ECLI:NL:RBMNE:2025:6692

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
16/295807-20, 09/808418-18 (vord. tul) en 13/701340-19 (vord. tul)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring van computervredebreuk, diefstal met valse sleutel en misbruik van identificerende persoonsgegevens met vrijspraak voor bankhelpdeskfraude

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van meerdere feiten, waaronder computervredebreuk, diefstal met valse sleutel en misbruik van identificerende persoonsgegevens. De zaak werd behandeld in Utrecht en de verdachte was aanwezig tijdens de zitting. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met anderen betrokken was bij oplichtingspraktijken via Marktplaats.nl, waarbij slachtoffers werden bewogen om op phishinglinks te klikken en hun bankgegevens prijs te geven. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de beschuldigingen van bankhelpdeskfraude, maar heeft hem wel schuldig bevonden aan computervredebreuk en diefstal met valse sleutel. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met meer dan drie jaar was overschreden, wat leidde tot een strafvermindering. De verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van 90 dagen, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordelingen. Daarnaast werden vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank oordeelde dat de schadevergoeding voor de banken als rechtstreekse schade kon worden aangemerkt. De rechtbank heeft de vorderingen van enkele benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard, terwijl andere vorderingen wel werden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummers: 16/295807-20, 09/808418-18 (vord. tul) en 13/701340-19 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2000] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats 1] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 18 november 2025. Het onderzoek is gesloten op 16 december 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M. Kamper
  • de advocaat van de verdachte: mr. F. Tosun;
  • de benadeelde partij: [naam 1] namens Triodos Bank N.V.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op meerdere tijdstippen op of omstreeks 19 november 2020 in [plaats 2] samen met anderen heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op te lichten door middel van bankhelpdeskfraude;
feit 2
op meerdere tijdstippen in de periode van 20 juni 2020 tot en met 19 november 2020 in [plaats 1] en/of [plaats 2] , samen met anderen computervredebreuk heeft gepleegd door met onrechtmatig verkregen inloggegevens van 24 rekeninghouders in computersystemen van verschillende banken in te loggen;
feit 3
op meerdere tijdstippen in de periode van 15 november 2020 tot en met 16 november 2020 in [plaats 1] en/of [plaats 2] samen met anderen [slachtoffer 3] , heeft opgelicht door middel van bankhelpdeskfraude;
feit 4
in de periode van 21 juni 2020 tot en met 16 november 2020 in [plaats 1] en/of [plaats 2] , samen met anderen geldbedragen heeft gestolen van 17 rekeninghouders door middel van onrechtmatig verkregen inloggegevens;
feit 5
op 30 oktober 2020 in [plaats 3] en/of [plaats 2] , samen met anderen misbruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van [slachtoffer 4] door een telefoonabonnement bij T-Mobile op zijn naam af te sluiten.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 heeft gepleegd. De officier van justitie vordert vrijspraak voor de beschuldiging voor feit 2 ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 5] .
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 1 en feit 3. De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank verder om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feiten 2 en 4, voor zover deze zien op de slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18] , [slachtoffer 4] . Voor het overige laat de advocaat de beoordeling over aan de rechtbank.
De advocaat van de verdachte voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Inleiding
Op 19 november 2020 komt er een melding binnen bij de politie dat er mogelijke oplichtingspraktijken zouden plaatsvinden in kamer [nummer] van het [hotel] in [plaats 2] . Een medewerker van dit hotel had gehoord dat een persoon in deze kamer zich aan de telefoon voorstelde als een medewerker van de ING bank. De politie komt ter plaatse en treft in de hotelkamer de verdachte aan samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Er worden meerdere gegevensdragers bij de verdachten in beslag genomen en deze worden onderzocht. Op basis van dit onderzoek worden door de politie meerdere aangiftes van marktplaats- en bankhelpdeskfraude gelinkt aan deze verdachten. Deze aangevers verklaren dat zij iets te koop aanboden op Marktplaats en dat er door personen die zich voordeden als bonafide koper (hierna telkens te noemen vermeende koper) contact werd gezocht via Whatsapp. Er werd een prijs overeengekomen en hierna werd door de vermeende verkoper een link gestuurd. Vaak was dit een zogenaamde Marktplaats-verificatielink. Aangevers klikte op deze link en logde hierop in op bun bankomgeving. Achteraf bleek dat een phishinglink was gestuurd waarmee persoonlijke bankgegevens werden verkregen. Met die gegevens werden vervolgens, zonder toestemming van de aangevers, handelingen verricht op hun bankrekening. Sommige aangevers werden daarna nog gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van de bank. Die gaf aan dat de rekening was gehackt en dat het geld op de rekening veiliggesteld moest worden naar een veilige rekening. Vervolgens werd door aangevers geld overgemaakt naar deze zogenaamde veilige rekeningen.
De beschuldiging is dat de verdachte hier een aandeel in heeft gehad en zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan (poging) oplichting, computervredebreuk en diefstal door valselijk verkregen inloggegevens. Daarnaast is er op naam van aangever [slachtoffer 4] een telefoonabonnement afgesloten. De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij dit samen met anderen heeft gedaan en hierbij misbruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van [slachtoffer 4] .
De gegevensdragers van de verdachte waar onderzoek in is gedaan, zijn een iPhone X, een iPhone 11 en een Acer laptop. De verdachte heeft verklaard dat deze gegevensdragers van hem zijn. Aan de iPhone X zijn de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] gekoppeld. De iPhone 11 stond op fabrieksinstellingen en in de telefoon zat een simkaart met eigennummer registratie met het nummer [telefoonnummer 3] .
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (het medeplegen van poging oplichting van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) en feit 3 (het medeplegen van oplichting van aangever [slachtoffer 3] ) niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank komt tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van feit 2 (het meermalen medeplegen van computervredebreuk), een gedeeltelijke bewezenverklaring van feit 4 (het meermalen medeplegen van diefstal doormiddel van valse sleutel) en een bewezenverklaring feit 5 (misbruik identificerende persoonsgegevens). De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.3.2.
