ECLI:NL:RBMNE:2025:6683

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
SBR 25/1529
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep tegen stopzetting WIA-uitkering

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een verzoek tot vergoeding van proceskosten door verzoekster, die bezwaar maakte tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering per 29 november 2023 te beëindigen.

Na een bezwaarprocedure en een tussenuitspraak heeft het UWV het besluit aangepast en de uitkering ongewijzigd voortgezet, waarna verzoekster haar beroep introk en vergoeding van proceskosten vorderde.

De rechtbank stelt de proceskosten vast op €1.814,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, bestaande uit kosten voor het indienen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting. Daarnaast moet het UWV het griffierecht van €53,- vergoeden.

De uitspraak is gedaan zonder zitting, op basis van de ingediende stukken, en het UWV is veroordeeld tot betaling van de genoemde bedragen aan verzoekster.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €1.814,- aan proceskosten en €53,- aan griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1529

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

(gemachtigden: mr. P.A.M. Staal)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Deze zaak gaat over het besluit van het Uwv van 28 september 2023. In deze beslissing liet het Uwv aan verzoekster weten dat haar WIA-uitkering met ingang van
29 november 2023 stopt. Tegen dit besluit is door verzoekster bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 14 januari 2025 is het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft verzoekster beroep ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 13 juni 2025. In de tussenuitspraak van 25 juli 2025 is het Uwv in de gelegenheid gesteld om geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
4. Op 19 september 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen. Het Uwv heeft met deze beslissing aan verzoekster laten weten dat zij voor 29 november 2023 80-10% arbeidsongeschikt was. Daarom gaat voor verzoekster pas een inkomenseis gelden op de dag dat haar resterende verdiencapaciteit 24 kalendermaanden lang hoger is geweest dan 20% van het maatmaninkomen. Gedurende deze periode wordt de uitkering doorbetaald. De WGA-loonaanvullingsuitkering wordt daarom per
29 november 2023 ongewijzigd voortgezet. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken met het verzoek het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv heeft aangegeven akkoord te gaan met een forfaitaire vergoeding, welke ziet op het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van een zitting.
5. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). In de bezwaarfase zijn er door verzoekster geen kosten gemaakt die op grond van het Bpb vergoed kunnen worden.
6. Het Uwv moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen [1] . Dit volgt rechtstreeks uit de wet. In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,-‬ aan proceskosten. Het Uwv moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.