De kantonrechter heeft in een kort geding geoordeeld over het verzoek van eiser om de ontruiming van zijn woning te schorsen zolang het hoger beroep tegen het vonnis dat de huurovereenkomst beëindigt in behandeling is. Het eerdere vonnis van 15 oktober 2025 stelde vast dat de huurovereenkomst van eiser was geëindigd en veroordeelde hem tot ontruiming binnen veertien dagen, met uitvoerbaarheid bij voorraad.
Eiser betoogde dat het vonnis berustte op een kennelijke misslag en dat de ontruiming onredelijk was vanwege zijn psychische problematiek en het ontbreken van een acute noodsituatie. De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van een kennelijke misslag en dat het belang van verhuurder Veenvesters, die de leefbaarheid in de wijk moet waarborgen, zwaarder weegt dan het belang van eiser bij behoud van de woning.
Daarnaast werd vastgesteld dat overlastmeldingen en camerabeelden het belang van Veenvesters ondersteunen om de ontruiming door te zetten. Eiser heeft ruim anderhalf jaar gehad om alternatieve woonruimte te vinden. De kantonrechter wees het verzoek tot schorsing af en veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten.