ECLI:NL:RBMNE:2025:6607

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/5574
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening woningurgentie door voorzieningenrechter Rechtbank Midden-Nederland

Op 21 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening inzake woningurgentie. Verzoeker, die dakloos is geraakt na de verkoop van het huis van zijn ouders, had een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring om in aanmerking te komen voor een woning. Het college van burgemeester en wethouders van Almere had deze aanvraag afgewezen, met als argument dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden voor urgentie. Verzoeker was het niet eens met deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij per direct een urgentieverklaring zou krijgen en tijdelijk onderdak zou kunnen krijgen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen, omdat er onvoldoende zekerheid bestond dat verzoeker recht had op woningurgentie. De voorzieningenrechter oordeelde dat de afwijzing van het college goed gemotiveerd was en dat verzoeker niet in een acute noodsituatie verkeerde die een voorlopige voorziening rechtvaardigde. De voorzieningenrechter benadrukte dat de aanvraag om woningurgentie niet voldeed aan de criteria zoals vastgelegd in de Huisvestingsverordening Almere 2024. Verzoeker had niet aangetoond dat er sprake was van een calamiteit of dat zijn medische situatie een urgentieverklaring rechtvaardigde.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het college in bezwaar een volledige heroverweging moet maken en dat verzoeker de gelegenheid moet krijgen om zijn situatie verder toe te lichten. De voorzieningenrechter wees erop dat de huidige omstandigheden van verzoeker, hoewel zorgwekkend, niet voldoende waren om een voorlopige voorziening te treffen. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de griffier en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5574

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere

(gemachtigden: mr. J.H.S. Biervliet en K.K. Bahora).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring voor het verkrijgen van een woning. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van die aanvraag. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat op dit moment niet voldoende zekerheid bestaat dat verzoeker in aanmerking komt voor urgentie. Dat maakt dat het treffen van een voorlopige voorziening, die inhoudt dat verzoeker een urgentieverklaring krijgt, in dit stadium te ver strekt. De voorzieningenrechter treft ook geen tijdelijke woonvoorziening voor verzoeker. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 26 juni 2025 een aanvraag om woningurgentie ingediend. Het college heeft die aanvraag in zijn besluit van 25 augustus 2025 afgewezen en daarbij verwezen naar het advies van 22 augustus 2025 van de urgentiecommissie. De motivering van het bestreden besluit bestaat dus uit de motivering van het advies.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat verzoeker urgentie krijgt voor een woning en dat hij ook per direct in aanmerking komt voor een tijdelijke woonvoorziening, bijvoorbeeld in een hotel, totdat hij in een eigen woning kan verblijven. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verder gevraagd om te oordelen dat De Schoor, de instantie die verantwoordelijk is voor het welzijn in Almere, onvoldoende maatwerkvoorzieningen heeft getroffen voor verzoeker en jegens hem onzorgvuldig heeft gehandeld.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van het college deelgenomen. Verzoeker heeft zich gemotiveerd afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
3. Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat die onverwijlde spoed hier in elk geval ontbreekt. Volgens het college heeft verzoeker bij zijn aanvraag namelijk gezegd dat hij bij familie en vrienden verblijft. Uit zijn e-mailbericht van 10 november 2025 blijkt volgens het college ook dat verzoeker nu ergens onderdak heeft. Dat maakt dat het, volgens het college, niet noodzakelijk is om nu een voorziening te treffen voor de duur van de behandeling van zijn bezwaar.
3.1.
De voorzieningenrechter volgt het college niet in dit standpunt. Verzoeker heeft toegelicht dat hij geen vaste verblijfplaats heeft. Er zijn door hem wel verschillende woonplekken genoemd waar hij tijdelijk verblijft. Dit vormt voor hem geen stabiele woonsituatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker onderbouwd dat een stabiele woonsituatie voor hem van belang is om te kunnen starten met de behandeling van zijn medische klachten. Verzoeker heeft daartoe verwezen naar een verklaring van De Waag van 4 juni 2025 en een verklaring van zijn huisarts van 30 september 2025. De voorzieningenrechter oordeelt dat daarin voldoende spoedeisend belang bestaat om het verzoek verder te beoordelen.
Hoe beoordeelt de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening?
