ECLI:NL:RBMNE:2025:6621

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
11947320 \ MV EXPL 25-179
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 6:92 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 4.11 huurovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte wegens herhaalde huurachterstand en tekortschieten betalingsverplichting

In deze kort geding procedure vordert de verhuurder ontruiming van een bedrijfsruimte vanwege herhaalde huurachterstanden door de huurder. De huurder is reeds eerder veroordeeld tot betaling van een huurachterstand en heeft opnieuw een aanzienlijke achterstand opgebouwd, die ruim vier maanden huur bedraagt.

De kantonrechter beoordeelt of er sprake is van een spoedeisend belang en of de vorderingen in de bodemprocedure kans van slagen hebben. Gezien de omvang van de huurachterstand en het ontbreken van concrete stukken waaruit blijkt dat de huurder op korte termijn aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen, wordt de ontruiming toegewezen. De belangenafweging weegt in het voordeel van de verhuurder, mede omdat de huurder al eerder was gewaarschuwd en een andere vestiging heeft.

De huurder krijgt veertien dagen na betekening van het vonnis om het pand te ontruimen en moet de huurachterstand van € 13.516,78 betalen, verminderd met wettelijke handelsrente. Tevens worden de proceskosten en de wettelijke rente over deze kosten aan de verhuurder toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat directe uitvoering mogelijk is.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van de huurachterstand en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11947320 \ MV EXPL 25-179
Vonnis in kort geding van 12 december 2025
in de zaak van
[eisende partij] BV,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] (gemeente Haarlemmermeer),
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[gedaagde partij],
zaakdoende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Op 5 november 2025 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] in kort geding gedagvaard om op 28 november 2025 voor de kantonrechter te verschijnen. [eisende partij] heeft daarbij zeven producties meegestuurd.
1.2.
De zaak is op 28 november 2025 bij de kantonrechter in Lelystad besproken. Namens [eisende partij] is de heer [A] aanwezig. Hij werd bijgestaan door
mr. Boeder. [gedaagde partij] is ook aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde partij] huurt een bedrijfsruimte aan het [adres] in [plaats] (hierna: ‘het pand’) van [eisende partij] . In maart 2025 was [gedaagde partij] al veroordeeld tot betaling van een huurachterstand. [gedaagde partij] heeft opnieuw een huurachterstand laten ontstaan. [eisende partij] meent dat er sprake is van herhaalde toerekenbare tekortkoming. [eisende partij] wil daarom dat [gedaagde partij] het pand ontruimt en verlaat. Ook wil [eisende partij] dat [gedaagde partij] de huurachterstand en de huur tot aan de dag van ontruiming, met rente en kosten, betaalt. In deze zaak gaat het om de vraag of het voldoende aannemelijk is dat [gedaagde partij] zodanig tekortgeschoten is in haar betalingsverplichting, dat de verwachting is dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen en dat vooruitlopend daarop de ontruiming van het pand kan worden toegewezen. De kantonrechter geeft [eisende partij] grotendeels gelijk.

