning dient uiterlijk zes weken na de datum van deze beschikking te zijn getaxeerd door een door partijen nog aan te wijzen makelaar/taxateur. Ten behoeve van de aanwijzing van de makelaar die de woning bindend zal taxeren, zal de vrouw binnen een termijn van twee weken na heden drie onafhankelijke (en voor zover mogelijk beëdigde of gecertificeerde) makelaars of taxateurs (uit de regio van de vakantiewoning) voorstellen aan de man, die er op zijn beurt binnen één week één uit zal kiezen. Partijen zullen de gekozen makelaar vervolgens binnen een week na die keuze gezamenlijk een opdracht tot taxatie geven. Bepalend is de waarde van de vakantiewoning op het moment van taxeren. Beide partijen behoren hun medewerking aan de taxatie te verlenen. Partijen dienen de kosten van de taxatie bij helfte te dragen;
 nadat de makelaar/taxateur een taxatierapport heeft verstrekt aan partijen kunnen zij berekenen welk bedrag de vrouw aan de man moet betalen. De vrouw moet de helft van de vastgestelde taxatiewaarde aan de man betalen.
De overige verzoeken worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.2.
De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en het Nederlands recht is op die verzoeken van toepassing, tenzij hierna anders wordt overwogen.
De echtscheiding
3.3.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. [1] De vrouw vindt namelijk dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat partijen niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Het convenant
De vrouw heeft verzocht het echtscheidingsconvenant aan de beschikking aan te hechten. Er is geen convenant tot stand gekomen, zodat de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.
De alimentatie
3.4.
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 1.237,- per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
3.5.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, omdat vanaf dan de echtscheiding definitief is. Tot die tijd loopt de partneralimentatie uit de voorlopige voorzieningen door.
De huwelijksgerelateerde behoefte
3.6.
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
3.7.
De rechtbank stelt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast op € 2.601,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.
3.8.
Voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. De hofnorm neemt het netto besteedbaar gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar samen van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen hun kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen is.
3.9.
De man vindt dat in dit geval de hofnorm niet kan worden gebruikt om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. Hij voert onder andere aan dat de vrouw in Turkije gaat wonen. Hij heeft daarvoor nog weinig concrete aanwijzingen.
De vrouw erkent dat zij na het uiteengaan zes maanden in Turkije is geweest om te herstellen van ziekte en stress. Inmiddels woont zij al een tijd in bij de dochter van partijen. Dat de vrouw van plan is zich voorgoed in Turkije te vestigen blijkt verder niet. De vrouw heeft een overzicht van haar lasten overgelegd van in totaal € 1.475,44 per maand. Dit is de huur, gas, water, licht, telefoon, zorgverzekering, voeding, persoonlijke verzorging en kapper.
3.10.
De rechtbank constateert dat de vrouw op dit moment inwoont bij haar dochter en dat niet volledig duidelijk is wie van hen welke lasten betaalt. Dit is echter een tijdelijke situatie. De dochter gaat in april trouwen en blijft dan in de woning. De vrouw zal dan de woning verlaten en zal andere woonruimte moeten zoeken. Het is daarom maar de vraag in hoeverre het redelijk is van deze tijdelijke lasten uit te gaan. Voor haar behoefte is de welstand die partijen tijdens het huwelijk hadden ook bepalend. Toen hadden ze een hoger inkomen en werd daarvan geleefd. Daarom is het niet redelijk uit te gaan van de lasten die ze nu op dit moment heeft, die maar tijdelijk zijn. De rechtbank zal om die reden bij de hofnorm aansluiten.
3.11.
De rechtbank moet eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. De vrouw heeft gesteld dat het netto gezinsinkomen toen € 3.833,- per maand bedroeg. De man heeft dat niet betwist.
Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm 60% nodig. Dat was € 2.300,- netto per maand in 2023. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 2.601,- netto per maand.
De behoeftigheid
3.12.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf het hiervoor vermelde bedrag (€ 2.601,-) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen.
