ECLI:NL:RBMNE:2025:6669

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
C/16/602412 / KG ZA 25-568
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor reis van minderjarigen van Syrië naar Nederland en aanvraag reisdocumenten

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een eiseres en een gedaagde, waarbij de gedaagde niet is verschenen. De eiseres, vertegenwoordigd door haar advocaat, heeft verzocht om vervangende toestemming om met haar minderjarige kinderen van Syrië naar Nederland te reizen en om reisdocumenten voor hen aan te vragen. De kinderen verblijven sinds juli 2024 in Syrië, maar hebben de Nederlandse nationaliteit en hebben eerder in Nederland gewoond. De eiseres heeft gesteld dat de gedaagde, haar echtgenoot, heeft geweigerd om toestemming te geven voor de terugreis en de reisdocumenten. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, ondanks hun huidige verblijf in Syrië. De rechter heeft geoordeeld dat de eiseres voldoende spoedeisend belang heeft bij haar verzoeken, vooral gezien de dreiging van uithuwelijking van de oudste dochter. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de eiseres toegewezen, waarbij hij vervangende toestemming heeft verleend voor de reis en de aanvraag van reisdocumenten, en bepaald dat de kinderen niet persoonlijk aanwezig hoeven te zijn bij de aanvraag. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn gecompenseerd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer / rolnummer: C/16/602412 / KG ZA 25-568
Vonnis in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
ingeschreven in Nederland op een bij de rechtbank bekend adres,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het bericht van [gedaagde] van 1 december 2025;
  • het e-mailbericht van [gedaagde] van 1 december 2025, waarin hij vraagt de zitting te verplaatsen;
  • het bericht van [eiseres] van 2 december 2025, waarin zij bezwaar maakt tegen uitstel van de mondelinge behandeling;
  • het bericht van de griffie van 2 december 2025, waarin staat dat de zitting doorgaat;
  • het bericht van [eiseres] van 2 december 2025 met een bijlage.
1.2.
Op 2 december 2025 vond de zitting plaats. Aanwezig waren:
  • [eiseres] met haar advocaat;
  • H. Shamoun, tolk voor [eiseres] (tolkenpasnummer 13193).
[gedaagde] is niet verschenen op de zitting.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald op vandaag.

2.Korte voorgeschiedenis

2.1.
In deze zaak staat vrij weinig vast. Enerzijds komt dat doordat [gedaagde] niet is verschenen, anderzijds is [eiseres] bepaald niet scheutig geweest met het geven van (eenduidige) informatie.
2.2.
Als niet weersproken staat vast dat partijen met elkaar getrouwd zijn en dat zij de ouders zijn van:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , Syrië;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .
2.3.
De kinderen, die de Nederlandse nationaliteit hebben, verblijven sinds juli 2024 in Syrië. Daarvoor woonden zij bij partijen in Nederland.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert, kort gezegd, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
  • haar (vervangende) toestemming geeft met de kinderen terug te reizen van Syrië naar Nederland;
  • haar vervangende toestemming verleent voor het aanvragen en verkrijgen van een paspoort, noodpaspoort of laissez-passer voor de minderjarigen, zonder dat de toestemming van [gedaagde] is vereist;
  • bepaalt dat de minderjarigen bij de aanvraag en/of afgifte van genoemde documenten niet persoonlijk aanwezig hoeven te zijn.
3.2.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

