Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:6771

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/6361
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken besluit rijvaardigheidsonderzoek

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een brief van het CBR waarin een datum voor het ondergaan van een rijvaardigheidsonderzoek is vastgesteld. Eerder was al een besluit genomen waarin de verplichting tot het ondergaan van het onderzoek was opgelegd, waartegen bezwaar en beroep zijn ingesteld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de brief van 31 oktober 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat deze niet gericht is op rechtsgevolg maar slechts de concrete datum van het onderzoek vaststelt. De verplichting tot het onderzoek vloeit voort uit het eerdere besluit van 4 september 2025.

Omdat de brief geen besluit is, is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk en wijst het af. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6361

uitspraak van voorzieningenrechter van 8 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR),

verweerder
(gemachtigde: mr. E. van Pernis-van de Wal).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake het opleggen van de verplichting tot het ondergaan van een rijvaardigheidsonderzoek.
2. Bij besluit 21 juli 2025 heeft verweerder aan verzoeker een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 4 september 2025 het bezwaar ongegrond verklaard en de verplichting tot het ondergaan van het rijvaardigheidsonderzoek in stand gelaten. Verzoeker heeft op 15 september 2025 beroep ingesteld (zaaknummer 25/5316) en een voorlopige voorziening (zaaknummer 25/5315) gevraagd om de betalingsverplichting op te schorten. De voorlopige voorziening is bij uitspraak van 17 oktober 2025 afgewezen.
3. Op 31 oktober 2025 heeft verweerder aan verzoeker een brief gestuurd, waarin staat dat er vóór 23 januari 2026 een rijvaardigheidsonderzoek ingepland zal worden. Verzoeker heeft op 5 november 2025 bezwaar gemaakt tegen deze brief. Daarnaast heeft hij op 6 november 2025 een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening – kort gezegd – ter opschorting van de verplichting om het rijvaardigheidsonderzoek te ondergaan, zoals staat in de brief van 31 oktober 2025. Verzoeker heeft op 27 november, 28 november, 3 december en 8 december 2025 brieven gestuurd naar de rechtbank, met nadere verzoeken. In de laatste brief geeft verzoeker aan dat het spoedeisend belang bij de voorziening is komen te vervallen, maar dat hij in een uitspraak vastgelegd wenst te zien dat verweerder hem onrechtmatig onder druk heeft gezet en waarbij verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief griffierecht).
4. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Een verzoek om een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter moet betrekking hebben op een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Als er geen sprake is van een besluit, kan er geen voorlopige voorziening worden getroffen. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit, waartegen op grond van artikel 7:1 en Pro artikel 8:1 van Pro de Awb bezwaar en beroep open staat, verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een publiekrechtelijke rechtshandeling, als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb, is een handeling die naar haar aard op rechtsgevolg is gericht.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van verweerder van 31 oktober 2025, waarin is vermeld dat verzoeker vóór 23 januari 2026 een rijvaardigheidsonderzoek moet ondergaan, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat de brief niet op rechtsgevolg is gericht. De brief strekt tot feitelijke vaststelling van de datum waarop het rijvaardigheidsonderzoek zal plaatsvinden. Dat verzoeker dit onderzoek moet ondergaan, en verplicht is om op de door verweerder gestelde datum te verschijnen, vloeit voort uit het besluit tot oplegging van het onderzoek van 4 september 2025. De brief van 31 oktober 2025 is hiervan slechts de concrete invulling.
7. Er is dus geen sprake van een besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt en de verzochte vaststelling en/of voorzieningen niet worden getroffen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025.
De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid
te ondertekenen
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.