3.13.
De rechtbank is het niet met de man eens dat de vrouw kan interen op haar vermogen. De helft van de overwaarde van de woning is aan haar uitbetaald. Op grond van de richtlijnen van het Rapport Alimentatienormen kan bij haar inkomen uit dit vermogen worden meegenomen, maar wordt niet van haar verwacht dat zij inteert op haar vermogen. Ook van de man wordt immers niet verwacht dat hij inteert op zijn vermogen om alimentatie te kunnen betalen.
3.14.
De rechtbank vindt wel dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij een eigen inkomen verdient. De arbeidsmarkt is goed, zodat een vrouw van (bijna) 52 jaar die niet langer de zorg heeft voor kleine kinderen, nog goede kansen heeft om aan werk te komen.
3.15.
De vrouw heeft gesteld dat zij medische problemen heeft. Ze stelt dat zij lijdt aan een depressie. Zij heeft daarbij medische stukken overgelegd uit maart 2024 waarin wordt gesproken over angst/paniekklachten en depressiviteit door het verbreken van de relatie. Recentere informatie ontbreekt. Hieruit blijkt in ieder geval niet dat de vrouw helemaal niet kan werken. Om haar de gelegenheid te geven een start te maken met werken zal de rechtbank het aantal uren beperken tot 24 uur per week. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat zij geen opleiding en werkervaring heeft. Dat betekent dat de vrouw alleen in aanmerking zal komen voor werk waarvoor geen opleiding nodig is. De rechtbank gaat daarbij uit van het minimumloon van € 14,40 bruto per uur. In dat geval bedraagt haar inkomen € 1.497,- bruto per maand. Dit levert voor de vrouw een netto besteedbaar inkomen op van € 1.443,- per maand. [2]
3.16.
Gezien de afstand tot de arbeidsmarkt zal de rechtbank de vrouw een termijn geven om werk te zoeken. Dat zal immers niet meteen na deze beschikking lukken. Daarom zal de rechtbank haar een termijn van vier maanden geven vanaf de inschrijving van de echtscheiding. Tot die tijd gaat de rechtbank er vanuit dat ze geen inkomen heeft.
3.17.
In de eerste vier maanden na deze beschikking gaat de rechtbank nog niet uit van een eigen inkomen van de vrouw en is haar huwelijksgerelateerde behoefte € 2.601,- netto per maand.
3.18.
Na vier maanden is de situatie als volgt:
Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.601,- netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.443,-, resteert een aanvullende behoefte van (€ 2.601 - € 1.443 =) € 1.158,- netto per maand. Als de vrouw partneralimentatie ontvangt, dan moet zij daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom een bedrag van € 2.111,- bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien. [3]
De draagkracht van de man
3.19.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man in de aanvullende behoefte van de vrouw kan voorzien. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechtbank stelt vast dat de man een bedrag van € 1.300,- bruto per maand kan betalen. [4] De rechtbank heeft dat als volgt berekend.
3.20.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen. De vrouw heeft gesteld dat de man een salaris heeft van € 4.820,- bruto per maand, met vakantiegeld en een dertiende maand van € 1.500,-. De man heeft dat niet betwist. Hij heeft ook geen stukken overgelegd over zijn inkomen. Het netto besteedbaar inkomen bedraagt dan € 3.807,- per maand.
3.21.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de vrouw. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De man wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. De overige 40% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’).
De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit:
60% [€ 3.807 – (0,3 x € 3.807 + € 1.310)]. Dit levert een draagkracht op van € 813,- per maand.
3.22.
De rechtbank ziet in dit geval te weinig aanleiding om af te wijken van het hiervoor genoemde woonbudget. Het woonbudget van de man is € 1.142,- per maand. Zijn werkelijke huur inclusief internet en energiekosten bedraagt € 1.150,- per maand. Internet en energiekosten vallen op zich niet onder het woonbudget, dus zou op zich het woonbudget vergeleken moeten worden met de kale huurprijs. De kale huurprijs is niet bekend, maar zal vermoedelijk maar beperkt afwijken van het woonbudget.
