ECLI:NL:RBMNE:2025:6729

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11839275 UC EXPL 25-6695
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230h lid 2 sub l BWArt. 6:96 lid 5 en 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering betaling en incassokosten na onbetaald verlaten parkeerfaciliteit

De zaak betreft een civiele procedure tussen eiseres, exploitant van een parkeeraccommodatie, en gedaagde die zonder betaling de parkeerfaciliteit heeft verlaten door direct achter een voorganger onder of langs de slagboom te rijden ('treintje rijden'). Eiseres vordert betaling van parkeergeld, een aanvullende schadevergoeding, rente en incassokosten.

De gedaagde partij is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter beoordeelt ambtshalve de toepasselijkheid en redelijkheid van de algemene voorwaarden van eiseres. De algemene voorwaarden, versie 2.2025, zijn via een informatiebord bij de ingang kenbaar gemaakt en bevatten een beding over vergoeding bij verloren kaart en aanvullende schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelt dat dit beding niet onredelijk bezwarend is en dat de vordering van eiseres gegrond is. De gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van het verschuldigde parkeergeld, de schadevergoeding, de wettelijke rente vanaf de datum van het verlaten van de faciliteit zonder betaling, en de buitengerechtelijke incassokosten met rente vanaf de dagvaarding. Tevens worden de proceskosten aan de gedaagde opgelegd.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van parkeergeld, schadevergoeding, incassokosten en rente.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11839275 UC EXPL 25-6695
Verstekvonnis d.d. 10 december 2025
inzake
[eiseres] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
eisende partij,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in de gemeente [gemeente] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft een dagvaarding uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat
de gedaagde partij wordt veroordeeld om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.
1.2.
De gedaagde partij heeft daar niet (op tijd) op gereageerd en niet gevraagd om op
een later moment te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen
de gedaagde partij.
1.3.
Daarop volgt nu dit vonnis.

2.De kern van de zaak

2.1.
De gedaagde partij (of een derde, die gebruik heeft gemaakt van een voertuig dat is geregistreerd op naam van de gedaagde partij, die hierna kortweg wordt aangeduid als
de gedaagde partij) heeft gebruikgemaakt van een door [eiseres] geëxploiteerde parkeeraccommodatie. De gedaagde partij heeft de parkeeraccommodatie na gebruik echter verlaten zonder te betalen, door direct achter een voorganger onder of langs de slagboom te rijden (‘treintje te rijden’). De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde partij alsnog moet betalen voor het gebruik van de parkeeraccommodatie en daarbovenop ook nog
een schadevergoeding, rente en een vergoeding voor gemaakte kosten verschuldigd is.

3.De beoordeling

3.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen [eiseres] (een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf) en de gedaagde partij
(een consument). Op zo’n overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing.
3.2.
Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook zonder dat de gedaagde partij daar om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. In de regel gaat het er daarbij om of bij het sluiten van de overeenkomst essentiële informatie aan de gedaagde partij is verstrekt en of in de gehanteerde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor de gedaagde partij. De kantonrechter kan zich daarbij beperken tot die bedingen die verband houden met de ingestelde vordering.
3.3.
In deze procedure is de overeenkomst tot stand gekomen doordat het voertuig van
de gedaagde partij met een voertuig de slagboom bij de ingang van de parkeeraccommodatie is gepasseerd. Uit artikel 6:230h lid 2 onder l van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijkt dat op een overeenkomst die op een dergelijke geautomatiseerde manier tot stand komt geen specifieke consumentenbeschermende informatieplichten van toepassing zijn
(waarvan de naleving ambtshalve door de kantonrechter zou moeten worden getoetst).
3.4.
Op de overeenkomst zijn wel algemene voorwaarden van toepassing, namelijk
de door [eiseres] gebruikte Algemene Voorwaarden Parkeren, versie 2.2025. [eiseres] heeft
de gedaagde partij daarover geïnformeerd door bij de ingang van de parkeeraccommodatie een informatiebord te plaatsen, waarop zij niet alleen de geldende tarieven heeft vermeld, maar ook een verwijzing naar deze algemene voorwaarden. Overigens heeft [eiseres] op dit bord vermeld dat een ‘tarief verloren kaart’ en aanvullende schadevergoeding is verschuldigd als niet voor het gebruik van de parkeeraccommodatie wordt betaald.
Dat is in de algemene voorwaarden nader uitgewerkt.
3.5.
De kantonrechter moet als gezegd ambtshalve beoordelen of de algemene voorwaarden een beding bevatten over de vergoeding van schade als gevolg van het zonder betaling verlaten van een parkeeraccommodatie en zo ja, of dat beding onredelijk bezwarend is. De kantonrechter constateert dat in artikel 5.5 van de algemene voorwaarden inderdaad een beding is opgenomen over het verschuldigde parkeergeld conform het gehanteerde tarief in geval van verloren kaart en over aanvullende schadevergoeding. De kantonrechter acht dat beding echter niet onredelijk bezwarend. Voor ambtshalve ingrijpen bestaat daarom geen aanleiding.
3.6.
Omdat dit deel van de vordering de kantonrechter ook overigens niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zijn het gevorderde verschuldigde parkeergeld (het ‘tarief verloren kaart’) en de gevorderde aanvullende schadevergoeding toewijsbaar, vermeerderd met
de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de datum waarop de gedaagde partij
de parkeerfaciliteit zonder te betalen heeft verlaten. [1]
3.7.
[eiseres] vordert ook een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Die vergoeding is toewijsbaar als de gedaagde partij is aangemaand om
de betalingsverplichting alsnog na te komen, op een manier die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 5 en Pro 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna kortweg Besluit). [2] Dat is in dit geval gebeurd, zodat ook de gevorderde vergoeding toewijsbaar is.
3.8.
De door [eiseres] gevorderde rente over de incassokosten is toewijsbaar vanaf
de datum waarop de gedaagde partij is gedagvaard, omdat gesteld noch gebleken is dat
[eiseres] de incassokosten al eerder aan haar gemachtigde heeft vergoed of met die vergoeding in verzuim verkeerde.
3.9.
De gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 120,78
- griffierecht € 340,00
- salaris gemachtigde € 135,00 (1 punt(en) x tarief € 135,00)
- nakosten
€ 67,50 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 663,28.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen € 446,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 28 februari 2025 tot de voldoening;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partij om aan de eisende partij tegen bewijs van kwijting te betalen € 66,96 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 7 augustus 2025
tot de voldoening;
4.3.
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 663,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet tijdig aan
de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van
de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
Grosse afgegeven aan de gemachtigde van de eisende partij
d.d.10 december 2025

Voetnoten

1.[eiseres] heeft in haar algemene voorwaarden geen contractuele regeling opgenomen over de vergoeding van rente. Daarom geldt de wettelijke regeling van artikel 6:119 BW Pro.
2.[eiseres] heeft in haar algemene voorwaarden geen contractuele regeling opgenomen over de vergoeding van incassokosten door consumenten (artikel 8.1 van de algemene voorwaarden geldt alleen voor zakelijke klanten). Daarom geldt de wettelijke regeling van artikel 6:96 BW Pro.