Verstek

4.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen. Daarom zal verstek worden verleend tegen [gedaagde] .
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Voordat de voorzieningenrechter de vorderingen kan beoordelen, moet hij beslissen of hij bevoegd is daarop te beslissen. Dat is het geval, en de voorzieningenrechter zal toelichten waarom.
4.3.
Als het gaat om de bevoegdheid is bij zaken over ouderlijke verantwoordelijkheid de verordening Brussel II-ter van toepassing. [1] Onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid valt volgens artikel 1 lid 1 aanhef en onder b jo. artikel 1 lid 2 aanhef en onder a Brussel II-ter (mede) het gezagsrecht. De vorderingen van [eiseres] vallen onder het gezagsrecht. Op grond van artikel 7 Brussel II-ter is bevoegd de rechtbank van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Dit betekent voor de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, eerst moet worden beoordeeld waar de gewone verblijfplaats van het kind was ten tijde van het aanhangig maken van deze kortgedingprocedure.
4.4.
Het begrip gewone verblijfplaats, genoemd in de bepalingen van Brussel II-ter, moet volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ontwikkeld in het kader van Brussel II-bis, maar ook van toepassing op het begrip gewone verblijfplaats in het kader van Brussel II-ter) zo worden uitgelegd, dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De rechter moet bij het invullen van dat begrip rekening houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie. Het gaat – onder meer – om de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat.
4.5.
[eiseres] heeft het volgende gesteld, welke stellingen niet door [gedaagde] zijn weersproken. Zij is in juli 2024 met de kinderen naar Syrië gegaan om daar de zomervakantie door te brengen, en voor haar zieke moeder te zorgen. [eiseres] heeft [gedaagde] in september 2024 gevraagd vliegtickets voor de terugreis te boeken, maar hij wilde dat zij en de kinderen nog een periode in Syrië zouden blijven, omdat de kinderbescherming de kinderen volgens hem bij teugkeer zou willen meenemen. [eiseres] en de kinderen verbleven vervolgens in Syrië [gedaagde] familie. [gedaagde] zus had [eiseres] telefoon, aldus [eiseres] . Die zus heeft namens haar contact opgenomen met de school van de kinderen in Nederland en volgens haar gezegd dat de kinderen in Syrië zouden blijven.
[gedaagde] is na de val van het regime terug naar Syrië gegaan, alwaar hij de reisdocumenten van [eiseres] en de kinderen heeft ingenomen. Daarna is [eiseres] uit het huis van de familie van [gedaagde] gezet. Zij is toen naar haar familie gegaan en mocht de kinderen alleen zien als het [gedaagde] uitkwam, aldus nog steeds [eiseres] .
Via een gerechtelijke procedure in Syrië heeft [eiseres] de kinderen nadien onder haar ‘zorg’ gekregen. Daarna heeft ze naar eigen zeggen contact opgenomen met de Nederlandse ambassade in Libanon om noodreisdocumenten voor haar en de kinderen te verkrijgen, zodat zij konden terugkeren naar Nederland. De ambassade vroeg om bewijs over het ouderlijk gezag in Nederland. Dat kon [eiseres] niet geven. Zij is ruim twee maanden geleden terug naar Nederland gereisd. De kinderen verblijven volgens haar nu bij haar moeder.
4.6.
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, ook al verblijven zij nu in Syrië. De kinderen woonden met partijen in Nederland. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit en gingen in Nederland naar school. Niet gebleken is dat partijen de intentie hadden zich in Syrië te vestigen. In dit licht is het niet onbelangrijk dat de kinderen niet zijn uitgeschreven bij hun school toen zij naar Syrië vertrokken. Dat is pas later gebeurd, volgens [eiseres] door de zus van [gedaagde] . Dat die kinderen nog steeds in Syrië verblijven is eenzijdig door [gedaagde] afgedwongen. Beide partijen zijn op dit moment in Nederland ingeschreven.
4.7.
Op grond van artikel 9 Brussel II-ter blijven in het geval van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind de gerechten van de lidstaat waar een kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd tot het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft gekregen en aan de voorwaarden onder sub a dan wel sub b is voldaan. Gelet op het hiervoor bij 4.6. weergegeven oordeel is de Nederlandse rechter bevoegd. De (voorzieningenrechter in de) rechtbank Midden-Nederland is relatief bevoegd.
4.8.
Dan rest de vraag welk recht van toepassing is deze kwestie. Op grond van artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn eigen recht toe. Dit leidt ertoe dat Nederlands recht toepasselijk is.
Spoedeisend belang
4.9.
Ondanks het feit dat de kinderen thans ongeveer anderhalf jaar in Syrië zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres] voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zij wil namelijk dat de kinderen zo spoedig mogelijk terugkeren naar Nederland. Iedere dag dat zij langer in Syrië blijven, is te lang. Bovendien dreigt de oudste dochter volgens [eiseres] te worden uitgehuwelijkt; een stelling die niet te controleren valt, maar door [gedaagde] afwezigheid op zitting evenmin is weersproken.
Om met de kinderen terug te kunnen reizen, heeft [eiseres] een reisdocument voor hen nodig. Daarom heeft zij ook bij de vorderingen die betrekking hebben op de aanvraag van een reisdocument een voldoende spoedeisend belang.
Vervangende toestemming reis
4.10.
