ECLI:NL:RBMNE:2025:6654

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/4445
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing studiefinanciering voor bijvak aan de Universiteit van Amsterdam

In deze zaak heeft eiser, een student aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), een aanvraag ingediend voor studiefinanciering voor zijn inschrijving als student. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet is opgenomen in het register onderwijsdeelnemers, aangezien hij enkel een bijvak volgt dat niet bekostigd wordt. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing. De rechtbank heeft op 10 december 2025 uitspraak gedaan en het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser geen recht heeft op studiefinanciering, omdat hij niet is ingeschreven voor een voltijdse bacheloropleiding die recht geeft op studiefinanciering. De rechtbank heeft bevestigd dat de gegevens uit het register leidend zijn en dat de UvA eiser niet in het register heeft opgenomen omdat zijn inschrijving voor een bijvak geen examendoel heeft en niet bekostigd wordt. Eiser kan daarom niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij recht heeft op studiefinanciering op basis van zijn inschrijving aan de UvA. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling en dat het griffierecht niet wordt teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4445

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor studiefinanciering voor zijn inschrijving als student aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit
4. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor studiefinanciering voor zijn inschrijving als student aan de UvA waar hij in het kader van zijn bachelor het bijvak Fiscaal Recht volgt. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet is ingeschreven voor een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. In het bestreden besluit geeft de minister aan dat met de beslissing van 15 januari 2025 aan eiser studiefinanciering is toegekend vanaf februari 2025 tot en met december 2025. Vanaf 1 februari 2025 is eiser namelijk ingeschreven voor een opleiding die wel recht geeft op studiefinanciering. In de beslissing op bezwaar van 25 maart 2025 is aan eiser alsnog studiefinanciering toegekend voor de maanden september tot en met december 2024, vanwege een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van zijn deeltijdopleiding Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit. Deze procedure kan gelet op het voorgaande alleen gaan over het recht op studiefinanciering over de maand januari 2025.
5. Verder heeft de minister in het bestreden besluit toegelicht dat navraag is gedaan bij de UvA waarom eiser niet in het Register onderwijsdeelnemers (register) is ingeschreven. De UvA heeft toegelicht dat eiser alleen is ingeschreven om bijvakken te mogen volgen aan de UvA. Dit soort inschrijvingen stuurt de UvA niet naar het register omdat die inschrijvingen geen examendoel hebben en niet worden bekostigd. Omdat eiser niet is ingeschreven in het register, heeft eiser volgens de minister geen recht op studiefinanciering. De gegevens die de onderwijsinstelling aan het register geeft zijn leidend, zo stelt de minister.
Kon de minister uitgaan van gegevens uit het register?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte gegevens uit het register als bepalend ziet voor de vraag of iemand aanspraak maakt op studiefinanciering. Eiser is ingeschreven voor een bijvak Fiscaal recht aan de UvA, maar wel als voltijds student. Het is ook niet mogelijk om alleen voor een bijvak in te schrijven. De inschrijving van eiser valt onder elke andere voltijdse inschrijving. De UvA had eiser moeten inschrijving in de register maar dat is ten onrechte niet gedaan.
7. De rechtbank stelt vast dat een student in aanmerking kan komen voor studiefinanciering als hij is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse bacheloropleiding aan een hogeschool, opgenomen in de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Dit volgt uit artikel 2.8, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf).
8. Op grond van artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers (Wro) is er een register onderwijsdeelnemers waarin onder meer basisgegevens van onderwijsdeelnemers zijn opgenomen. Op grond van artikel 5, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder d, en artikel 15, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wro kunnen basisgegevens worden verstrekt aan de minister voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de verstrekking van studiefinanciering. Op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Wro in combinatie met artikel 25, eerste lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers (Bro) en de daarbij behorende bijlage worden vanuit het register basisgegevens over inschrijvingen van onderwijsdeelnemers als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Bro aan de minister verstrekt.
9. Uit het vorenstaande volgt dat de minister voor de vraag of eiser recht heeft op studiefinanciering zich terecht heeft gebaseerd op de basisgegevens die zijn opgenomen in het register. Eiser stond voor zijn bijvak niet in het register en de UvA heeft uitgelegd met welke reden.
10. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat wat betreft de uitvoering van de studiefinanciering de inschrijving van eiser aan de UvA ten onrechte niet in het register is opgenomen. Eiser betwist niet dat hij aan de UvA een bijvak volgt. Dit is geen voltijd studie waarvoor studiefinanciering kan worden verkregen. Dat de UvA om administratieve redenen er voor heeft gekozen om eiser bij de onderwijsinstelling in te schrijven als een voltijd student, heeft voor het recht op studiefinanciering geen betekenis. De UvA heeft ook aangegeven dat het hier niet gaat om een reguliere bacheloropleiding die wordt bekostigd. De minister heeft terecht vastgesteld dat geen sprake is van een inschrijving in de zin van artikel 2.8, eerste lid, van de Wsf. Eiser kan daarom niet worden gevolgd dat hij vanwege zijn inschrijving aan de UvA recht heeft op studiefinanciering.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.