ECLI:NL:RBMNE:2025:6696

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11873301 UV EXPL 25-221
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot toelating in bedongen werkzaamheden afgewezen wegens onduidelijkheid over arbeidsmogelijkheden

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werknemer, [eiser], en zijn werkgever, de stichting [gedaagde]. [eiser] vorderde toelating tot zijn bedongen werkzaamheden als medewerker backoffice en betaling van een voorschot op zijn ingehouden loon. De werknemer, die sinds 1 januari 2013 als conciërge C werkzaam is, heeft zich in de afgelopen jaren meerdere keren ziekgemeld, onder andere vanwege hartklachten en darmkanker. Hij stelt dat hij vanaf juni 2025 volledig kan terugkeren in zijn functie, maar de werkgever betwist dit en heeft een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd om de arbeidsmogelijkheden van [eiser] vast te stellen.

De kantonrechter oordeelt dat er onvoldoende duidelijkheid is over de werkzaamheden die [eiser] kan verrichten gezien zijn beperkingen. De werkgever heeft terecht een inhouding op het loon doorgevoerd, omdat [eiser] nog niet volledig arbeidsgeschikt is voor alle taken die bij zijn functie horen. De rechter benadrukt dat de vorderingen van [eiser] prematuur zijn, aangezien er nog geen deskundigenoordeel is en de situatie niet duidelijk genoeg is om een definitieve uitspraak te doen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11873301 \ UV EXPL 25-221
Vonnis in kort geding van 14 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. B. Tomlow,
tegen
de stichting
[gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. C. de Bruin.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1-21
- de conclusie van antwoord met producties 1-30
- de mondelinge behandeling van 3 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser]
- de aanhouding ten behoeve van nader overleg tussen partijen over een minnelijke regeling
- de mededeling van [gedaagde] van 31 oktober 2025 dat partijen geen regeling hebben getroffen.
1.2.
De kantonrechter heeft vonnis bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
Vanaf 1 januari 2013 vervult [eiser] bij [gedaagde] de functie van coördinerend conciërge (conciërge C). Na periodes van ziekte verricht [eiser] re-integratiewerkzaamheden in de backoffice. Volgens [eiser] kan hij vanaf juni 2025 die taken 100% uitvoeren. [gedaagde] moet hem daarom hersteld melden en zijn loon weer 100% uitbetalen. [gedaagde] ziet dat anders omdat [eiser] nog niet alle conciërgetaken verricht. [eiser] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot volledige toelating van [eiser] in de werkzaamheden als medewerker backoffice op basis van 40 uren per week en tot betaling van een voorschot op het ingehouden loon. De kantonrechter wijst die vorderingen af en legt dat hierna uit.