3.23.
Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de man minder belasting, zodat hij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man op een bedrag van € 1.300,- bruto per maand.
Te betalen partneralimentatie
3.24.
De voor partneralimentatie beschikbare draagkracht van de man is lager dan de aanvullende behoefte van de vrouw, zowel in de situatie dat de vrouw werkt als dat zij niet werkt. De draagkracht vormt in dit geval daarom de bovengrens van de partneralimentatie. Dit betekent dat de man een bedrag van € 1.300,- per maand aan de vrouw zou kunnen betalen. De rechtbank wijst evenwel niet meer partneralimentatie toe dan is verzicht. De vrouw heeft een partneralimentatie van € 1.237,- per maand verzocht, zodat dat verzoek van de vrouw zal worden toegewezen.
Huwelijksvermogensrecht
Bevoegdheid Nederlandse rechter
3.25.
De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen, omdat de verzoeken tot verdeling of afwikkeling van het huwelijksvermogen gedaan zijn als nevenverzoek bij echtscheiding. [5]
Toepasselijk recht
3.26.
Op het huwelijksvermogensrecht is Turks recht van toepassing.
3.27.
Partijen zijn gehuwd in 1991, zodat de regeling van HR Chelouche van Leer van toepassing is. Als partijen hebben gekozen voor een bepaald recht, geldt dit recht. Als zij geen rechtskeuze hebben gedaan geldt hun nationale recht op het moment van huwelijkssluiting en anders geldt het recht van het land waar zij na de huwelijkssluiting zijn gaan wonen. Deze regeling kent geen automatische verandering na een aantal jaren, ook niet als zij tijdens het huwelijk alsnog de Nederlandse nationaliteit verkrijgen.
3.28.
Voor partijen betekent dit dat Turks recht van toepassing is. Partijen hebben vóór hun huwelijk geen rechtskeuze gemaakt en toen zij trouwden hadden ze alleen de Turkse nationaliteit.
3.29.
Naar Turks recht is er een verwervingsdeelneming ontstaan. Dat is het wettelijke stelsel naar Turks recht. Partijen hebben daar niet bij huwelijkse voorwaarden vanaf geweken.
3.30.
In de verwervingsdeelneming bestaat het vermogen van iedere echtgenoot uit twee vermogens: het persoonlijke vermogen en de verwervingen (artikel 218 Turks Burgerlijk Wetboek, hierna: TBW). Verwervingen zijn de tijdens het huwelijk om baat verkregen vermogensbestanddelen, in het bijzonder de inkomsten uit arbeid, sociale zekerheidsuitkeringen, uitkeringen voor verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vervangende vermogensbestanddelen (artikel 219 TBW). Bij de ontbinding van het huwelijk wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van de echtgenoten op het tijdstip waarop het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank is ingediend (artikelen 225 en 228 TBW). Voor het bepalen van de waarde wordt uitgegaan van de waarde op het moment van de vereffening (artikel 235 TBW). Bij echtscheiding vindt dus een financiële afrekening plaats voor het vermogen dat tijdens het bestaan van de verwervingsdeelneming is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van zijn of haar verwervingen (artikel 236 TBW).
3.31.
Naar Turks recht is de peildatum voor de omvang van de verwervingsdeelneming de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (artikel 225 TBW). Dat is 22 maart 2024.
Voor het bepalen van de waarde geldt de datum van vereffening (artikel 235 TBW). Omdat de vereffening nog moet plaatsvinden geldt de waarde van de goederen op dat moment.
Bevoegdheid en toepasselijk recht voor vakantiewoning
3.32.
De Nederlandse rechter is ook bevoegd en het Turkse huwelijksvermogensrecht is ook van toepassing op de vakantiewoning in Turkije. De verzoeken van partijen zien vooral op de vraag of de vakantiewoning in een gemeenschap van goederen is gevallen die moet worden verdeeld. Het gaat daarom om de afwikkeling van het huwelijksvermogen.
