Eiser verzocht het college om handhaving van erfpachtvoorwaarden en de gemeentelijke parkeernorm, omdat bewoners parkeerplaatsen op eigen terrein niet gebruiken, wat volgens eiser leidt tot parkeerdruk in de openbare ruimte. Het college wees deze verzoeken af, stellende dat erfpachtvoorwaarden een civielrechtelijke aangelegenheid zijn en de parkeersituatie na vergunningverlening kan wijzigen.
Eiser stelde het college in gebreke wegens niet tijdig beslissen op het tweede handhavingsverzoek. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet tijdig beslissen terecht was ingesteld, maar na het besluit van het college op 29 oktober 2024 geen procesbelang meer bestond, waardoor dit beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Wel werd een dwangsom van €1.442,- toegekend wegens overschrijding beslistermijn.
De rechtbank overwoog dat de parkeernorm onderdeel is van beleidsregels en planregels die niet zelfstandig handhaafbaar zijn tegenover burgers. Ook is een erfpachtovereenkomst een civielrechtelijke overeenkomst, waardoor bestuursrechtelijke handhaving niet mogelijk is. De beroepen tegen de afwijzing van de handhavingsverzoeken zijn daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter Visser op 15 december 2025.