Vrijspraak feiten 1 en 3
Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – feit 1
Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn naar aanleiding van een advertentie op Marktplaats benaderd door een vermeende koper. Hierna werd aan deze aangevers een phishinglink gestuurd en werden er, zonder toestemming van de aangevers, handelingen verricht op hun bankrekening. Dit gebeurde op 19 november 2020. Dit is dezelfde dag dat de verdachte samen met de medeverdachten werd aangetroffen in de hotelkamer van het [hotel] . De verdachte wordt onder feit 1 ervan beschuldigd dat hij samen met anderen heeft geprobeerd aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op te lichten.
De verdachte heeft zelf verklaard dat hij op 19 november 2020 samen met anderen op die hotelkamer was om mensen op te lichten. Zij waren op 18 november 2020 al naar het hotel gegaan. De taak van de verdachte was dat hij op Marktplaats.nl op zoek moest gaan naar telefoonnummers van personen die iets te koop aanboden. Een ander zou vervolgens naar die personen gaan bellen en zou zich voordoen als een medewerker van de bank. De verdachte moest zijn laptop meenemen omdat hier programma’s op stonden waarmee fraude kon worden gepleegd. De verdachte heeft verklaard dat ze ongeveer 4 of 5 mensen hebben benaderd die dag.
De rechtbank kan op basis van deze verklaring vaststellen dat de verdachte zich op 19 november 2020 samen met anderen heeft bezig gehouden met oplichting. Dit is echter niet voldoende om te kunnen vaststellen dat de verdachte specifiek deze aangevers samen met anderen heeft opgelicht. De rechtbank moet beoordelen of er bewijs is dat de verdachte bij de poging oplichting ten aanzien van deze specifieke aangevers ook daadwerkelijk een rol heeft gehad.
De politie heeft onderzoek gedaan naar de inhoud van de iPhone X die bij de verdachte in beslag is genomen. In deze telefoon is een foto gevonden die de vermeende koper als Whatsapp profielfoto gebruikte in zijn contact met aangever [slachtoffer 1] . De vondst van deze foto op zichzelf is onvoldoende om vast te stellen of en wat voor een rol de verdachte zou hebben gehad bij de poging tot oplichting van [slachtoffer 1] . Het dossier bevat verder geen ander bewijs waaruit deze rol zou kunnen blijken. Ten aanzien van aangever [slachtoffer 2] bevat het dossier helemaal geen aanknopingspunten dat de verdachte een bijdrage zou hebben geleverd aan de poging tot oplichting van [slachtoffer 2] .
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat deze aangevers zijn benaderd door de verdachten die zich op 19 november 2020 in de hotelkamer van het [hotel] in [plaats 2] bevonden.
De rechtbank acht feit 1 dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
Vrijspraak aangever [slachtoffer 3] – feit 3
Op de bij de verdachte in beslag genomen iPhone X is een Whatsappgesprek gevonden waarin een foto van de identiteitskaart van aangever [slachtoffer 3] werd gedeeld. De herkomst van de foto komt niet uit het dossier naar voren. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen of, wanneer en hoe de foto door de verdachte is verstuurd of ontvangen. Omdat dergelijke onmisbare informatie zich niet in het dossier bevindt, kan de rechtbank op basis van alleen de aanwezigheid van de foto op de telefoon niet vaststellen of de verdachte een rol heeft gehad bij de beschuldiging ten aanzien van aangever [slachtoffer 3] , welke rol dat zou zijn geweest en of er sprake was van een (nauwe en bewuste) samenwerking met anderen. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de beschuldiging onder feit 3.
3.3.3.
Bewijsmiddelen feiten 2, 4 en 5
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
3.3.4.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de feiten 2, 4 en 5. De rechtbank zal de verdachte ten aanzien van een aantal in de feiten 2 en 4 genoemde slachtoffers partieel vrijspreken. De rechtbank zal hierna per aangever bespreken wat zij bewezen acht.
Bewezenverklaring [slachtoffer 6] - feit 2 en feit 4
Aangever [slachtoffer 6] wordt op 15 november 2020 naar aanleiding van een verkoop advertentie op Marktplaats.nl benaderd door een potentiële koper. De koper stuurt op 17 november 2020 een link om zogenaamd de identiteit van aangever te controleren. Op die link moet aangever inloggen bij de Rabobank en € 0,01 betalen. Hierna worden er zonder toestemming en medeweten van aangever meerdere betalingen gedaan met zijn rekening. Er wordt onder andere een bestelling gedaan bij [website] en bij [winkelnaam 2] .
Het nummer waarmee de vermeende koper contact opnam met aangever was [telefoonnummer 3] . Uit onderzoek naar de iPhone 11 van de verdachte blijkt dat de simkaart in het toestel een eigennummer registratie had met dit telefoonnummer. De telefoon zelf stond op fabrieksinstellingen. De verdachte heeft verklaard dat hij de simkaart van iemand had gekregen.
Op de iPhone X van de verdachte wordt een chat van 15 tot en met 17 november 2020 aangetroffen tussen het nummer van de iPhone, [telefoonnummer 2] , en een ander waarin uitgebreid wordt gesproken over de op dat moment bezig zijnde oplichting van aangever [slachtoffer 6] . Er wordt gesproken over een ‘ [..] ’ en over het inloggen op een phishingpanel. Er wordt gesproken over een bestelling die wordt gedaan met hetzelfde ordernummer als de bestelling die gedaan is met de rekening van [slachtoffer 6] . Een foto van de identiteitskaart en van het internetbankieren van [slachtoffer 6] worden gedeeld. In deze chat wordt door de gebruiker van de iPhone X de andere persoon op de hoogte gehouden van het contact met aangever en de feiten die tegen hem worden gepleegd. Zoals hierboven al benoemd heeft de verdachte verklaard dat de iPhone X van hem was. De rechtbank stelt dan ook vast dat het de verdachte is geweest die vanaf de iPhone X heeft gechat. Er wordt door de verdachte informatie verstuurd die alleen de persoon kan weten die op dat moment in contact stond met aangever. Zo wordt door de verdachte gechat dat hij de bestellingen heeft gedaan, er wordt gesproken over wat de verdachte tegen aangever moet zeggen en er worden telkens foto’s gestuurd van de bankomgeving waarop recente transacties worden gedeeld.
