ECLI:NL:RBMNE:2025:6618

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/5953
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, een autobedrijf, tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is en doet uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De last onder dwangsom, opgelegd op 7 oktober 2025, houdt in dat verzoeker een dwangsom verbeurt als hij na 15 oktober 2025 drie of meer voertuigen, die aan hem toebehoren, op de openbare weg parkeert binnen een straal van 50 meter rondom één van deze voertuigen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en stelt dat het besluit leidt tot ernstige bedrijfsbelemmering en financiële schade. De voorzieningenrechter heeft verzoeker gevraagd om zijn spoedeisend belang nader te onderbouwen, maar verzoeker heeft hier niet adequaat op gereageerd.

De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker niet voldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een spoedeisend belang. De argumenten die verzoeker aanvoert, zoals het risico op invordering van een dwangsom en de dreigende stilstand van zijn bedrijfsactiviteiten, zijn niet voldoende onderbouwd. Bovendien is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en zijn er geen gronden voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5953

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen aan hem opgelegde last onder dwangsom. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft in het besluit van 7 oktober 2025 (het bestreden besluit) een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd die inhoudt dat verzoeker een dwangsom verbeurt, als hij na 15 oktober 2025 drie of meer voertuigen, die kennelijk aan hem toebehoren of aan hem zijn toevertrouwd, op de openbare weg parkeert binnen een straal van 50 meter rondom één van deze voertuigen. De hoogte van de dwangsom is € 500,- per keer, met een maximum van € 2.500,-. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Verzoeker heeft een autobedrijf. Zijn verzoek om een voorlopige voorziening is erop gericht om het bestreden besluit te schorsen. Verzoeker heeft in zijn verzoek gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft, omdat het besluit tot handhaving leidt tot ernstige bedrijfsbelemmering en financiële schade. Verzoeker meldt ook dat het besluit leidt tot acute bedrijfsstilstand.
4. De griffier heeft op 16 oktober 2025 een brief aan verzoeker gestuurd met daarin het verzoek om het spoedeisend belang nader te onderbouwen. Aan verzoeker is gevraagd om toe te lichten hoeveel auto’s hij normaal gesproken buiten plaatst en hoeveel hij als gevolg van het besluit niet langer buiten kan plaatsen. De voorzieningenrechter heeft verzoeker gevraagd om zijn standpunt te onderbouwen met bijvoorbeeld foto’s en plattegronden. Verder heeft de voorzieningenrechter verzocht om met zoveel mogelijk concrete bewijzen te onderbouwen waarom het bedrijf van verzoeker tot stilstand zal komen als hij geen auto’s meer buiten kan zetten.
5. Omdat verzoeker niet op deze brief heeft gereageerd, heeft de griffier het verzoek op 14 november 2025 herhaald en verzoeker een termijn van uiterlijk een week gegeven om te reageren.
6. In reactie hierop heeft verzoeker een brief gestuurd die de rechtbank heeft ontvangen op 21 november 2025. Hierin heeft verzoeker aangevoerd dat hij als gevolg van het besluit het risico loopt dat hij een dwangsom verbeurt, zonder dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit is beoordeeld. Deze financiële schade is volgens verzoeker direct, reëel en onomkeerbaar.
Verzoeker stelt verder dat zijn bedrijfsvoering tot stilstand komt zonder schorsing van het bestreden besluit. Het college verbiedt verzoeker feitelijk om voertuigen tijdens openingstijden tijdelijk buiten te zetten voor poetswerk, logistiek, parkeerbewegingen en bezichtiging. Verzoeker kan zijn autobedrijf zo niet runnen.
7. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker hiermee het spoedeisend belang niet voldoende heeft onderbouwd. Wat betreft verzoekers eerste punt, dat hij het risico loopt op invordering van een dwangsom, overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat dat op dit moment aan de orde is. Er is nog geen sprake van invordering van een eventueel verbeurde dwangsom. Als het college al zou overgaan tot invordering van een dwangsom dan geldt dat het bedrag dat verzoeker daaraan maximaal kwijt zal zijn, niet zo hoog is dat daaruit zonder meer direct grote financiële schade voor hem voortvloeit.
Bovendien zal het college moeten afzien van invordering (of terugbetaling van al geïnde dwangsommen) als verzoeker op enig moment gelijk krijgt.
In de hoogte van de dwangsom en de mogelijkheid dat die dwangsom wordt verbeurd als verzoeker zich niet aan de last houdt, schuilt dus op zichzelf geen spoedeisend belang.
8. De voorzieningenrechter vindt verder dat verzoekers antwoorden op de gestelde vragen te weinig inzicht geven in de feitelijke situatie. Het is niet duidelijk hoeveel voertuigen verzoeker normaal gesproken buiten neerzet en hoeveel voertuigen hij na het bestreden besluit buiten kwijt kan. Verzoeker heeft niet de gevraagde foto’s en plattegronden overgelegd waaruit duidelijk blijkt wat het probleem is. Als er bijvoorbeeld nog wel auto’s mogen staan op andere plekken rond het bedrijf, die niet kunnen worden aangemerkt als openbare weg maar bijvoorbeeld als eigen terrein, dan levert dat een andere situatie op dan dat verzoeker helemaal geen auto’s meer buiten mag parkeren. Het is aan verzoeker om daarover duidelijkheid te geven en daar heeft de voorzieningenrechter ook expliciet om gevraagd. Die duidelijkheid is er nu dus niet en dat komt voor zijn risico.
9. Tot slot heeft verzoeker ook niet onderbouwd dat een stilstand van zijn bedrijfsactiviteiten dreigt door het bestreden besluit. Daarbij is relevant dat de ingangsdatum van de last onder dwangsom dateert van vijf weken geleden. Verzoeker had meer inzicht kunnen geven wat het financieel voor hem betekent dat hij al vijf weken lang geen auto’s meer buiten mag plaatsen op de voor hem gewenste wijze, door bijvoorbeeld de verkoopcijfers van de maanden september, oktober en deels november over te leggen. Door dit niet toe doen, zijn de directe gevolgen van het bestreden besluit niet voldoende uiteengezet.
10. Dit alles samen maakt dat er op dit moment geen spoedeisend belang is om deze zaak met voorrang te behandelen.
11. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Als dat het wel geval zou zijn, zou de voorzieningenrechter eraan voorbij kunnen gaan dat het spoedeisend belang niet voldoende is onderbouwd. Maar dat is dus niet het geval.

Conclusie en gevolgen

12. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.