3.De beoordeling

Inleiding
3.1.
[eiser] is op dit moment 65 jaar oud. Hij is sinds 6 december 2004 werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] . Vanaf 1 januari 2013 heeft hij de functie van conciërge C. De kernwerkzaamheden van een conciërge C zijn: toezicht en veiligheid, beheer, hand- en spandiensten, ARBO, veiligheid en milieu, en administratie [1] .
3.2.
[eiser] heeft zich op 21 maart 2023 ziekgemeld vanwege hartklachten.
Op 3 juli 2024 heeft [eiser] zich ziekgemeld in verband met de diagnose darmkanker.
3.3.
Na de eerste ziekmelding is [eiser] in oktober 2023 gestart met de opbouw van werkzaamheden in zijn functie als conciërge met een aangepast takenpakket. [eiser] liep daarbij mee met zijn collega [A] . Na de tweede ziekmelding is [eiser] in november 2024 gestart met een opbouw in aangepaste eigen taken [2] onder leiding van de heer [B] , operationeel coördinator van de afdeling Facilitair en Huisvesting bij [gedaagde] (hierna: [B] ).
3.4.
[eiser] heeft uit het door [B] op 16 april 2025 voor hem opgestelde opbouwschema afgeleid dat hij per 2 juni 2025 fulltime aan het werk kan zijn in de functie van Backoffice medewerker, wat volgens [eiser] wordt bevestigd in het e-mailbericht van [B] van 20 mei 2025 [3] . Ook de arbeidsdeskundige van de ARBO-dienst heeft in haar rapportage van 7 juli 2025, aangepast op 14 juli 2025 [4] , gezegd dat [eiser] vanaf 2023 in de praktijk de nieuw bedongen arbeid van medewerker Backoffice verricht.
3.5.
[gedaagde] is het niet eens met [eiser] en voert aan dat [eiser] tot op heden niet volledig arbeidsgeschikt is voor alle werkzaamheden die horen bij de functie Conciërge C. Het is dus terecht dat er nog een inhouding op zijn loon plaatsvindt. Gezien de adviezen van de bedrijfsarts met een positieve prognose in de eigen functie, mag van [eiser] verwacht worden dat hij, naast administratieve werkzaamheden ook weer werkzaamheden in de front-office gaat doen, zoals baliewerkzaamheden. De backofficewerkzaamheden zijn de aangepaste arbeid in het kader van re-integratie en niet de bedongen arbeid. Bovendien bestaat de functie medewerker backoffice niet binnen [gedaagde] , zo stelt [gedaagde] .
3.6.
Er is een impasse ontstaan en [eiser] heeft in kort geding gevorderd dat [gedaagde] hem toelaat tot de werkzaamheden van medewerker Backoffice voor 40 uren per week en een (voorschot) op zijn (ingehouden) volledige loon.
Spoedeisend belang en toetsingskader kort geding
3.7.
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem ten onrechte niet volledig hersteld gemeld en dat heeft zijn weerslag op de arbeidsrelatie. Iedere dag dat [eiser] niet volledig wordt toegelaten tot de gestelde functie als medewerker backoffice is er voor hem, naar eigen zeggen, één te veel. Dat geldt zowel immaterieel als materieel: zo lang [eiser] niet 100% hersteld is gemeld krijgt hij immers niet zijn volledige salaris.
Het spoedeisend belang is met deze stellingen voldoende aannemelijk gemaakt. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang overigens ook niet gemotiveerd weersproken.
3.8.
De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal volgen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De kantonrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang bij de vorderingen aanwezig is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet.
3.9.
Voor toewijzing van de door [eiser] gevorderde spoedvoorziening moet het dus waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Dat is vooralsnog niet het geval.
[eiser] is nog niet 100% hersteld
3.10.
Niet ter discussie staat dat [eiser] zich met ingang van juli 2025 in het tweede ziektejaar bevindt. In dat jaar ontvangt de zieke of arbeidsongeschikte werknemer 70% van zijn loon over de verlofuren wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. Dat staat in de CAO MBO, maar ook in de wet [5] . Verder wordt de arbeidsrelatie tijdens de periode van ziekte/arbeidsongeschiktheid beheerst door de Wet Verbetering Poortwachter. In dat kader zijn de rapportages van de bedrijfsarts (en de arbeidsdeskundige) bepalend bij het vaststellen van de belastbaarheid van de werknemer en arbeidsmogelijkheden/werkzaamheden die daarbij passen. Anders dan [eiser] kennelijk meent zijn de mededelingen van [B] dat [eiser] per 2 juni of per 1 augustus 2025 [6] hersteld kan worden gemeld niet leidend.
3.11.
Bekeken moet worden of
de bedrijfsartsheeft geconcludeerd dat [eiser] 100% arbeidsgeschikt is. Dat is niet het geval. In de rapportage van de bedrijfsarts van
18 juli 2025 [7] staat dat [eiser] op dat moment 32 uur werkt en in de rapportage van 11 september 2025 [8] 28 uur. De bedrijfsarts heeft wel meerdere keren aangegeven dat [eiser] kan opbouwen tot volledige contracturen op basis van de vastgestelde belastbaarheid, maar niet is gesteld of gebleken dat [eiser] inmiddels 40 uur werkt. Overigens heeft ook de arbeidsdeskundige overwogen dat de door [eiser] gewenste functie van medewerker backoffice niet volledig passend is gezien de urenopbouw [9] . De vordering van [eiser] om hem toe te laten tot die werkzaamheden op basis van 40 uur per week is dus prematuur. Datzelfde geldt voor het gevorderde voorschot op het ingehouden loon.