Op basis van deze chats stelt de rechtbank vast dat de verdachte de persoon is geweest die contact heeft opgenomen met aangever, de link heeft gestuurd, vervolgens in de onlineomgeving van de rekening van aangever heeft ingelogd en betalingen heeft verricht. Dat het telefoonnummer [telefoonnummer 3] niet door de verdachte is gebruikt, is naar oordeel van de rechtbank dan ook niet geloofwaardig. De rechtbank acht feit 2 en feit 4 ten aanzien van aangever [slachtoffer 6] wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [slachtoffer 20] en [slachtoffer 19] – feit 2 en feit 4
Aangevers [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 6] en [slachtoffer 20] zijn allen naar aanleiding van een Marktplaatsadvertentie benaderd door een vermeende koper met nummer [telefoonnummer 1] . Dit nummer was gekoppeld aan de iPhone X van de verdachte en de verdachte was de gebruiker deze telefoon. Op de iPhone X zijn de chats aangetroffen tussen aangevers en de verdachte waarin werd gesproken over de marktplaatsadvertentie en de phishinglink is gestuurd waarmee toegang tot de rekening van aangevers werd verkregen. Hierna zijn zonder toestemming en zonder medeweten van de aangevers betalingen verricht met hun rekeningen. Op basis hiervan acht de rechtbank feit 2 en feit 4 wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van deze aangevers.
Aangever [naam 5] noemt in de aangifte niet met welk telefoonnummer hij wordt benaderd door de vermeende koper. Op de iPhone X van de verdachte is wel een chat aangetroffen tussen de verdachte en aangever [naam 5] naar aanleiding van de Marktplaatsadvertentie. Op basis hiervan acht de rechtbank ook bewezen dat de verdachte de persoon is geweest die contact heeft opgenomen met aangever [naam 5] en de phishinglink heeft verstuurd, waarna vervolgens betalingen werden verricht met de rekening. De rechtbank acht feit 2 en feit 4 wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van deze aangever.
Aangever [slachtoffer 19] is door een vermeende koper benaderd met telefoonnummer [telefoonnummer 3] en vervolgens door een zogenaamde bankmedewerker met telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Zoals hierboven al overwogen waren deze telefoonnummers in gebruik bij de verdachte. Op basis hiervan acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de persoon is geweest die contact heeft gezocht met deze aangever en de phishinglink heeft verstuurd. Hierna zijn zonder toestemming en zonder medeweten van de aangever betalingen verricht met diens rekeningen. Op basis hiervan acht de rechtbank feit 2 en feit 4 wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van deze aangever.
Bewezenverklaring [slachtoffer 9] – feit 2 en feit 4
Aangever [slachtoffer 9] heeft een phishinglink ontvangen en vervolgens zijn op 14 september 2020 handelingen verricht op zijn Rabobank rekening. Deze handelingen zijn verricht vanaf het IP-adres [IP-adres] . Dit IP-adres staat op 14 september 2020 geregistreerd op het adres waar de verdachte destijds stond ingeschreven. Met de rekening van aangever zijn onder andere een bestelling bij de [winkelnaam 1] betaald voor een paar Alexander Mc. Queen schoenen in maat 42. Bij de aanhouding van de verdachte op 19 november 2020 droeg hij eenzelfde soort schoenen. Op de iPhone X van de verdachte wordt ook een retourformulier van de [winkelnaam 1] gevonden voor deze schoenen. Op basis van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de persoon is geweest die onrechtmatig de bankomgeving van aangever [slachtoffer 9] is binnengedrongen en betalingen heeft verricht. Hiermee is feit 2 en feit 4 ten aanzien van aangever [slachtoffer 9] wettig en overtuigend bewezen.
Medeplegen
De geschetste werkwijze impliceert een zekere mate van organisatie, structuur en taakverdeling. Verschillende verdachten verrichten verschillende handelingen, die elkaar opvolgen of simultaan plaatsvinden en die moeten zijn afgestemd om het gemeenschappelijke doel te bereiken. De hierboven beschreven samenwerking vereist een nauwe en bewuste samenwerking en ieder van de personen die daaraan meedoet vormt op eigen wijze een belangrijke schakel daarin. Het kan daarnaast ook niet anders dan dat degenen die daar aan meedoen weten waar ze mee bezig zijn en op de hoogte zijn van de oplichting, computervredebreuk en diefstal met valse sleutel. Nu kan worden vastgesteld dat verdachte (met betrekking tot de genoemde aangevers) de hiervoor beschreven rol heeft gespeeld in dit samenwerkingsverband, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen.
Aangever [slachtoffer 4] – vrijspraak feit 2 en feit 4, bewezenverklaring feit 5
Aangever [slachtoffer 4] is naar aanleiding van een verkoop advertentie op Marktplaats.nl benaderd door een potentiële koper. De koper heeft aan aangever gevraagd om een foto van zijn paspoort te sturen en via een link zijn gegevens in te vullen zodat een betaling kon worden gemaakt. Hierna zijn, zonder medeweten van aangever, meerdere betalingen gedaan met zijn rekening en is een abonnement afgesloten bij T-Mobile met telefoonnummer [telefoonnummer 4] .
Op de iPhone X van de verdachte is een foto van het paspoort van [slachtoffer 4] aangetroffen. Ook zijn chats aangetroffen tussen de telefoon van de verdachte en het telefoonnummer dat is gebruikt om aangever te benaderen. Daarnaast worden meerdere e-mails aangetroffen van een bestelling bij Belsimpel.nl en T-Mobile. De e-mails zijn ontvangen door het e-mailadres [e-mailadres] , welk mailadres als AppleID was gekoppeld aan de iPhone X van de verdachte. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de verdachte de gebruiker was van dit e-mailadres. In de e-mailberichten is gesproken over een bestelling bij Belsimpel.nl en een abonnement met telefoonnummer [telefoonnummer 4] op naam van [slachtoffer 4] . In een e-mail van 1 november 2020 van T-Mobile is te lezen dat het abonnement met dit nummer is aangepast in de T-Mobile app.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte de persoon is geweest die contact heeft gehad met aangever naar aanleiding van de Marktplaatsadvertentie en hem de phishinglink heeft gestuurd. Dat op de telefoon van de verdachte chats zijn aangetroffen met het telefoonnummer dat de vermeende koper gebruikte, duidt erop dat dit een ander dan de verdachte is geweest. De rechtbank kan ook niet vaststellen dat de verdachte de persoon is geweest die handelingen op de rekening van aangever heeft verricht en de betalingen heeft gedaan. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de beschuldiging onder feit 2 (computervredebreuk) en feit 4 (diefstal valse sleutel).
