ECLI:NL:RBMNE:2025:6712

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11967924 UV EXPL 25-290 CFd/63200
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWWoningwetECLI:NL:HR:2019:2026
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing ontruiming woning na beëindiging huurovereenkomst

De kantonrechter heeft in een kort geding geoordeeld over het verzoek van eiser om de ontruiming van zijn woning te schorsen zolang het hoger beroep tegen het vonnis dat de huurovereenkomst beëindigt in behandeling is. Het eerdere vonnis van 15 oktober 2025 stelde vast dat de huurovereenkomst van eiser was geëindigd en veroordeelde hem tot ontruiming binnen veertien dagen, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Eiser betoogde dat het vonnis berustte op een kennelijke misslag en dat de ontruiming onredelijk was vanwege zijn psychische problematiek en het ontbreken van een acute noodsituatie. De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van een kennelijke misslag en dat het belang van verhuurder Veenvesters, die de leefbaarheid in de wijk moet waarborgen, zwaarder weegt dan het belang van eiser bij behoud van de woning.

Daarnaast werd vastgesteld dat overlastmeldingen en camerabeelden het belang van Veenvesters ondersteunen om de ontruiming door te zetten. Eiser heeft ruim anderhalf jaar gehad om alternatieve woonruimte te vinden. De kantonrechter wees het verzoek tot schorsing af en veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen en verhuurder mag de woning ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11967924 UV EXPL 25-290 CFd/63200
Vonnis in kort geding van 10 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
verder ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
tegen
Woningstichting Veenvesters,
vestigingsplaats: Veenendaal,
gedaagde,
verder ook te noemen: Veenvesters,
gemachtigde: mr. M.J. Jeths.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 18 november 2025, met bijlagen;
  • de mail van 24 november 2025 van [eiser] , met bijlagen;
  • de mail van 24 november 2025 van Veenvesters, met één bijlage;
  • de mail van 26 november 2025 van [eiser] , met één bijlage;
  • de pleitaantekeningen van de gemachtigde van Veenvesters.
1.2.
Op 26 november 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [eiser] was aanwezig met zijn gemachtigde en mr. [A] . Namens Veenvesters was aanwezig mevrouw [B] met de gemachtigde.
1.3.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

De kantonrechter van deze rechtbank heeft in een vonnis van 15 oktober 2025 vastgesteld dat de huurovereenkomst van [eiser] is geëindigd en [eiser] veroordeeld om de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) binnen veertien dagen te ontruimen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Veenvesters wil dit hoger beroep niet afwachten en heeft de ontruiming aangezegd. [eiser] eist in dit kort geding dat het vonnis van de kantonrechter wordt geschorst voor wat betreft de ontruiming van de woning zolang als het hoger beroep in behandeling is bij het gerechtshof. Subsidiair eist [eiser] dat Veenvesters binnen een termijn van zes maanden niet tot ontruiming mag overgaan. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Hierna wordt de beslissing toegelicht.

