ECLI:NL:RBMNE:2025:6724

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
UTR 23/4786
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid bestuursrechter bij verzoek tot seponeren van strafbare feiten

Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, uitspraak gedaan in de zaak UTR 23/4786. Eiser, die in verzet ging tegen een eerdere uitspraak van 20 november 2024, had zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard gekregen omdat hij het griffierecht niet tijdig had betaald. Eiser stelde dat zijn verzoek om vrijstelling van het griffierecht ten onrechte was afgewezen, verwijzend naar een andere zaak waarin zijn verzoek wel was toegewezen. De rechtbank heeft het verzet gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vervallen verklaard.

Eiser had ook beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek aan het arrondissementsparket Midden-Nederland om een sepotbeslissing te verkrijgen. De rechtbank oordeelde dat de bestuursrechter niet bevoegd is om te oordelen over verzoeken die betrekking hebben op de vervolging van strafbare feiten, zoals het verzoek om sepot. Dit is in lijn met artikel 1:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat er geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld in dergelijke gevallen. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser.

De rechtbank merkte op dat eiser onder bepaalde omstandigheden de strafrechter kan verzoeken om een zaak te beëindigen, maar dat het onduidelijk is of dit in zijn geval mogelijk is. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen de mondelinge uitspraak. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door rechter G. Schnitzler, in aanwezigheid van griffier L.E. Mollerus.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4786

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

8 december 2025 op het verzet en beroep van

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het Openbaar Ministerie, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzet van eiser tegen de uitspraak van 20 november 2024 en het beroep van eiser van 29 september 2023.
1.1.
In de uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser het griffierecht niet (op tijd) heeft betaald.
1.2.
Eiser heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend. Daarbij heeft hij verwezen naar de zaak UTR 23/4615, waarin zijn verzoek om vrijstelling voor de betaling van het griffierecht wel is toegewezen. Eiser stelt dat zijn verzoek om vrijstelling daarom ten onrechte is afgewezen.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het verzet en beroep van eiser op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser. Verweerder heeft zich, zoals bericht, niet op zitting laten vertegenwoordigen.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank van 20 november 2022 niet juist was. Gelet op het dossier is voldoende aannemelijk dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling tot betaling van het griffierecht. Het verzet is daarom gegrond en de uitspraak van 20 november 2024 wordt vervallen verklaard. De rechtbank beoordeelt hierna het beroep van eiser.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig reageren op zijn brief van 15 augustus 2022 aan het arrondissementsparket Midden-Nederland om een sepotbeslissing te verkrijgen op een drietal PV-nummers.
3.1.
De bestuursrechter kan alleen oordelen over besluiten waartegen op grond van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) bezwaar of beroep openstaat. Uit artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat men geen beroep bij de bestuursrechter kan instellen als het gaat over de vervolging van strafbare feiten. Een verzoek aan het arrondissementsparket om een zaak te seponeren hoort daarom niet thuis bij de bestuursrechter. Dit betekent dat ook tegen het uitblijven van het nemen van een beslissing op zo’n verzoek eiser niet bij de bestuursrechter kan procederen.
3.2.
De bestuursrechter is daarom onbevoegd van het beroep kennis te nemen.
4. Ter voorlichting merkt de rechtbank op dat eiser onder omstandigheden op grond van het Wetboek van Strafvordering [1] de strafrechter kan vragen om een zaak geëindigd te verklaren. Of dat in het geval van eiser uitkomst biedt is onzeker, omdat er geen verdere informatie bekend is over de zaken waarvan eiser een sepotbeslissing wenst te verkrijgen.
5. Eiser is gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart de uitspraak van 20 november 2024 vervallen;
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 29f van het Wetboek van strafvordering.