ECLI:NL:RBMNE:2025:6622

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
11938347 \ MV EXPL 25-174
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering tot ontruiming wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze kortgedingprocedure vorderen Inner City Property B.V. en Stichting Woonzorg ontruiming van het gehuurde pand door Stichting Bronx Begeleid Wonen. De huurovereenkomst is opgezegd en ontruiming aangezegd, maar Stichting Bronx is het pand niet verlaten. De kern van het geschil betreft de kwalificatie van het gehuurde als bedrijfsruimte of woonruimte en de vraag of er een spoedeisend belang bestaat voor ontruiming.

De kantonrechter oordeelt dat eisers geen spoedeisend belang hebben omdat Stichting Bronx een verzoekschriftprocedure heeft gestart die de ontruiming schorst. Bovendien is de uitkomst van die procedure onzeker, waardoor het niet gerechtvaardigd is om vooruit te lopen op de beslissing met een ontruiming in kort geding.

De kantonrechter verklaart de eisers niet-ontvankelijk in hun vordering tot ontruiming en veroordeelt hen hoofdelijk in de proceskosten van Stichting Bronx. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eisers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tot ontruiming wegens ontbreken spoedeisend belang en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11938347 \ MV EXPL 25-174
Vonnis in kort geding van 12 december 2025
in de zaak van

1.INNER CITY PROPERTY B.V.,

gevestigd te Zaandam,
eisende partij,
hierna te noemen: ICP,
2.
STICHTING WOONZORG,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonzorg,
hierna samen te noemen: ICP en Woonzorg,
gemachtigde: mr. D.A.J. Sturhoofd,
tegen
STICHTING BRONX BEGELEID WONEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stichting Bronx,
gemachtigde: mr. D.N. Allick.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2025 met producties 1 tot en met 10;
- de akte van ICP en Woonzorg met productie 11;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9;
- de akte van Stichting Bronx met producties 10 tot en met 12.
1.2.
De zaak is op 28 november 2025 bij de kantonrechter in Lelystad besproken. Namens ICP en Woonzorg is mevrouw [A] verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. Sturhoofd. Namens Stichting Bronx is mr. Allick verschenen. De gemachtigden hebben beiden pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van het geschil

2.1.
Stichting Bronx huurt als onderhuurder het pand aan de [adres] in [plaats] van ICP en Woonzorg. Volgens ICP en Woonzorg is de huurovereenkomst op 16 juli 2025 opgezegd en is de ontruiming aangezegd tegen 31 oktober 2025. Stichting Bronx heeft het gehuurde niet verlaten. ICP en Woonzorg willen dat Stichting Bronx het gehuurde verlaat en ontruimt. Stichting Bronx is het daar niet mee eens. Partijen verschillen van mening over verschillende punten, waaronder de kwalificatie van het gehuurde (bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek of woonruimte). De kantonrechter oordeelt dat ICP en Woonzorg niet-ontvankelijk zijn in hun vordering wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

3.De beoordeling

Het toetsingskader in dit kort geding
3.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De rechter moet daarom eerst beoordelen of ICP en Woonzorg ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
ICP en Woonzorg hebben geen spoedeisend belang bij hun vordering tot ontruiming
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat ICP en Woonzorg geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering tot ontruiming van het gehuurde. ICP en Woonzorg zijn daarom niet-ontvankelijk in hun vordering tot ontruiming van het gehuurde. ICP en Woonzorg moeten de beslissing in de verzoekschriftprocedure tot verlenging van de ontruimingstermijn afwachten. Hieronder wordt uitgelegd waarom dit zo wordt beslist.
3.3.
ICP en Woonzorg hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat er sprake is van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (230a-bedrijfsruimte). Voor zover er sprake zou zijn van een 230a-bedrijfsruimte, hoeft er voorlopig niet ontruimd te worden. Stichting Bronx is namelijk een verzoekschriftprocedure gestart en daarin is een zitting gepland. Partijen zijn het er over eens dat Stichting Bronx het verzoek tijdig heeft ingediend. De indiening van het verzoek schorst de (eventuele) verplichting van Stichting Bronx om tot ontruiming van het gehuurde over te gaan totdat er op het verzoek is beslist (artikel 7:230a lid 3 BW). ICP en Woonzorg hebben op dit moment dan ook geen spoedeisend belang bij de ontruiming van het gehuurde.
3.4.
ICP en Woonzorg hebben aangevoerd dat zij toch een spoedeisend belang hebben, voor het geval de rechter in de verzoekschriftprocedure het verzoek van Stichting Bronx af zal wijzen. Voor die situatie willen ICP en Woonzorg graag alvast een titel tot ontruiming. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Er zijn immers verschillende uitkomsten in de verzoekschriftprocedure denkbaar. Zo kan de rechter bepalen dat de ontruimingstermijn wordt verlengd met maximaal een jaar waarna deze termijn nog tweemaal met ten hoogste een jaar kan worden verlengd. Daarnaast is denkbaar dat als de rechter het verzoek van Stichting Bronx afwijst Stichting Bronx het gehuurde vrijwillig zal gaan ontruimen en verlaten. Ook is bijvoorbeeld denkbaar dat de rechter zal oordelen dat het gehuurde gekwalificeerd dient te worden als woonruimte. De vordering van ICP en Woonzorg in dit kort geding heeft als (enige) grondslag dat het gehuurde een 230a-bedrijfsruimte is en juist vanuit dit perspectief is de aanhangige verzoekschriftprocedure van belang. Zoals hierboven is uitgelegd, zal de uitkomst daarvan nog even op zich laten wachten en is hoe dan ook tot die tijd ontruiming niet aan de orde vanwege het bepaalde in artikel 7:230a lid 3 BW (tenzij de huurder zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst dan niet nakomt). Het is dus onzeker of en zo ja, wanneer er een ontruimingsverplichting voor Stichting Bronx ontstaat. Het is dan ook op dit moment niet spoedeisend en ook niet gerechtvaardigd om vooruit te lopen op de beslissing op het verzoek van Stichting Bronx door de gevorderde ontruiming in dit kort geding toe te wijzen.
ICP en Woonzorg moeten de proceskosten betalen
3.5.
ICP en Woonzorg zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Bronx worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
678,00
De hoofdelijke veroordeling
3.6.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
verklaart ICP en Woonzorg niet-ontvankelijk in hun vordering,
4.2.
veroordeelt ICP en Woonzorg hoofdelijk in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als ICP en Woonzorg niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op
12 december 2025.
HHt/37278