ECLI:NL:RBMNE:2025:6668

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11901053 \ UV EXPL 25-242
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 5 RvArt. 3:109 BWArt. 3:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executoriale verkoop van auto’s bij betwisting eigendom na betalingsvonnis

In deze zaak vordert een deurwaarder toestemming tot executie van twee auto’s, een Opel Insignia en een Audi TT, die op naam van de zoon van gedaagde staan maar waarvan wordt vermoed dat zij eigendom zijn van gedaagde. Dit naar aanleiding van een betalingsvonnis waarbij gedaagde een bedrag aan eiseres moet voldoen.

De kantonrechter beoordeelt dat voor de Opel voldoende aannemelijk is dat gedaagde de feitelijke macht en het eigendom bezit, mede gelet op het gebruik, de wettelijke bewijsvermoedens en het onvoldoende onderbouwde tegenbewijs van gedaagde. De deurwaarder mag daarom overgaan tot verkoop van de Opel.

Voor de Audi is niet vastgesteld dat gedaagde houder of eigenaar is; het bewijsvermoeden geldt hier niet. De kantonrechter wijst daarom verkoop van de Audi af. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van € 50,00.

De uitspraak bevestigt het belang van feitelijk gebruik en bewijsvermoedens bij eigendomsvaststelling in executieprocedures en benadrukt dat tegenbewijs voldoende onderbouwd moet zijn om het vermoeden te weerleggen.

