De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2015. De kinderrechter heeft op 13 november 2025 de zaak behandeld en de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 28 mei 2026 bevolen.
De minderjarige woont bij haar moeder, en het ouderlijk gezag wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. Er is sprake van ernstig bedreigde ontwikkeling doordat het contact tussen de minderjarige en haar ouders gebrekkig is. De omgang met de vader vindt slechts één tot anderhalf uur per maand plaats onder professionele begeleiding, maar deze begeleiding is sinds augustus 2025 stilgelegd vanwege financieringsproblemen bij de gemeente.
De GI heeft tijdelijk de begeleiding van de omgang overgenomen, maar dit is niet haar wettelijke taak. De kinderrechter benadrukt dat de hulpverlening zo snel mogelijk hervat moet worden. Daarnaast is er geen communicatie tussen de ouders over het gezag, en de moeder is bezig met een verzoek tot wijziging van het gezag. De vader toont weinig bereidheid tot deelname aan het traject parallel solo ouderschap.
De kinderrechter concludeert dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de belangen van de minderjarige te waarborgen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.