De rechtbank kan wel vaststellen dat met het e-mailadres dat in gebruik was bij de verdachte een abonnement is afgesloten bij T-Mobile op naam van aangever [slachtoffer 4] . Op basis hiervan acht de rechtbank bewezen dat het de verdachte is geweest die dit abonnement heeft afgesloten en daarbij opzettelijk en wederrechtelijk de identificerende gegevens van aangever [slachtoffer 4] heeft gebruikt. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 5.
De rechtbank kan niet vaststellen dat iemand anders betrokken was bij het afsluiten van het abonnement. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het medeplegen van feit 5.
Vrijspraak aangevers [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] – feit 2 en feit 4
Onder feit 2 en feit 4 wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij samen met anderen computervredebreuk heeft gepleegd door in het bankaccount van deze aangevers binnen te dringen en dat zij vervolgens geld hebben gestolen met het onrechtmatig gebruik van deze inlog. Zoals hierboven besproken in paragraaf 3.3.2 kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte een rol heeft gehad ten aanzien van de (poging) oplichting van deze aangevers. De rechtbank kan dit ook niet vaststellen voor de computervredebreuk en diefstal met valse sleutel. De rechtbank zal de verdachte daarom ook vrijspreken van de beschuldiging onder feit 2 ten aanzien van deze aangevers en feit 4 ten aanzien van aangever [slachtoffer 3] .
Vrijspraak aangever [slachtoffer 5] – feit 2
Uit onderzoek naar de iPhone X van de verdachte blijkt dat deze telefoon contact heeft gehad met het telefoonnummer waarmee aangever [slachtoffer 5] zou zijn benaderd door een vermeende koper. Dit enkele gegeven is onvoldoende om vast te stellen welke betrokkenheid de verdachte heeft gehad bij de computervredebreuk. Het dossier bevat verder geen bewijs waaruit deze rol zou kunnen blijken. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van feit 2 ten aanzien van deze aangever.
Vrijspraak aangever [slachtoffer 7] – feit 2 en feit 4
Op de iPhone X van de verdachte is een screenshot gevonden waarop de bankomgeving van aangever [slachtoffer 7] te zien is. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen of en wanneer de foto door de verdachte is gemaakt en/of verstuurd of dat de verdachte deze juist heeft ontvangen (en dan van wie, wanneer en hoe).
De rechtbank kan op basis van deze summiere informatie niet vaststellen dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de computervredebreuk en de diefstal met valse sleutel in de zaak van aangever [slachtoffer 7] . De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de beschuldiging onder feit 2 en feit 4 ten aanzien van deze aangever.
Vrijspraak aangevers [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18] – feit 2 en feit 4
Uit onderzoek naar de Acer Laptop van de verdachte blijkt dat op de websites die als phishinglink naar deze aangevers zijn gestuurd door de laptop als ‘ [.] ’ is ingelogd voordat de aangevers deze link ontvingen. Op basis hiervan kan de rechtbank alleen vaststellen dat de laptop van de verdachte deze phishinglinks op enig moment heeft bezocht. Het kan niet worden vastgesteld welke waarde hieraan moet worden gehecht in het licht van de beschuldiging ten aanzien van deze aangevers.
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als (mede)pleger een aandeel heeft gehad in de computervredebreuk en de diefstal met valse sleutel ten aanzien van deze slachtoffers. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de beschuldiging onder feit 2 en feit 4 ten aanzien van dit slachtoffer.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 2
in de periode van 14 september 2020 tot en met 16 november 2020 in Nederland,
meermalen telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en wederrechtelijk in een geautomatiseerde werken, te weten computersystemen en servers van de Rabobank en de Triodos Bank en de ING Bank bevattende accounts van klanten van voornoemde banken, is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel en door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten door het inloggen met onrechtmatig verkregen inlognamen en wachtwoorden en/of andere inloggegevens van accounthouders van voornoemde banken, te weten van
- [slachtoffer 6] (zaak 4) en
- [naam 2] (zaak 5), en
- [naam 3] (zaak 6) en
- [naam 4] (zaak 8) en
- [naam 5] en/of [naam 8] (zaak 10) en
- [naam 6] (zaak 11), en
- [slachtoffer 9] (zaak 18) en
- [slachtoffer 20] (zaak 19) en
- [slachtoffer 19] (zaak 22);
feit 4
in de periode van 14 september 2020 tot en met 16 november 2020 in Nederland,
meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, welke geldbedragen toebehoorden aan rekeninghouders van de Rabobank en de Triodos Bank en de ING Bank, te weten
- [slachtoffer 6] (zaak 4) (€ 1.214,54), en
- [naam 3] (zaak 6) (€ 1.946,98), en
- [naam 4] (zaak 8) (€ 739,-), en
- [naam 5] en/of [naam 8] (zaak 10) (€ 1.893,39), en
- [slachtoffer 9] (zaak 18) (€ 425,- en € 376,95), en
- [slachtoffer 20] (zaak 19) (€ 119,67), en
- [slachtoffer 19] (zaak 22) (€ 4.890,-),
waarbij hij, verdachte, en zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder hun bereik
hebben gebracht door middel van valse sleutels,
te weten onrechtmatig verkregen gebruikersnamen en wachtwoorden en inloggegevens voor het inloggen op internetbankieren en het autoriseren van een overboeking, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en zijn mededader(s) niet gerechtigd waren;
feit 5
op of omstreeks 30 oktober 2020 te in Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk
identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een
ander, te weten [slachtoffer 4] (zaak 15), heeft gebruikt door een telefoonabonnement op naam
van voornoemde [slachtoffer 4] af te sluiten bij T-Mobile,
met het oogmerk om de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
KwalificatieDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 2:
medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;
feit 4:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;
feit 5:
opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan.
