In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 14 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werknemer, [eiser], en zijn werkgever, de stichting [gedaagde]. [eiser] vorderde toelating tot zijn bedongen werkzaamheden als medewerker backoffice en betaling van een voorschot op zijn ingehouden loon. De werknemer, die sinds 1 januari 2013 als conciërge C werkzaam is, heeft zich in de afgelopen jaren meerdere keren ziekgemeld, onder andere vanwege hartklachten en darmkanker. Hij stelt dat hij vanaf juni 2025 volledig kan terugkeren in zijn functie, maar de werkgever betwist dit en heeft een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd om de arbeidsmogelijkheden van [eiser] vast te stellen.
De kantonrechter oordeelt dat er onvoldoende duidelijkheid is over de werkzaamheden die [eiser] kan verrichten gezien zijn beperkingen. De werkgever heeft terecht een inhouding op het loon doorgevoerd, omdat [eiser] nog niet volledig arbeidsgeschikt is voor alle taken die bij zijn functie horen. De rechter benadrukt dat de vorderingen van [eiser] prematuur zijn, aangezien er nog geen deskundigenoordeel is en de situatie niet duidelijk genoeg is om een definitieve uitspraak te doen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.