Op 20 augustus 2024 heeft eiser een meldingsformulier ingediend voor het realiseren van een inrit ten behoeve van zijn woning in Amersfoort. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 14 oktober 2024 niet ingestemd met de melding, omdat de aanleg van de inrit in strijd zou zijn met de beoordelingsregels uit de verordening Fysieke leefomgeving van de gemeente Amersfoort (FloA). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar het college heeft op 17 april 2025 het bezwaar ongegrond verklaard. Hierop heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft op 2 oktober 2025 de zaak behandeld. Eiser betwistte de weigeringsgronden van het college, waaronder de aantasting van een openbare parkeerplaats en het openbaar groen. Eiser stelde dat er geen hoge parkeerdruk is en dat de aanleg van de inrit niet noodzakelijk is. Hij voerde ook aan dat hij niet serieus genomen is door het college, omdat er geen fysieke hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen en dat de hoorplicht niet is geschonden.
De rechtbank concludeerde dat de weigering van het college om toestemming te verlenen voor de inrit terecht was, omdat er geen noodzaak voor de uitweg was en de aanleg ten koste zou gaan van een openbare parkeerplaats. Eiser kreeg geen gelijk en het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het college de FloA op juiste wijze had toegepast en dat eiser geen recht had op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.