Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
1.Het verloop van de procedure
- in de zaak C/16/602054 / JE RK 25/1664: het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 4 november 2025 en de bijlagen van de GI ontvangen op 5 en 17 november 2025;
- in de zaak C/16/602550 / JE RK 25-1715: het verzoekschrift van de moeder, ontvangen op 13 november 2025;
- in de zaak C/16/603609 / JE RK 25/1823: het verzoekschrift van de GI, ontvangen op 4 december 2025;
- het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 17 november 2025;
- de berichten van de moeder van 5 december 2025 en 8 december 2025;
- de reactie van de vader op de verzoeken van de GI en de moeder, het begeleidend bericht en bijlagen van 5 december 2025.
- de moeder met haar gemachtigde de heer J. Bos;
- de vader met zijn advocaat;
2.De feiten
“ [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven elke vrijdag uit school tot het avondeten bij de vader thuis. Dit wordt binnen een halfjaar onder regie van de GI opgebouwd naar een week-op-week-afregeling, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag uit school.”
3.De verzoeken
“verlenen [van] verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en clientgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder”;
bescherming tegen nalatige behandelingen artikel 3.1. IVRK, de belangen van het kind de eerste overweging laten zijn;
“de hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard” in verbinding met onder meer maar wel in het bijzonder de toelichting op artikel 2 van Pro de Beroepscode voor Professionals in Sociaal Werk:
“Professionals zijn zich bewust van de grenzen van hun eigen vakbekwaamheid. Wanneer de grens van de eigen deskundigheid is bereikt, reageren professionals op passende wijze door expertkennis actief te betrekken of door te verwijzen naar een professional die beter aansluit bij de specifieke ondersteuningsvraag”;
4.De standpunten
5.De beoordeling
rtikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet, waarin staat: “Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of kunnen deze inlichtingen uit eigen beweging aan de gecertificeerde instelling verstrekken, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep”.