Het zou anders geweest zijn als de vraag aan de orde zou zijn wie de eigenaar van de vakantiewoning zou zijn. Dat staat eigenlijk niet ter discussie. Het is duidelijk wie de woning heeft gekocht met welk geld. Er staat alleen ter discussie welke consequenties dat heeft binnen het huwelijksvermogen van partijen en hoe dat moet worden verdeeld of afgewikkeld. De rechtbank zal daarom ook een beslissing nemen over de vakantiewoning in Turkije.
Woning en levensverzekering
3.33.
Partijen hebben hun verzoeken over de verkoop van de woning, de verdeling van de verkoopopbrengst en de verdeling van de levensverzekeringspolis bij de Aegon ingetrokken. De woning is namelijk verkocht en geleverd en de polis is gebruikt om de hypothecaire lening gedeeltelijk mee af te lossen.
Daarom komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van die punten.
Eigenaarslasten
3.34.
Partijen zijn het erover eens dat de vrouw een vergoeding van € 507,76 per maand aan de man moet betalen voor de periode waarin alleen zij het gebruik van de echtelijke woning had.
3.35.
Zij verschillen alleen nog van mening over de periode van zes maanden, waarin de vrouw in Turkije verbleef. De vrouw vindt dat zij voor die periode geen vergoeding hoeft te betalen. De rechtbank zal bepalen dat zij ook voor die periode de vergoeding moet betalen. Het is de vrouw die ervoor koos zes maanden geen gebruik van de woning te maken, dat stond haar vrij. De man kon toen de woning echter niet gebruiken. Bij beschikking voorlopige voorzieningen is het uitsluitend gebruik van de woning immers aan haar toegewezen en is bepaald dat hij de woning niet meer mocht betreden. Ondertussen liepen de vaste lasten van de woning door. Daarom is het in hun onderlinge verhouding redelijk dat de vrouw ook voor die periode een vergoeding voor de woning betaalt.
3.36.
De vrouw had van 1 december 2023 tot 16 april 2025 het gebruik van de woning. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw (in het geval de vrouw ook voor de zes maanden afwezigheid een vergoeding moet betalen, zoals de rechtbank heeft beslist) € 8.394,97 aan de man moet betalen. Daarom zal de rechtbank dat bedrag toewijzen.
Auto’s
3.37.
Partijen hebben afgesproken dat zij de auto’s willen verdelen, op deze manier:
de auto Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] , gaat naar de vrouw en de auto Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] , blijft bij de man. De vrouw betaalt de man € 625,-.
Inboedel
3.38.
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel gezamenlijk eigendom is. Dat betekent dat er sprake is van een eenvoudige gemeenschap die verdeeld moet worden. Partijen hebben daarover overleg gevoerd, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat partijen de inboedel daadwerkelijk hebben verdeeld. Het is namelijk niet duidelijk geworden of zij het eens waren wie welke spullen zou krijgen en welke waarde zou moeten worden verrekend.
3.39.
De man vindt dat de vrouw meer spullen van waarde heeft gekregen en heeft een lijstje van goederen met waardes overgelegd. De waardes lijken de aanschafprijzen te zijn, niet de huidige waarde van de spullen. Gebruikte inboedel heeft meestal geen waarde, ook al zien de spullen er nog netjes uit en kunnen deze nog jaren gebruikt worden. Gebruikte inboedel wordt meestal niet verkocht en daarom hebben deze geen of nauwelijks marktwaarde. De waardes die de man noemt zeggen daarom weinig over de marktwaarde. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de man af.
3.40.
Omdat het voor de rechtbank niet mogelijk is om op basis van de beschikbare informatie de inboedel te verdelen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Dit betekent dat partijen de inboedel in onderling overleg moeten verdelen.
Bankrekeningen
3.41.