3.De beoordeling

3.1.
De spoedeisendheid van de zaak is gegeven, want de ontruiming staat gepland op 27 november 2025. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft Veenvesters aangegeven de datum uit te zullen stellen in afwachting van dit kort geding vonnis.
Toetsingskader
3.2.
De voorzieningenrechter hanteert het toetsingskader uit het zogenoemde Strandhotel- of Zeesterarrest (Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar verklaarde veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar is en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Veenvesters bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in het vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep tegen het vonnis blijft buiten beschouwing. Wel kan de kantonrechter in zijn oordeel betrekken of het vonnis berust op een kennelijke misslag.
Er is geen sprake van een kennelijke misslag
3.3.
[eiser] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het vonnis van 15 oktober 2025 berust op een kennelijke misslag. Het moet dan gaan om een zo evidente vergissing in het recht of de feiten dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. Een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag wordt niet lichtvaardig aangenomen. Dat de kantonrechter volgens [eiser] is uitgegaan van verkeerde aannames, maakt (nog) niet dat er sprake is van een kennelijke misslag. [eiser] is het niet eens met het vonnis, maar het is niet aan de voorzieningenrechter in dit kort geding om de standpunten van beide partijen nogmaals te toetsen. De vraag of de kantonrechter al dan niet terecht heeft vastgesteld dat de tijdelijke overeenkomst is geëindigd en/of sprake is van overlast, dient in hoger beroep aan de orde te komen. In dit kort geding kan daarop niet worden vooruitgelopen. Dat zou immers neerkomen op een verkapt appel. De conclusie is daarom dat er geen sprake is van een kennelijke misslag in het betrokken vonnis.
De uitvoerbaarheid bij voorraad is niet gemotiveerd
3.4.
De kantonrechter heeft in het vonnis de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd. Veenvesters ziet dit anders, maar dat standpunt is onjuist. Dat bij het oordeel over de ontruimingsvordering de belangen van partijen zijn gewogen, betekent immers niet dat de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd. Dit betekent dat in het kader van dit executiegeschil de belangen van partijen alsnog moeten worden afgewogen, volgens de lijn die volgt uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad.
Belangenafweging
3.5.
Volgens [eiser] is de overlast door de kantonrechter niet feitelijk vastgesteld en heeft Veenvesters daarom geen (zwaarwegend) belang om tot onmiddellijke ontruiming over te gaan. Door [eiser] zonder noodzaak op straat te zetten maakt Veenvesters misbruik van haar bevoegdheid, aldus [eiser] . De kantonrechter volgt [eiser] daarin niet. In het vonnis van 15 oktober 2025 heeft de kantonrechter immers overwogen dat overlastmeldingen zijn ontvangen en dat [eiser] de inhoud daarvan onvoldoende heeft weersproken. Daarom is de kantonrechter er vanuit gegaan dat er overlast is geweest (r.o. 3.9 van het vonnis). Na het eindigen van de tijdelijke huurovereenkomst is er inmiddels meer dan anderhalf jaar verstreken. Gedurende die tijd heeft [eiser] intensieve begeleiding gekregen van de heer [C] , de heer [D] en sinds februari 2025 ook van mevrouw [E] . Al die begeleiding heeft er echter niet voor gezorgd dat de overlastmeldingen zijn gestopt. Voor zover [eiser] bedoelt dat er op dit moment geen sprake meer is van overlast heeft Veenvesters dat met een aantal meldingen en camerabeelden (die tijdens de zitting zijn bekeken) voldoende gemotiveerd betwist. Het is dus niet gebleken dat de situatie is veranderd.
3.6.
De belangen die door [eiser] zijn gesteld zien er met name op dat het voor hem (vanwege zijn psychische problematiek) bijzonder ingrijpend is als hij zijn woning kwijtraakt. Dat is echter een evident gevolg van de uitgesproken ontruiming en door de kantonrechter zijn die belangen van [eiser] in het vonnis al meegewogen. Daar komt bij dat niet is gebleken dat [eiser] vanwege zijn psychische problematiek belang heeft bij behoud van juist déze woning. Volgens [eiser] is de woning gehorig en hij ervaart veel stress van de meldingen van zijn buren. [eiser] heeft ook niet gesteld en evenmin is gebleken dat een acute noodsituatie ontstaat in geval van een ontruiming.
3.7.
In dit geval wegen de belangen van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand niet zwaar genoeg om af te wijken van de hoofdregel dat Veenvesters een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer mag leggen. Veenvesters is als woningcorporatie op grond van de Woningwet verplicht de leefbaarheid in de wijk te waarborgen. Veenvesters heeft naar andere huurders de verplichting om op te treden tegen overlastsituaties. Haar belang om het vonnis direct ten uitvoer te leggen weegt in dit geval zwaarder. [eiser] heeft meer dan anderhalf jaar de tijd gehad om te zoeken naar alternatieve woonruimte. Dat er (nog) geen geschikte ruimte is gevonden is bijzonder vervelend, maar nog langer wachten kan niet van Veenvesters worden verlangd. De conclusie is daarom dat de vordering van [eiser] , zowel primair als subsidiair, wordt afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.8.
[eiser] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt. De proceskosten van Veenvesters worden begroot op € 543,- en € 135,- aan nakosten. In totaal moet [eiser] € 678,- aan Veenvesters betalen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.