3.De beoordeling

Het toetsingskader in dit kort geding
3.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eisende partij] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
3.2.
Bij een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, mocht de bodemrechter anders beslissen (het restitutierisico).
[eisende partij] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
3.3.
Het vereiste spoedeisend belang is, gelet op de aard van de vorderingen en het daarover door [eisende partij] gestelde, aanwezig. Dit betekent dat de vorderingen van [eisende partij] inhoudelijk behandeld kunnen worden.
[gedaagde partij] moet het gehuurde ontruimen en verlaten
3.4.
De kantonrechter wijst de ontruiming van het pand toe. [gedaagde partij] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichting. De verwachting is dat de bodemrechter zal oordelen dat deze tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het pand rechtvaardigt. Daarop vooruitlopend wordt daarom de ontruiming toegewezen. [gedaagde partij] moet het pand ontruimen en verlaten. Hierna wordt dit uitgelegd.
[gedaagde partij] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichting
3.5.
Iedere tekortkoming van de huurder in de nakoming van één van zijn verplichtingen kan leiden tot gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’).
3.6.
[gedaagde partij] moet op grond van de huurovereenkomst de huur voor of op de eerste dag van de betreffende maand – dus vooruit – betalen (artikel 4.11 van de huurovereenkomst). Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde partij] niet aan die verplichting heeft voldaan en daarmee is tekortgeschoten. [gedaagde partij] erkent immers de door [eisende partij] gestelde huurachterstand. Uit het overzicht in de dagvaarding blijkt dat de achterstand tot en met november 2025 € 14.096,99 bedraagt. Dit is gelijk aan een huur van ruim vier maanden. De huurachterstand is daarmee dermate hoog dat, gelet op het algemene uitgangspunt dat een huurachterstand van drie maanden of meer een tekortkoming is die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt, aannemelijk is dat de vorderingen in de bodemprocedure op die onderdelen worden toegewezen. [gedaagde partij] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of betekenis de gevorderde ontruiming niet rechtvaardigt. Weliswaar heeft [gedaagde partij] op de zitting aangevoerd dat zij haar bedrijfsvoering heeft aangepast waardoor zij in staat zal zijn om weer aan haar betalingsverplichting te voldoen, maar dat is onvoldoende. [gedaagde partij] heeft niet met stukken concreet gemaakt dat zij daadwerkelijk in staat zal zijn de huurachterstand op korte termijn in te lopen en de toekomstige huurtermijnen volledig en tijdig te voldoen.
De belangenafweging valt in het voordeel van [eisende partij] uit
3.7.
Vervolgens moet in het kader van dit kort geding een belangenafweging worden gemaakt tussen enerzijds het belang van [eisende partij] bij ontruiming en anderzijds het belang van [gedaagde partij] bij voortzetting van de huur. Hoewel het belang van [gedaagde partij] bij het gebruik van het gehuurde groot is – het continueren van haar onderneming en inkomstenbron –, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van [eisende partij] in dit geval zwaarder moet wegen. In de gegeven omstandigheden kan van [eisende partij] als verhuurster niet gevergd worden aan [gedaagde partij] nog langer het huurgenot te verschaffen met het risico dat de huurachterstand nog verder oploopt dan nu al het geval is, waardoor [eisende partij] verder financieel gedupeerd zal worden. Bovendien is dit niet de eerste keer dat [gedaagde partij] een huurachterstand heeft laten ontstaan. [gedaagde partij] was in mei van dit jaar ook al door [eisende partij] gedagvaard voor een huurachterstand. [gedaagde partij] was dus een gewaarschuwd mens. Daar komt bij dat de onderneming van [gedaagde partij] nog een vestiging in Amsterdam heeft. [gedaagde partij] zal dan ook niet zonder inkomsten komen te zitten als zij het pand moet verlaten, omdat zij haar onderneming in Amsterdam kan drijven.
De conclusie ten aanzien van de ontruiming
3.8.
Omdat aannemelijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden en de belangenafweging in het voordeel van [eisende partij] uitvalt, heeft [eisende partij] recht en belang bij een ontruiming van het pand op korte termijn. De ontruiming wordt toegewezen.
[gedaagde partij] moet het pand binnen veertien dagen ontruimen en verlaten
3.9.
[gedaagde partij] krijgt veertien dagen de tijd om het pand te ontruimen en te verlaten. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan haar door de deurwaarder is betekend.
[gedaagde partij] moet de huurachterstand tot het bedrag van € 13.516,78 betalen
3.10.
Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde partij] maandelijks € 3.416,44 huur aan [eisende partij] betaalt. Dat heeft [gedaagde partij] niet gedaan. [eisende partij] stelt dat de huurachterstand tot en met november 2025 € 14.096,99 bedraagt. [gedaagde partij] heeft de verschuldigdheid en de hoogte van dit bedrag niet betwist. Dit bedrag wordt toegewezen, met dien verstande dat dit bedrag wordt verminderd met de berekende wettelijke (handels)rente tot en met 31 oktober 2025 van € 580,21. Uit het overzicht in de dagvaarding blijkt dat [eisende partij] een boete van € 900,00 in rekening bij [gedaagde partij] heeft gebracht. Uit artikel 6:92 lid 2 BW Pro volgt dat een contractuele boete de schadevergoeding uit de wet (zoals de wettelijke rente) vervangt. Partijen kunnen onderling afspreken dat [eisende partij] recht heeft op de contractuele boete én de wettelijke rente, maar [eisende partij] heeft niet duidelijk gemaakt dat hierover een afspraak is gemaakt. De kantonrechter wijst daarom het bedrag van € 13.516,78 (= € 14.096,99 - € 580,21) aan huurachterstand tot en met november 2025 toe.
[gedaagde partij] hoeft de wettelijke (handels)rente over de hoofdsom niet te betalen
3.11.
Wat onder 3.10. is overwogen leidt ertoe dat de wettelijke handelsrente over de hoofdsom wordt afgewezen.
[gedaagde partij] moet de proceskosten met rente betalen
3.12.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.258,40
3.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagde partij] kan ontruiming van het pand voorkomen
3.14.
Op de zitting heeft [eisende partij] aangegeven dat als [gedaagde partij] de huurachterstand alsnog voldoet (binnen de in de aanzegging vermelde termijn), zij niet over zal gaan tot ontruiming van het pand. De kantonrechter geeft [gedaagde partij] in overweging om zo snel mogelijk financiering voor de betaling van de huurachterstand te regelen als zij in het pand wil blijven.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.15.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat [eisende partij] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde partij] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. [gedaagde partij] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als zij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde partij] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [eisende partij] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn genoemd onder 3.7. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval het belang van [eisende partij] zwaarder weegt dan de belangen van [gedaagde partij] Daarom wordt het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisende partij] zijn, en de sleutels af te geven aan [eisende partij] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om te betalen aan [eisende partij] :
a. a) € 13.516,78 aan achterstallige huur tot en met 30 november 2025,
b) € 3.416,44 per maand vanaf 1 december 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
4.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 2.258,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
Hht/37278