Partijen hebben afgesproken dat ieder van hen zijn/haar bankrekeningen houdt. De saldi van de bankrekeningen worden niet verrekend. Omdat partijen het daarover eens zijn, zal de rechtbank in deze lijn beslissen.
Vakantiewoning in Turkije ( [adres] in [plaats] )
3.42.
Zoals hiervoor is genoemd is de Nederlandse rechter bevoegd over deze verzoeken te oordelen en is Turks huwelijksvermogensrecht van toepassing.
3.43.
De vakantiewoning staat op naam van de vrouw, daarover zijn partijen het eens. De vraag is of deze in haar persoonlijk vermogen of in haar verwervingen valt.
De woning is tijdens het huwelijk gekocht, ongeveer in 2001 of 2002. Het is onduidelijk waar de woning mee is betaald, met haar gouden sieraden of met een lening van de man die bij aankoop van de echtelijke woning is overgesloten. De vrouw stelt dat de woning aan haar verknocht is, dat het van haar persoonlijk is en niet verdeeld moet worden. Dat vat de rechtbank op als een stelling dat zij bedoelt dat het tot haar persoonlijk vermogen behoort. Het ligt op de weg van de vrouw om voldoende te onderbouwen dat het tot haar persoonlijk vermogen behoort. Zij stelt dat zij haar gouden sieraden aan de man heeft gegeven en dat hij daarvan de woning heeft betaald. De man ontkent dit. Van de sieraden zouden aandelen zijn gekocht. Gelet op de betwisting van de man, had de vrouw beter moeten onderbouwen dat de woning van haar gouden sieraden is betaald. [6] Daarin is zij niet geslaagd. Zij heeft geen stukken over het goud overgelegd. Zij heeft ook geen stukken overgelegd van de betaling. Het komt dus niet vast te staan dat de woning met de opbrengst van het goud is gekocht, dat zaaksvervanging is opgetreden en dat de woning tot haar persoonlijk vermogen behoort. Daarom gaat de rechtbank er vanuit dat de vakantiewoning tot haar verwervingen behoort.
3.44.
De verwervingen van partijen moeten worden vereffend, waarbij de ander de helft van de waarde krijgt. Dat geldt ook voor de vakantiewoning. De vakantiewoning is dus van de vrouw, en zij dient de man de helft van de waarde uit te keren.
De andere verwervingen zouden ook moeten worden vereffend. Maar partijen hebben over de andere goederen zelf al afspraken gemaakt of de verzoeken worden afgewezen. Daarom komt de rechtbank voor die goederen niet meer toe aan een berekening van de totale verwervingen van partijen en de vereffening. Dat betekent dat de rechtbank alleen voor de vakantiewoning kan vereffenen.
3.45.
Dit sluit ook voldoende aan bij de verzoeken van partijen. De man heeft verzocht de vakantiewoning te laten taxeren door een onafhankelijke taxateur en de overwaarde na verkoop te verdelen bij helfte. Hij heeft later ook gesteld dat de woning aan de vrouw moet worden toegedeeld onder de verplichting hem de helft van de waarde volgens het door hem overgelegde taxatierapport te betalen. De vrouw verzoekt subsidiair te bepalen dat de woning haar persoonlijk eigendom is en buiten de huwelijksgemeenschap valt. Meer subsidiair verzoekt zij de woning aan haar toe te delen en de helft van de waarde te verrekenen met de echtelijke woning. De rechtbank is van oordeel dat van verdeling geen sprake zal zijn omdat de woning geen gemeenschappelijk eigendom is. Het ligt voldoende in de lijn met de verzoeken dat de vrouw de vakantiewoning houdt en dat de man de helft van de waarde krijgt uitgekeerd.
3.46.
Beide partijen hebben de woning laten taxeren en hebben taxatierapporten overgelegd. Er zit een fors verschil in de taxatiewaardes. Beide taxaties zijn verricht door één partij, zonder de andere erin te betrekken. Dat maakt dat beide taxaties niet onafhankelijk zijn verricht. De kosten van die taxaties blijven daarom voor ieder van hen.