Werkzaamheden in de backoffice zijn de bedongen arbeid?
3.12.
Hoewel de eisen van [eiser] reeds afstuiten op de omstandigheid dat hij (nog) niet 40 uur per week werkzaam is, overweegt de kantonrechter - ten overvloede - dat er op dit moment nog te veel onduidelijk is om op voorhand te kunnen concluderen dat de verrichte werkzaamheden in de backoffice de bedongen werkzaamheden zijn geworden, waaraan [eiser] (de gevorderde) rechten zou kunnen ontlenen. Daartoe is het volgende van belang.
3.13.
De verzuimconsulent van de ARBO-dienst heeft hierover gemeld [10] :
“Er is sprake van een mogelijkheid tot urenuitbreiding voor werknemer, niet in taken volgens de functie waarvoor werknemer een dienstverband heeft. Dit betekent dat er geen herstelmelding van toepassing is bij uitbreiding van de arbeidsuren. Wat besproken is in het consult met de (bedrijfs)arts, is dat er een hersteldmelding kan komen als er overeenstemming bereikt wordt over de aangepaste taken die werknemer kan [= dan; opmerking kantonrechter] uitvoert, ook de bedongen arbeid wordt. Er is een Arbeidsdeskundige nodig om dat hard te maken.
Daarnaast is het advies een Arbeidsdeskundige te betrekken voor een Arbeidsdeskundig Onderzoek om na vaststellen van de beperkingen door de (bedrijf)arts, aan te geven welk werk wel en niet uitgevoerd kan worden en daar het beleid op te bepalen.”
3.14.
In 3.4 is al overwogen dat de arbeidsdeskundige van de ARBO-dienst heeft gezegd dat de door [eiser] verrichte aangepaste werkzaamheden ‘het eigen werk’ is geworden. De arbeidsdeskundige acht van belang dat [eiser] die werkzaamheden vanaf 2023 verricht en in volle omvang op de datum eerste ziektedag. [gedaagde] is het niet eens met het advies van de arbeidsdeskundige en heeft daarom op 17 september 2025 een deskundigenoordeel aan het UWV gevraagd over de werkzaamheden die [eiser] gelet op zijn beperkingen kan verrichten [11] .
3.15.
Er zal dus eerst duidelijkheid moeten komen over de vraag welke taken [eiser] kan uitvoeren gezien zijn beperkingen, en aan welke functie/werkzaamheden in dat verband getoetst zal moeten worden. Een arbeidsdeskundige van het UWV zal daar een deskundigenoordeel over geven maar dat is er nu nog niet.
3.16.
Verder geldt in zijn algemeenheid dat uitgevoerde taken die passen bij een andere functie de bedongen arbeid kunnen worden als die taken gedurende langere tijd worden uitgevoerd. Dit zal aan de hand van alle omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld. De kantonrechter verwacht daarom dat nader onderzoek nodig zal zijn, bijvoorbeeld naar de vraag in hoeverre bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de verrichte werkzaamheden, die [eiser] onder de functie medewerker Backoffice schaart, de bedongen arbeid zouden worden. [eiser] heeft een aantal argumenten gegeven die in die richting wijzen, maar [gedaagde] heeft dat weersproken en onderbouwd gesteld dat het voor [eiser] van meet af aan duidelijk is geweest dat aangepaste werkzaamheden tijdelijk van aard waren. Wie het (juridische) gelijk aan zijn zijde heeft zal bovendien beoordeeld moeten worden tegen de achtergrond van artikel 10 van de CAO MBO [12] waarin staat dat van een werkgever wordt verwacht dat hij zich inspant om de werknemer zoveel mogelijk te re-integreren in diens eigen functie, waarbij zo nodig technische aanpassingen van de werkplek, een andere groepering van taken of aanpassing van de werkomgeving wordt toegepast.
3.17.
De vraag of de taken die [eiser] tijdens zijn re-integratie heeft uitgevoerd de bedongen arbeid zijn geworden is op dit moment dus niet te beantwoorden zonder het deskundigenoordeel van de arbeidsdeskundige en nader onderzoek. Voor zo’n onderzoek is in een kort gedingprocedure geen plaats. Dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen is dus op voorhand onvoldoende aannemelijk en de kantonrechter kan hier niet op vooruitlopen door de gevraagde voorzieningen te treffen. De vorderingen zijn ook om deze reden niet toewijsbaar.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.18.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.
1257

Voetnoten

1.Functieprofiel, productie 1 van [gedaagde]
2.Zie bijvoorbeeld de rapportage van de bedrijfsarts van 28 april 2025, productie 20 van [gedaagde]
3.Producties 6 en 10 van [eiser]
4.Productie 3 van [eiser]
5.Artikel 7:629 BW
6.Productie 13 van [eiser]
7.Productie 26 van [gedaagde]
8.Productie 29 van [gedaagde]
9.Productie 3 van [eiser]
10.Zie de rapportage van 23 mei 2025, productie 22 van [gedaagde]
11.Zie productie 30 van [gedaagde]
12.Zie productie 21 van [eiser]