De oudste dochter van partijen is in Syrië geboren. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen op dit moment samen het gezag over haar hadden. Volgens het Islamitische recht, dat in Syrië geldt, heeft namelijk zowel de vader als de moeder van rechtswege gezag over hun minderjarige kinderen. Uit artikel 16 lid 3 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 volgt dat de op grond van het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind – Syrisch recht – bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. Daarom komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat beide partijen het gezag over Norsen hebben behouden, nadat hun gewone verblijfplaats is verplaatst naar Nederland.
De jongste drie kinderen zijn in Nederland geboren. De voorzieningenrechter heeft de Basisregistratie Personen geraadpleegd om de huwelijksdatum van partijen te weten te komen. Dit gegeven staat niet ter vrije bepaling van partijen, en omdat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de voorliggende vorderingen na moet gaan wie het gezag over de kinderen heeft, is het noodzakelijk dat hij op de hoogte is van de huwelijksdatum. In de Basisregistratie Personen staat dat partijen op [trouwdatum] 2015 zijn getrouwd. Partijen waren dus getrouwd toen de drie andere kinderen werden geboren. Zij hebben naar Nederlands recht van rechtswege samen het gezag over hen gekregen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat dit gezag is gewijzigd.
4.11.
Aangezien partijen beiden het gezag over de kinderen hebben, heeft [eiseres] toestemming van [gedaagde] nodig om met de kinderen van Syrië naar Nederland te reizen. Hij weigert daarmee in te stemmen. Er is dus sprake van een gezagsgeschil, waarin de (kortgeding)rechter vervangende toestemming kan geven.
4.12.
De rechter neemt op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek een zodanige beslissing als hem in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. De voorzieningenrechter is op voorhand van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij met [eiseres] van Syrië naar Nederland reizen, terug naar hun vertrouwde omgeving en dat zij hier naar school kunnen gaan. Bovendien dreigt, zoals [eiseres] zegt, uithuwelijking van de oudste.
Daar komt bij dat de gestelde handelwijze van [gedaagde] een flagrante inbreuk maakt op [eiseres] gezagsrecht. Een dergelijke handelwijze mag niet beloond worden.
4.13.
De voorzieningenrechter zal de eerste vordering op de in het dictum te vermelden wijze toewijzen.
Vervangende toestemming aanvraag en afgifte reisdocument
4.14.
De voorzieningenrechter zal ook deze vordering op de in het dictum te vermelden wijze toewijzen.
4.15.
Ook voor het aanvragen van een reisdocument voor de kinderen heeft [eiseres] toestemming van [gedaagde] nodig. De voorzieningenrechter kan vervangende toestemming geven, maar hij zal op grond van artikel 34 van de Paspoortwet eerst moeten onderzoeken of partijen het alsnog eens kunnen worden.
4.16.
[gedaagde] is niet op de zitting verschenen, zodat een dergelijk onderzoek onmogelijk is. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de reisdocumenten van de kinderen ingenomen en weigert hij deze terug te geven. Aangezien het voor de reis naar Nederland noodzakelijk is dat zij over (nood)reisdocumenten voor de kinderen beschikt, zal de voorzieningenrechter haar vervangende toestemming verlenen om deze aan te vragen.
4.17.
De voorzieningenrechter kan geen vervangende toestemming geven voor de gevorderde afgifte van een (nood)paspoort of laissez-passer, omdat de instantie die dit doet geen partij is in deze procedure. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
Aanwezigheid kinderen
4.18.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat de kinderen, zulks in afwijking van artikel 28 lid 3 van de Paspoortwet, niet bij de aanvraag en/of afgifte van een (nood)paspoort of laissez-passer aanwezig hoeven te zijn. [2] De kinderen verblijven op dit moment ongeoorloofd (in strijd met [eiseres] gezagsrecht) in Syrië en kunnen om die reden niet aanwezig zijn bij de aanvraag en afgifte van genoemde documenten.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.19.
De voorzieningenrechter zal zijn vonnis bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de Hij is namelijk van oordeel dat het – gelet op alle betrokken belangen – belangrijk is dat dit vonnis zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd. Het instellen van een rechtsmiddel mag dit niet doorkruisen.
Proceskosten
4.20.
In afwijking van de hoofdregel van artikel 237 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) bestaat in familierechtelijke zaken het gebruik de proceskosten te compenseren. Hoewel de voorzieningenrechter aanleiding heeft van dit gebruik af te wijken, zal hij dit op de voet van artikel 130 lid 3 Rv niet ambtshalve doen. Dat betekent dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verleent verstek tegen [gedaagde] ,
5.2.
verleent toestemming, die de toestemming van [gedaagde] vervangt, aan [eiseres] om vanuit Syrië naar Nederland te reizen met de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , Syrië;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ,
5.3.
verleent toestemming, die de toestemming van [gedaagde] vervangt, aan [eiseres] om een (nood)paspoort of laissez-passer aan te vragen voor voornoemde kinderen,
5.4.
bepaalt dat die kinderen bij de aanvraag en afgifte van een (nood)paspoort of laissez-passer niet aanwezig hoeven te zijn,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, voorzieningenrechter, in samenwerking met mr. M.J.W. Rietveld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking).
2.Vgl. hof Amsterdam 29 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2195.