De rechtbank vindt dat de vakantiewoning opnieuw moet worden getaxeerd door een onafhankelijke taxateur uit de regio. De waarde van die taxatie is bepalend tussen partijen. Die taxatiewaarde dient tussen partijen te worden vereffend. De rechtbank zal een eindbeslissing geven en partijen een stappenplan geven om gezamenlijk tot een waarde te komen.
3.47.
De taxatie gaat als volgt:
De vrouw noemt de man of zijn advocaat drie onafhankelijke taxateurs uit de regio van de vakantiewoning. De man kiest daar een taxateur uit. Beide partijen (of hun advocaten) geven de taxateur gezamenlijk opdracht om de vakantiewoning te taxeren. Bepalend is de huidige waarde van de vakantiewoning. [7] De kosten van het taxatierapport komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft.
Nadat de taxateur de waarde vaststelt, moet de vrouw de helft van die waarde aan de man uitkeren.
Schuld vrouw aan familieleden
3.48.
De rechtbank wijst dit verzoek af.
De vrouw stelt dat zij € 6.500,- heeft geleend bij verschillende familieleden. Daarbij heeft zij verklaringen overgelegd van deze familieleden. Daaruit blijkt niet of het leningen zijn. Het blijkt ook niet of de bedragen voor of na de peildatum 22 maart 2024 zijn ontvangen. Als het schulden zijn die vóór de peildatum zijn ontstaan, horen deze bij de verwervingen van de vrouw en moeten deze in de vereffening worden betrokken. Als deze na de peildatum zijn geleend, vallen deze niet onder de verwervingsdeelneming en zijn het hooguit schulden van de vrouw. De verklaringen zijn achteraf opgesteld, de datum waarop de gelden verstrekt zijn is niet duidelijk. De vrouw heeft al met al het bestaan van de schulden per peildatum 22 maart 2024 onvoldoende onderbouwd.
Verbeuren van goederen en overige schulden
3.49.
De vrouw noemt in haar stukken nog het verbeuren van goederen of eventuele schulden. Daar verbindt zij echter geen verzoek aan die in een petitum is opgenomen of waarin een petitum duidelijk naar is verwezen. Daarom komt de rechtbank niet toe aan deze onderdelen. Overigens noemt de vrouw “eventuele schulden”. Dat is te weinig concreet om als rechtbank over te oordelen.
Pensioen
3.50.
De vrouw verzoekt de verevening van de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenen volgens de Wet Verevening Pensioenrechten. Voor Nederlandse pensioenen is daarop meestal Nederlands recht van toepassing en geldt de Wet Verevening Pensioenrechten. [8] Geen van partijen heeft gesteld dat het om buitenlandse pensioenen gaat.
Pensioenverevening volgt al uit de wet. Daarom is het niet zinvol dat de rechtbank daarnaast nog uitdrukkelijk bepaalt dat de pensioenen van de man verevend moeten worden. De rechtbank wijst dit verzoek af.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.51.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3.52.
De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding en de partneralimentatie.
De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De beslissing over de partneralimentatie kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening partneralimentatie is vastgesteld. Deze voorlopige voorziening blijft gelden tot de beslissing over de partneralimentatie in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Dit is het geval als er geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden aangewend.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum] 1991 in [plaats] (Turkije);
4.2.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.237,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
4.3.