4.2
Strafbaarheid feiten en verdachteDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de verdachte volgens het jeugdstrafrecht moet worden berecht en eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 112 dagen, met aftrek van het voorarrest.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte zwakbegaafd is en functioneert op het niveau van een minderjarige. De advocaat verzoekt de rechtbank om daar rekening mee te houden bij het opleggen van de straf. De verdachte woont sinds kort zelfstandig en bij detentie zou hij zijn woning kwijtraken. Er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn met ruim 3 jaar. De advocaat verzoekt de rechtbank om de eis van de officier van justitie te volgen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal aan de verdachte een jeugddetentie van 90 dagen met aftrek van het voorarrest opleggen. Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting, computervredebreuk en diefstal met valse sleutel van in totaal negen slachtoffers. Via Marktplaats.nl heeft de verdachte op advertenties gereageerd dat hij de aangeboden spullen wilde kopen. Vervolgens heeft hij op een listige manier de slachtoffers bewogen om op een phishinglink te klikken en in te loggen in hun bankomgeving. Deze gegevens werden vervolgens gebruikt om onrechtmatige toegang te krijgen tot de rekening van de aangevers en geld van hun rekening af te halen. Vervolgens werden sommige aangevers gebeld door een zogenaamde medewerker van de bank, die probeerde om nog meer geld afhandig te maken. Dit alles om maar één ding te bereiken: zoveel mogelijk geld verdienen. Daarnaast heeft de verdachte misbruik gemaakt van de identificerende persoonsgegevens van een slachtoffer door een telefoonabonnement met een dure telefoon op zijn naam af te sluiten. Door zo te handelen heeft de verdachte ook een dure telefoon in zijn bezit gekregen, zonder voor de kosten op te draaien. Op een brutale en doortrapte manier heeft de verdachte de slachtoffers veel schade toegebracht.
Jeugdstrafrecht en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 13 oktober 2025 blijkt dat hij meermaals eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit neemt de rechtbank mee in strafverzwarende zin.
De rechtbank heeft daarnaast meerdere rapporten gelezen die over de verdachte zijn geschreven. In het rapport van 26 februari 2021 van GZ psycholoog en Kinder- en Jeugdpsycholoog [naam 14] leest de rechtbank dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid. De sociaal-emotionele ontwikkeling van de verdachte verloopt vertraagd en daarnaast zijn de coping vaardigheden van de verdachte ontoereikend. Dit was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten ook het geval. Deze gebrekkige ontwikkeling in de geestvermogens van de verdachte beïnvloedde de gedragskeuzes van de verdachte niet. De verdachte was in staat om het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien. Bij de bewezenverklaarde feiten heeft de verdachte laten zien dat hij voldoende keuzevrijheid had. Hij heeft hierbij een afweging gemaakt in de periode van een maand en heeft uiteindelijk vanuit egocentrisch perspectief gekozen voor het medeplegen van de oplichting, zodat hij zijn schulden kon aflossen en met ‘een schone lei’ verder kon. De psycholoog schat het recidiverisico in als matig tot hoog zolang er geen passende individuele hulpverlening komt en de verdachte geen afstand neemt tot zijn huidige sociale netwerk.
De psycholoog adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte functioneert op een verstandelijk beperkt niveau en komt jonger over dan zijn kalenderleeftijd. Hij handelt op sommige momenten zonder (goed) na te denken over de consequenties. De verdachte neemt daarnaast nog actief deel aan het gezin en een pedagogische aanpak lijkt nog mogelijk en wenselijk. Er zijn daarnaast geen contra-indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht.
In het rapport van de reclassering van 4 november 2025 leest de rechtbank dat het sociale netwerk, het psychosociaal functioneren en de financiën van de verdachte een rol lijken te hebben gespeeld bij de bewezenverklaarde feiten. De verdachte houdt van een dure leefstijl en dit maakt hem kwetsbaar voor negatieve invloeden vanuit een sociaal netwerk om snel geld te verdienen. In de afgelopen jaren zijn er diverse interventies ingezet op risicobeheersing en gedragsverandering, maar dit heeft niet tot het gewenste effect geleid. De motivatie van de verdachte om te werken aan gedragsverandering en een stabiel en delictvrij bestaan lijkt minimaal aanwezig te zijn. Er zijn daardoor nog altijd zorgen om de beïnvloedbaarheid van de verdachte en hiermee de kans op nieuw delict gedrag. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Ondanks deze zorgen, ziet de reclassering geen mogelijkheden meer voor interventies in een gedwongen kader en adviseert een straf zonder bijzonere voorwaarden. De reclassering adviseert ook om het jeugdstrafrecht toe te passen.
De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de deskundigen over. Dit betekent dat de rechtbank het jeugdstrafrecht zal toepassen.
De straf
De rechtbank is op grond van de hiervoor besproken ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte van oordeel dat aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank acht het vanuit het oogpunt van zowel speciale als generale preventie van groot belang dat in de strafoplegging tot uiting komt dat misdrijven als deze niet lonen en niet ongestraft blijven. Hoewel de rechtbank minder strafbare feiten bewezen acht dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 120 dagen voor deze feiten in beginsel passend is.
Bij de strafvervolging is de redelijke termijn overschreden. Het uitgangspunt is een redelijke termijn van twee jaar waarbinnen een eindvonnis wordt uitgesproken. Deze termijn is in deze zaak gaan lopen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld op 20 november 2020. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer drie jaar is overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding rechtvaardigen. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit, mede gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en de overige persoonlijke omstandigheden die hebben geleid tot toepassing van het jeugdstrafrecht, in dit geval moet leiden tot een aanzienlijke matiging van de op te leggen straf.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte op een jeugddetentie van 90 dagen op, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partijen
Verschillende personen en instanties hebben zich gesteld als benadeelde partij. De benadeelde partijen vorderen de volgende bedragen:
Benadeelde partij
Materieel
Immaterieel
Proceskosten
[slachtoffer 4]
€ 250,-
€ 1.000,-
[slachtoffer 20]
€ 2.304,-
ABN AMRO Bank N.V.