Uitkomst: De deurwaarder mag de Opel verkopen, maar niet de Audi, omdat onvoldoende is vastgesteld dat gedaagde eigenaar is van de Audi.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11901053 \ UV EXPL 25-242
Vonnis in kort geding van 18 november 2025
in de zaak die door
[A], toegevoegd gerechtsdeurwaarder bij gerechtsdeurwaarder Ignatius Caspar Silvester Feringa,
kantoorhoudende te [plaats 1] ,
optredend als executerend deurwaarder,
hierna te noemen: de deurwaarder,
op grond van artikel 438 lid 5 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aanhangig is gemaakt tussen
[eiseres],
wonende in [plaats 2] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek met proces-verbaal van de deurwaarder van 29 september 2025,
- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Hierna heeft de kantonrechter aan partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is inmiddels geëindigd, maar voor de financiële afwikkeling van de relatie en regelingen rondom hun gezamenlijke dochter zijn zij al vaak bij de rechtbank geweest. Bij verstekvonnis van 29 juni 2022 is [gedaagde] veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van € 9.984,93. Daarop is door een deurwaarder beslag gelegd op 2 auto’s die op naam van [gedaagde] stonden en op 2 bedrijfswagens. [gedaagde] is van het vonnis in verzet gekomen en bij vonnis van 31 mei 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] een bedrag van € 4.875,35 aan [eiseres] moet betalen. Het gelegde beslag is daarbij komen te vervallen. [gedaagde] heeft dat bedrag vervolgens niet betaald. Toen de deurwaarder opnieuw beslag wilde leggen, bleken er geen auto’s meer op naam van [gedaagde] te staan. De deurwaarder heeft toen executoriaal beslag gelegd op twee auto’s, een Opel Insignia (hierna: de Opel) en een Audi TT (hierna: de Audi), die op naam staan van de zoon van [gedaagde] staan maar waarvan de deurwaarder meent dat ze van [gedaagde] zijn. Hij wil deze gaan verkopen, om met de opbrengst de vordering van [eiseres] op [gedaagde] te voldoen. [gedaagde] zegt dat de auto’s van zijn zoon zijn en dat de deurwaarder ze daarom niet mag verkopen. In deze procedure vraagt de deurwaarder aan de kantonrechter of hij tot executie mag overgaan. De kantonrechter oordeelt dat de deurwaarder de Opel mag verkopen, maar de Audi niet.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen verschillen van mening over wie de eigenaar is van de Opel en de Audi, [gedaagde] of zijn zoon. De kantonrechter oordeelt dat voor de Opel voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de eigenaar is. Over de Opel heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat deze bij hem staat, dat hij deze gebruikt maar dat hij schade heeft waardoor hij er niet mee de snelweg op kan.
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat [gedaagde] de eigenaar is van de Opel. Uit de situatie die [gedaagde] heeft geschetst tijdens de mondelinge behandeling, leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] de feitelijke macht heeft over de Opel. De deurwaarder heeft foto’s overgelegd waaruit het gebruik door [gedaagde] blijkt. Dat de zoon de auto ooit gebruikt is niet gebleken. [gedaagde] kan over de auto beschikken wanneer hij dat wil. Dat betekent dat [gedaagde] aangemerkt kan worden als houder en dat hij vermoed wordt dit voor zichzelf te doen. [1] Uit de wet volgt dan dat [gedaagde] , als houder voor zichzelf, vermoed wordt de rechthebbende, en dus eigenaar, van de auto te zijn. [2] Dit wettelijk vermoeden helpt de deurwaarder bij zijn stelling dat [gedaagde] de eigenaar is van de auto, maar het vermoeden is wel weerlegbaar. Dat heeft [gedaagde] ook willen doen, door te stellen dat de auto van zijn zoon is. Hij heeft deze weerlegging echter onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft bankafschriften aan de deurwaarder gestuurd waaruit blijkt dat zijn zoon de wegenbelasting en verzekering van de Opel betaalt. Dit betekent echter niet dat [gedaagde] niet de eigenaar van de auto zou kunnen zijn. De zoon van [gedaagde] zou dit ook vóór [gedaagde] kunnen betalen, als gunst of onder afspraken van terugbetaling. [gedaagde] heeft hiermee het wettelijke vermoeden niet kunnen weerleggen. Daarbij weegt ook mee dat bij het eerdere beslag op (andere) auto’s door [gedaagde] bezwaar werd gemaakt omdat er een auto was die wel op zijn naam stond maar volgens [gedaagde] juist eigendom van de zoon was; dit was om verzekeringstechnische redenen zo gedaan. Kennelijk staan de registratie en de eigendom ook voor [gedaagde] los van elkaar. Daarnaast beschikte [gedaagde] tot aan het laatste vonnis over in ieder geval één auto en heeft hij niet toegelicht waarom hij nu geen (eigen) auto meer nodig heeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij niets meer aan [eiseres] wil betalen en hij heeft op 3 april 2025, in verband met het gelegde beslag aan een deurwaarder geschreven: “ik ga de komende jaren geen auto op naam zetten enz.”. Daaruit is af te leiden dat [gedaagde] actief bezig is met het verhinderen van de executie van het vonnis en het niet nakomen van zijn betalingsverplichting.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] kan worden aangemerkt als eigenaar van de Opel en dat de deurwaarder de openbare verkoop van de Opel kan voortzetten.
3.3.
De kantonrechter oordeelt anders over de Audi. Het is niet duidelijk geworden dat [gedaagde] houder is van deze auto en het wettelijke bewijsvermoeden gaat hier dan ook niet op. Over de Audi heeft [gedaagde] verklaard dat zijn zoon, die de auto met schade heeft gekocht, daar bij hem in de straat aan kan werken, waar hij buiten de openbare weg geparkeerd kan worden. Ook voor deze auto betaalt zijn zoon alle kosten. Zelf heeft hij er naar eigen zeggen slechts af en toe in gereden. De deurwaarder heeft dit ook gesteld en heeft het onderbouwd met een verklaring van de (voormalig) buurman van [eiseres] , die zegt dat hij [gedaagde] enkele keren in de auto heeft gezien. Maar dat [gedaagde] enkele keren in de Audi heeft gereden, maakt nog niet dat hij de auto voor zichzelf houdt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit niet voldoende voor het oordeel dat [gedaagde] eigenaar is van de auto. Het is dan ook niet vast komen te staan dat [gedaagde] de eigenaar is van de Audi. De deurwaarder mag de Audi niet verkopen.
De proceskosten
3.4.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij grotendeels ongelijk krijgt. [eiseres] heeft zich niet laten bijstaan door een professioneel gemachtigde en zij heeft niet gemotiveerd gesteld dat sprake is geweest van kosten waarvoor de wet een vergoeding toekent. [eiseres] is wel verschenen bij de mondelinge behandeling van 4 november 2025. Het is aannemelijk dat [eiseres] hiervoor kosten heeft gemaakt (verletkosten). Deze kosten worden door de kantonrechter begroot op € 50,00 en moeten door [gedaagde] betaald worden. De nakosten worden toegewezen als in de beslissing vermeld.

4.De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,
4.1.
bepaalt dat de deurwaarder de executie van het vonnis van 31 mei 2023 van de kantonrechter Midden-Nederland locatie Utrecht met zaaknummer 10051277 UC EXPL 22-5460 mag voortzetten middels verkoop van de Opel Insignia Sports Tourer met kenteken
[kenteken] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
4.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
62938

Voetnoten

1.Artikel 3:109 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 3:119 BW Pro.