bepaalt in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van de verwervingsdeelneming dat:
  • de vrouw moet € 8.394,97 aan de man betalen als vergoeding voor het gebruik van de gezamenlijke woning;
  • de auto Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] , gaat naar de vrouw en de auto Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] , blijft bij de man. De vrouw betaalt de man € 625,-;
  • partijen de inboedel in onderling overleg dienen te verdelen;
  • elk van partijen houdt zijn/haar bankrekeningen zonder dat de saldi worden verrekend;
  • voor de vakantiewoning in Turkije ( [adres] in [plaats] ) geldt het volgende:
 de vakantiewoning dient uiterlijk zes weken na de datum van deze beschikking te zijn getaxeerd door een door partijen nog aan te wijzen makelaar/taxateur. Ten behoeve van de aanwijzing van de makelaar die de woning bindend zal taxeren, zal de vrouw binnen een termijn van twee weken na heden drie onafhankelijke (en voor zover mogelijk beëdigde of gecertificeerde) makelaars of taxateurs (uit de regio van de vakantiewoning) voorstellen aan de man, die er op zijn beurt binnen één week één uit zal kiezen. Partijen zullen de gekozen makelaar vervolgens binnen een week na die keuze gezamenlijk een opdracht tot taxatie geven. Bepalend is de waarde van de vakantiewoning op het moment van taxeren. Beide partijen behoren hun medewerking aan de taxatie te verlenen. Partijen dienen de kosten van de taxatie bij helfte te dragen;
 nadat de makelaar/taxateur een taxatierapport heeft verstrekt aan partijen kunnen zij berekenen welk bedrag de vrouw aan de man moet betalen. De vrouw moet de helft van de vastgestelde taxatiewaarde aan de man betalen;
4.4.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding en de partneralimentatie betreft;
4.5.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.E. Falkmann, rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
JB
Bijlage 1 en 2
Partij
[de vrouw]
Zaak
[de man] / [de vrouw] (572801)
Berekening
[de vrouw] [de man] aanvullende behoefte
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
07-10-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
17.964
Bruto inkomsten
17.964
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
17.964
59
Inkomsten
17.964
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
17.964
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
17.964
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
6.434
95
Inkomensheffing box 1
6.434
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
17.964
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
6.434
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.789
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
645
Inkomen na aftrek inkomensheffing
17.319
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Arbeidskorting
2.721
jaar
120
Besteedbaar inkomen
17.319
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
17.319
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.443
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
17.319
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
1.443
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
1.443
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
Afwijken van de tabel?
nee
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Woonbudget
433
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
1.743
136b
Draagkrachtruimte
-300
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
-300
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 0 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van €
17.964
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
jaar
Of per maand
maand
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
2.601
#
Indexeren
nee
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
2.601
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
1.443
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
1.443
Netto aanvullende behoefte
1.158
Bruto aanvullende behoefte
2.111
Bijlage 3
Partij
[de man]
Zaak
[de man] / [de vrouw] (572801)
Berekening
[de man] [de vrouw] draagkracht
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
07-10-2025
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
57.84
44
Vakantietoeslag
4.627
47
13de maand/14de periode
1.5
Bruto inkomsten
63.967
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
63.967
59
Inkomsten
63.967
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
63.967
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
63.967
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
9.567
95
Inkomensheffing box 1
23.336
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
63.967
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
23.336
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
5.054
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
18.282
Inkomen na aftrek inkomensheffing
45.685
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
815
jaar
Arbeidskorting
4.239
jaar
120
Besteedbaar inkomen
45.685
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
45.685
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
3.807
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
45.685
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
3.807
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
3.807
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Woonbudget
1.142
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.452
136b
Draagkrachtruimte
1.355
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
1.355
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
813
140
Beschikbaar
813
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
813
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
813
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
1.3
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 9.756 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van €
63.967
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 9.756, € 9.756 x ( 100 / (100 - 37,48))
15.605
jaar
In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82))
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
15.605
jaar
Of per maand
1.3
maand

Voetnoten

1.Artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de vrouw.
3.Bijlage 2: brutering behoefte.
4.Bijlage 3: draagkracht van de man.
5.Artikel 5 Verordening Huwelijksvermogensstelsels
6.Artikel 222 TBW
7.Artikel 235 TBW
8.Artikel 1 leden 4 tot en met 7 Wet Verevening Pensioenrechten en artikel 10:51 BW