€ 9.000,-
€ 120,-
Coöperatieve Rabobank U.A.
€ 15.669,29
ING Bank N.V.
€ 7.058,76
Triodos Bank N.V.
€ 3.504,04
De banken vorderen telkens schade voor het bedrag dat zij aan hun klanten die slachtoffer zijn geworden van oplichting uit coulance hebben vergoed en eventueel gemaakte onderzoekskosten.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de Rabobank kan worden toegewezen tot een bedrag van € 13.223,79. De vordering van de ING kan worden toegewezen tot een bedrag van € 12.443,49. De vordering van de Triodosbank kan volledig worden toegewezen voor een bedrag van € 3.504,04.
De vordering van [slachtoffer 4] is onvoldoende onderbouwd en moet niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering van de ABN AMRO ziet op vergoeding van schade aan personen die geen slachtoffer zijn in de zaak van de verdachte en moet daarom worden afgewezen.
Over de vordering van [slachtoffer 20] heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte stelt zich primair op het standpunt dat de vorderingen van de banken niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de banken niet zelf slachtoffer zijn en er dus geen sprake is van rechtstreekse schade.
Voor zover de advocaat vrijspraak heeft bepleit, verzoekt de advocaat om de benadeelde partijen (de banken en slachtoffers zelf) niet-ontvankelijk te verklaren. Verder neemt de advocaat nog de volgende standpunten in.
De ABN AMRO moet niet ontvankelijk worden verklaard omdat de gevorderde schade ziet op een persoon die geen slachtoffer is in de zaak van de verdachte.
De vordering van de ING kan worden toegewezen voor zover de schade ziet op de slachtoffers [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] .
De door de Rabobank gevorderde onderzoekskosten zijn geen rechtstreekse schade en moeten niet-ontvankelijk worden verklaard.
De beoordeling van de vordering van de Triodosbank laat de advocaat over aan de rechtbank.
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] is onvoldoende onderbouwd en moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De advocaat verzoekt de rechtbank om de schade hoofdelijk toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen bij de banken.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Rechtstreekse schade
De advocaat van de verdachte heeft betwist dat er ten aanzien van de vorderingen van de banken sprake is van rechtstreekse schade aangezien de banken niet zelf slachtoffer zijn van de diefstal met valse sleutel en een vrijwillige coulancevergoeding niet heeft te gelden als rechtstreekse schade. Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat schade die banken vorderen voor het uitkeren van een coulancevergoeding aangemerkt kan worden als rechtstreekse schade van diefstal met valse sleutel, omdat tussen het handelen van de verdachte en de gevorderde schadevergoeding voldoende verband bestaat. De schade blijkt uit de inhoud van het dossier, meer in het bijzonder uit de aangiftes en de bankafschriften waaruit blijkt dat de banken de betreffende slachtoffers daadwerkelijk hebben gecompenseerd. De rechtbank zal hierna verder ingaan op de specifieke door de banken gevorderde kosten.
Benadeelde partij [slachtoffer 4]
Alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. Bij de gevorderde materiële schade is geen sprake van rechtstreekste schade. De schade die de benadeelde partij vordert is door hem geleden doordat er geldbedragen van zijn rekening af zijn gehaald. Voor dit feit wordt de verdachte vrijgesproken. De gestelde schade is niet het rechtstreekse gevolg van de misbruik van de identificerende persoonsgegevens wat de rechtbank wel bewezen acht. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.
De benadeelde partij heeft voorts verzocht om vergoeding van immateriële schade. Op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde partij – voor zover hier relevant – ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Uit de door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gegeven onderbouwing volgt niet zo’n aantasting. De nare gevoelens die het handelen van de verdachte heeft veroorzaakt zijn begrijpelijk, maar zijn niet aan te merken als geestelijk letsel zoals bedoeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uit de onderbouwing van de gestelde immateriële schade blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat de aard en ernst van het misbruik van identificerende persoonsgegevens in deze zaak zodanig is dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor zover die ziet op immateriële schade daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Benadeelde partij [slachtoffer 20]
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van rechtstreekse schade. De benadeelde partij vordert € 2.304,- voor een betaling die hij op 4 oktober 2020 heeft gedaan. In de aangifte van [slachtoffer 20] staat echter dat deze benadeelde partij op 4 november 2020 een bedrag van € 119,67 heeft overgemaakt. De rechtbank kan op basis van de bij de vordering gevoegde stukken niet vaststellen dat het overgemaakte bedrag van € 2.304,- in rechtstreeks verband staat tot de feiten die de verdachte heeft gepleegd. Het bedrag van €119,67 is al door de ING aan de benadeelde partij vergoed. Op dit punt had de benadeelde partij nog nader moeten worden bevraagd of er hadden nog nadere stukken moeten overgelegd. Daar is binnen deze procedure geen tijd meer voor. Dit kan nog wel bij de burgerlijke rechter. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V.
De benadeelde partij vordert vergoeding van de schade die zij aan hun klant [naam 7] heeft vergoed. [naam 7] is geen slachtoffer in de zaak van de verdachte. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade.
Benadeelde partij ING Bank N.V.
