In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 17 juli 2025, waarbij aan hem een advocaat is toegewezen op grond van artikel 13 van de Advocatenwet. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is en doet uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan door artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verzoeker had op 24 juni 2025 verzocht om een advocaat ten behoeve van zijn letselschadezaak. De deken heeft op 17 juli 2025 een advocaat toegewezen, maar verzoeker was het niet eens met deze toewijzing en heeft op 22 augustus 2025 bezwaar gemaakt. De deken verklaarde dit bezwaar op 3 oktober 2025 niet-ontvankelijk, omdat er volgens hem geen bezwaar of beroep openstaat tegen een toewijzend aanwijzingsbesluit op grond van artikel 13 van de Advocatenwet.
De voorzieningenrechter legt uit dat voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening zowel formele als materiële connexiteit vereist is. Verzoeker vraagt om toewijzing van een andere advocaat en om een tijdelijke schadebeperkende voorziening van € 45.000,-. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek niet voldoet aan de vereisten van materiële connexiteit, omdat wat verzoeker wil bereiken geen betrekking heeft op de inhoud van het bestreden besluit. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, en de voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk.
De uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier, en is openbaar uitgesproken op 26 november 2025. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan de betrokken partijen.