De benadeelde partij vordert vergoeding voor schade die zij aan hun klanten [slachtoffer 19] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 20] en [slachtoffer 15] heeft vergoed en voor de gemaakte onderzoekskosten. De onderzoekskosten komen uit op € 96,- per klantdossier.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de beschuldiging ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 15] . De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren voor zover de vordering ziet op de vergoede schade en de onderzoekskosten voor dit slachtoffer. Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 4] wordt de verdachte veroordeeld voor het misbruik van zijn identificerende persoonsgegevens. De schade die de ING heeft vergoed aan het slachtoffer [slachtoffer 4] is geleden door oplichting/diefstal. Deze schade staat niet in rechtstreeks verband tot het feit dat bewezen is verklaard. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren voor zover de vordering ziet op de vergoede schade en de onderzoekskosten voor dit slachtoffer.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring voor diefstal met valse sleutel ten aanzien van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] . De bij deze slachtoffers weggenomen bedragen zijn vervolgens door de ING vergoed. Hierbij heeft de ING ook onderzoekskosten gemaakt. Het gevorderde bedrag is rechtstreekse schade en komt voor vergoeding in aanmerking. De vordering is voldoende onderbouwd. Bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar het overzicht van de geleden schade die de ING bij haar vordering heeft gevoegd. Hieruit blijkt dat de schade van ING bij het slachtoffer [slachtoffer 20] € 119,75 is. Bij het slachtoffer [slachtoffer 19] heeft de ING € 4.984,02 vergoed en is vervolgens € 3.390,- veiliggesteld. De rechtbank stelt het schadebedrag daarom vast op (€ 4.984,02 - € 3.390,- =) € 1.504,02. Daarnaast heeft de ING € 96,- aan onderzoekskosten gemaakt per klantdossier. De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van € 1.815,77.
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Het moment dat de schade is ontstaan stelt de rechtbank in dit geval vast op de datum dat de coulancevergoeding door de ING aan hun benadeelde klanten is betaald te weten € 215,75 vanaf 6 november 2020 en € 1.600,02 vanaf 13 november 2020.
Benadeelde partij Coöperatieve Rabobank U.A.
De benadeelde partij vordert schadevergoeding voor de klanten [slachtoffer 3] , [naam 12] , [slachtoffer 14] , [naam 13] , [onderneming] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 9] / [....] (deze klanten vallen onder aangever [slachtoffer 13] ). De verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging ten aanzien van deze personen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ook in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring voor diefstal met valse sleutel ten aanzien [slachtoffer 6] . Het van dit slachtoffer weggenomen bedrag is vervolgens door de Rabobank vergoed. Hierbij heeft de Rabobank ook onderzoekskosten gemaakt. Het gevorderde bedrag is rechtstreekse schade en komt voor vergoeding in aanmerking. De vordering tot vergoeding materiële schade is ook voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. Dit is een totaal van € 959,- aan schade die door de Rabobank is vergoed en € 120,- aan onderzoekskosten.
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Vast is komen te staan dat de coulancevergoeding op die datum door de Rabobank is betaald.
Benadeelde partij Triodos Bank
De benadeelde partij vordert schadevergoeding voor de klanten [naam 5] en [naam 3] . De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van diefstal met valse sleutel van deze slachtoffers. Het bij dit slachtoffer weggenomen bedrag is vervolgens door de Triodosbank vergoed. Het gevorderde bedrag is rechtstreekse schade en komt voor vergoeding in aanmerking. De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering daarom volledig toe.
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2020 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Vast is komen te staan dat de coulancevergoeding op die datum door de Triodosbank is betaald.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met (een) mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover (een van) de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden.
De benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 20] en ABN AMRO worden niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vorderingen terecht zijn ingediend. De benadeelde partijen moeten daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vorderingen in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
In het geval van de benadeelde partijen ING en de Rabobank moeten beide partijen elk hun eigen kosten betalen, omdat zowel de verdachte als de benadeelde partijen op punten ongelijk hebben gekregen.
Omdat de vordering tot schadevergoeding van de Triodosbank wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Geen schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen. Een rechtspersoon mag in beginsel geacht worden zelf de wegen te kennen om een vordering te incasseren, in tegenstelling tot een natuurlijke persoon. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen
De rechtbank in Den Haag heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09/808418-18 op 28 maart 2019 een jeugddetentie van 75 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank in Amsterdam heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 13/701340-19 op 30 oktober 2019 een jeugddetentie van 20 weken voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering met parketnummer 13/701340-19 gedeeltelijk toewijst voor 90 dagen jeugddetentie en dit omzet in een werkstraf van 180 uur. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
De officier van justitie eist verder dat de rechtbank de vordering met parketnummer 09/808418-18 afwijst omdat het onduidelijk is hoe het zit met de betekening van deze uitspraak en het verloop van de proeftijd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen gelet op het tijdsverloop.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 09/808418-18 en 13/701340-19 afwijzen. Gelet op het tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat het niet langer opportuun is om deze voorwaardelijke straffen alsnog ten uitvoer te leggen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
47, 63, 77c, 77g, 77i, 138ab, 231b en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 3 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2, 4 en 5 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 90 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 4] – feit 2, feit 4 en feit 5
  • verklaart [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 20] – feit 2 en feit 4
  • verklaart [slachtoffer 20] niet ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij ABN AMRO Bank N.V. – feit 4
  • verklaart ABN AMRO Bank N.V. niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij ING Bank N.V. – feit 4
  • wijst de vordering van ING Bank N.V. gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.815,77;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan ING Bank N.V. van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 215,77 met ingang van 6 november 2020 tot de dag van volledige betaling;
- over een bedrag van € 1.600,02 met ingang van 13 november 2020 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan ING Bank N.V. van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • verklaart ING Bank N.V. voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;
  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij Coöperatieve Rabobank U.A. – feit 4
  • wijst de vordering van Coöperatieve Rabobank U.A. gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.079,-;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan Coöperatieve Rabobank U.A. van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan Coöperatieve Rabobank U.A. van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • verklaart Coöperatieve Rabobank U.A. voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;
  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij Triodosbank N.V. – feit 4
  • wijst de vordering van Triodosbank N.V. geheel toe tot een bedrag van € 3.504,04;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan Triodosbank N.V. van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan Triodosbank N.V. van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf 09/808418-18
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf 13/701340-19
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. J.T. Pouw en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.I. van Balkom, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
feit 1
hij, op of omstreeks 19 november 2020 te [plaats 2] , althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
een of meerdere rekeninghouder(s), althans enig persoon handelend namens die
rekeninghouder(s), van de RegioBank en/of de ABN AMRO bank, te weten
- [slachtoffer 1] (zaak 12) en/of
- [slachtoffer 2] (zaak 21)
te bewegen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en), althans (enig) goed(eren),
door
- zich telefonisch onder valse naam voor te doen als bankmedewerker van de SNS
RegioBank en/of de ABN AMRO bank, en/of
- voornoemde rekeninghouder(s) te vertellen dat een verdachte transactie is
geconstateerd en/of voornoemde rekeninghouder(s) ervan te overtuigen dat een
geldbedrag naar een veiligheidsrekening moet worden overgemaakt teneinde dit
geldbedrag veilig te stellen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij, in of omstreeks de periode van 20 juni 2020 tot en met 19 november 2020 te
[plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
(tekens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) (een) geautomatiseerd(e) werk(en), te
weten computersyste(e)m(en) en/of de server(s) van de Rabobank en/of de Triodos Bank
en/of de RegioBank en/of de ING Bank en/of de ABN AMRO Bank en/of de ASN
Bank bevattende (een) account(s) van (klanten van) voornoemde bank(en), is/zijn
binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en/of door een technische
ingreep en/of met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of door het aannemen
van een valse hoedanigheid
te weten door het inloggen met (een) onrechtmatig verkregen inlogna(a)m(en) en/of
wachtwoord(en) en/of andere (inlog)gegevens van (een) accounthouder(s) van
voornoemde bank(en), te weten van
- [slachtoffer 3] (zaak 3) en/of
- [slachtoffer 6] (zaak 4) en/of
- [naam 2] (zaak 5), en/of
- [naam 3] (zaak 6) en/of
- [naam 4] (zaak 8) en/of
- [slachtoffer 5] (zaak 9), en/of
- [naam 5] en/of [naam 8] (zaak 10) en/of
- [naam 6] (zaak 11), en/of
- [slachtoffer 1] (zaak 12) en/of
- [slachtoffer 4] (zaak 15) en/of
- [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (zaak 16) en/of
- [slachtoffer 9] (zaak 18) en/of
- [slachtoffer 20] (zaak 19) en/of
- [slachtoffer 2] (zaak 21) en/of
- [slachtoffer 19] (zaak 22) en/of
- [slachtoffer 10] (zaak 24) en/of
- [slachtoffer 11] (zaak 25) en/of
- [slachtoffer 12] (zaak 26) en/of
- [slachtoffer 13] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 11]
(zaak 27) en/of
- [slachtoffer 14] en/of [naam 12] (zaak 28) en/of
- [slachtoffer 15] (zaak 29) en/of
- [slachtoffer 16] (zaak 30) en/of
- [slachtoffer 17] (zaak 31) en/of
- [slachtoffer 18] (zaak 32);
feit 3
hij, in of omstreeks de periode van 15 november 2020 tot en met 16 november 2020 te
[plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het
aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
een rekeninghouder van de Rabobank, te weten [slachtoffer 3] (zaak 3), heeft bewogen
tot afgifte van (een) geldbedrag(en) (te weten € 4.700,- en/of € 4.300,-), althans (enig)
goed(eren) en/of het ter beschikking stellen van inloggegevens voor internetbankieren,
door
- zich onder valse naam telefonisch voor te doen als medewerker van de
fraudedesk van de Rabobank, en/of
- voornoemde [slachtoffer 3] mee te delen dat er een vreemde transactie was ontdekt
op zijn bankrekeningnummer en/of dat er geld van zijn bankrekening naar een
buitenlandse bankrekening was overgeschreven en/of dat hij slachtoffer was
geworden van oplichting, en/of
- voornoemde [slachtoffer 3] ervan te overtuigen dat hij zijn geld veilig moest stellen
en/of over moest maken naar een (zogenaamde) veilige rekening,
waardoor voornoemde [slachtoffer 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);
feit 4
hij, in of omstreeks de periode van 21 juni 2020 tot en met 16 november 2020 te
[plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
een of meer geldbedrag(en) (hieronder nevengenoemd), welk(e) geldbedrag(en) geheel of
ten dele toebehoorde(n) aan (een) rekeninghouder(s) van de Rabobank en/of de Triodos
Bank en/of de ING Bank en/of de ASN Bank en/of de ABN AMRO bank, te weten
- [slachtoffer 3] (zaak 3) (€ 859,- en/of € 15,-), en/of
- [slachtoffer 6] (zaak 4) (€ 959,-), en/of
- [naam 3] (zaak 6) (€ 1.847,02), en/of
- [naam 4] (zaak 8) (€ 739,-), en/of
- [naam 5] en/of [naam 8] (zaak 10) (€ 2.000,-), en/of
- [slachtoffer 4] (zaak 15) (€ 52,49 en/of € 4,94 en/of € 4,95), en/of
- [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] (zaak 16) (€ 429,- en/of € 349,-), en/of
- [slachtoffer 9] (zaak 18) (€ 425,- en € 376,95), en/of
- [slachtoffer 20] (zaak 19) (€ 119,67), en/of
- [slachtoffer 19] (zaak 22) (€ 4.890,-), en/of
- [slachtoffer 10] (zaak 24) (€ 20,-), en/of
- [slachtoffer 11] (zaak 25) (€ 200,08 en/of € 200,08 en/of € 600,-), en/of
- [slachtoffer 13] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 11]
(zaak 27) (€ 1.325,- en/of € 971,- en/of € 45,-), en/of
- [slachtoffer 14] en/of [naam 12] (zaak 28) (€ 250,- en/of € 100,-), en/of
- [slachtoffer 15] (zaak 29) (€ 1.600,-), en/of
- [slachtoffer 17] (zaak 31) (€ 102,49), en/of
- [slachtoffer 18] (zaak 32) (€ 809,37 en/of € 1.323,-),
althans een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij
hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s),
te weten onrechtmatig verkregen gebruikersna(a)m(en) en/of wachtwoord(en) en/of
autorisatiecode(s) en/of inlog(gegevens) voor het inloggen op internetbankieren en/of het
autoriseren van een overboeking,
in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn
mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
feit 5
hij, op of omstreeks 30 oktober 2020 te [plaats 3] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
opzettelijk en wederrechtelijk
identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een
ander te weten [slachtoffer 4] (zaak 15) heeft gebruikt door een telefoonabonnement op naam
van voornoemde [slachtoffer 4] af te sluiten bij T-Mobile,
met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen
en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.