4. Verzoeker wil met dit verzoek om een voorlopige voorziening in de eerste plaats bereiken dat aan hem een urgentieverklaring wordt verleend en dat hem bovendien per direct onderdak wordt geboden totdat hij op basis van die urgentieverklaring eigen woonruimte heeft gevonden. Verzoeker heeft echter ook gesteld dat de bemiddeling van De Schoor, Team Brede Ondersteuning KOT in Almere, waarvan hij gebruik heeft gemaakt, onzorgvuldig is geweest. Verzoeker vindt dat De Schoor hem geen adequate hulp heeft geboden. Daarbij stelt verzoeker dat de medewerkers van De Schoor hem niet goed hebben behandeld en dat hij hierdoor schade heeft geleden. Hij wil dat de voorzieningenrechter zich ook hierover uitspreekt in deze procedure.
4.1.
De voorzieningenrechter kan in deze procedure echter niet oordelen over de klachten die verzoeker heeft over de bemiddeling van De Schoor, omdat er geen besluit voorligt dat gaat over die bemiddeling. Het besluit waartegen verzoeker bezwaar heeft gemaakt, gaat over een weigering om aan hem woningurgentie te verlenen. De voorzieningenrechter kan alleen oordelen over de voorlopige voorziening die samenhangt met dat bezwaar. Dat heeft ook tot gevolg dat zij de getuigen die verzoeker graag zou willen horen op de zitting, niet heeft uitgenodigd. Deze getuigen zijn aangedragen om wat te zeggen over de bemiddeling bij De Schoor en niet over de afwijzing van de aanvraag om urgentie. De getuigenverklaringen zijn voor deze procedure dan ook niet relevant.
5. De voorzieningenrechter constateert verder dat verzoeker heeft gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen waarmee primair wordt bereikt dat hij wordt behandeld alsof hij een urgentieverklaring heeft. Als de door verzoeker gevraagde voorziening wordt toegewezen, is dat eigenlijk geen voorlopige maatregel. Verzoeker zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld.
6. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker. De voorlopige voorzieningenrechter is van oordeel dat aan deze maatstaf vooralsnog niet is voldaan en zal dat in het onderstaande toelichten.
Wordt voldaan aan de voorwaarden voor woningurgentie?
7. Wie in de gemeente Almere in aanmerking komt voor woningurgentie is neergelegd in de Huisvestingsverordening Almere 2024 (de Huisvestingsverordening). Bijlage II van de Huisvestingsverordening bevat een uitwerking van de urgentieregels. In de bijlage bij deze uitspraak zijn de relevante artikelen uit de Huisvestingsverordening en een deel van Bijlage II opgenomen.
8. Verzoeker heeft aan zijn aanvraag om woningurgentie ten grondslag gelegd dat er in zijn geval sprake is van een calamiteit, omdat hij dakloos is geraakt. Verzoeker woonde tot januari 2025 bij zijn ouders in, maar die hebben hun huis verkocht en zijn geëmigreerd naar Turkije. Verzoeker heeft medische klachten en kan niet aan een behandeling beginnen, omdat hij geen vaste woonplek heeft. Dat blijkt uit de eerdergenoemde brief van De Waag van 4 juni 2025 en uit informatie van de huisarts van 9 en 30 september 2025. Verzoeker heeft er verder op gewezen dat hij in 2011 toeslagpartner was van iemand die gedupeerd is geraakt door de kinderopvangtoeslagaffaire. Verzoeker heeft daarom ook een compensatie ontvangen op grond van de ex-toeslagpartnerregeling. Hij stelt dat zijn klachten verergeren, hij dringend hulp nodig heeft en een eigen woning daarvoor noodzakelijk is. Verzoeker heeft verder gemeld dat hij een zoon van vijftien heeft die hij al lange tijd niet heeft gezien, omdat hij geen woning heeft om zijn zoon te kunnen ontvangen.
9. Het college heeft verzoeker geen urgentie verleend, omdat er geen sprake is van een calamiteit en er ook geen medische gronden zijn op grond waarvan verzoeker in aanmerking komt voor urgentie. Het college heeft verzoeker ook niet in het kader van de hardheidsclausule een urgentieverklaring verleend, omdat zijn situatie niet genoeg verschilt van de situatie van andere woningzoekenden die in vergelijkbare moeilijke omstandigheden verkeren.
10. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college in het bestreden besluit niet goed heeft gemotiveerd waarom de door verzoeker zelf aangedragen urgentiegrond ‘calamiteit’ [1] in zijn geval niet opgaat. Het bestreden besluit bevat alleen de mededeling dat er geen sprake is van een calamiteit zoals bedoeld in de Huisvestingsverordening. Echter wat als zo’n calamiteit moet worden gezien, is niet nader toegelicht. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college gezegd dat een calamiteit pas wordt aangenomen als een woning onbewoonbaar is geraakt en niet binnen vier maanden hersteld kan worden. Bewoners van die woning komen dan in aanmerking voor urgentie. Dit staat echter niet in het bestreden besluit en ook niet in de Huisvestingsverordening of de toelichting daarop. De voorzieningenrechter vindt dat het college dus beter moet uitleggen wat een calamiteit precies is en waarom daarvan in verzoekers geval wel of geen sprake is.
11. Het college heeft verzoeker ook geen urgentie verleend op medische gronden. [2] In het bestreden besluit is toegelicht dat er alleen urgentie op medische gronden wordt verleend als er medische klachten zijn die een belemmering opleveren in het gebruik van een woning. Het college heeft voor een verdere toelichting van deze grond verwezen naar Bijlage II bij de Huisvestingsverordening.
12. De voorzieningenrechter begrijpt uit die toelichting dat medische problemen alleen recht geven op urgentie als de aanvrager al ergens woont en zijn woning om medische redenen niet langer geschikt is voor bewoning door de aanvrager. Voor de toepassing van deze grond is het dus noodzakelijk dat iemand al in een woning eigen woning verblijft. Verzoeker is dakloos en hij verblijft tijdelijk bij andere mensen. Hij laat dus geen eigen woonruimte achter en komt dan ook niet in aanmerking voor urgentie op deze grond. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit punt vooralsnog goed gemotiveerd en niet onzorgvuldig genomen.
12. Tot slot heeft de urgentiecommissie gekeken naar de vraag of de hardheidsclausule in dit geval moet worden toegepast. [3] Daarover is in het bestreden besluit niet meer gezegd dan dat verzoekers situatie niet onderscheidend genoeg is. Dit is echter niet verder toegelicht. Verzoeker heeft verschillende problemen naar voren gebracht, waaronder problemen als gevolg van de toeslagaffaire. Er is niet zichtbaar gekeken naar die problemen.. Dit had wel gemoeten, juist omdat de gemeente Almere beleidsregels heeft opgesteld waarmee zij invulling geeft aan de hardheidsclausule voor mensen die als gevolg van de toeslagaffaire ernstig in de problemen zijn gekomen wat betreft hun huisvesting. [4] In het bestreden besluit is hierover niets vermeld. Evenmin maakt het besluit inzichtelijk dat naar de samenhang van de door verzoeker geschetste problematiek is gekeken. Daarmee kleeft ook op dit punt aan het bestreden besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.
14. Voor zover verzoeker een beroep doet op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ter bescherming het familieleven dat hij met zijn zoon uitoefent of wil uitoefenen, overweegt de voorzieningenrechter dat een beroep op deze verdragen geen zelfstandige grond voor urgentie oplevert. Verzoeker heeft verder ook niet toegelicht hoe hij tot nu toe het contact met zijn zoon heeft onderhouden, hoe hij invulling geeft aan het familieleven en wat er nodig is om het contact met zijn zoon te behouden of te herstellen. Het is aan verzoeker om hierover zelf, bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting in bezwaar, meer informatie te verschaffen en het is vervolgens aan het college om te bezien hoe hij het gestelde familieleven meeweegt bij de beoordeling in bezwaar.
14. In bezwaar zal het college een volledige heroverweging moeten maken en in elk geval opnieuw moeten kijken naar de urgentiegrond ‘calamiteit’ en de toepassing van de hardheidsclausule. De gemachtigde van het college heeft op de zitting ook toegezegd dat tijdens de hoorzitting zal worden gekeken naar de samenhang tussen de verschillende problemen van verzoeker. Daarbij zal de huidige stand van zaken ook worden besproken. Het college zal daarna opnieuw naar de aanvraag kijken en ook bezien of andere oplossingen voor het woonprobleem van verzoeker denkbaar zijn.
14. De voorzieningenrechter oordeelt dat, hoewel het college in bezwaar nog het één en ander moet onderzoeken en moet motiveren, op dit moment geen sprake is van een situatie waarin nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker. Het kan zijn dat het college, alles overziend, in bezwaar beslist dat verzoeker toch in aanmerking komt voor urgentie, maar het kan ook zijn dat het college het geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in bezwaar herstelt. Die mogelijkheid heeft het college, omdat het gaat om een volledige heroverweging in bezwaar. Daarbij komt dat de toepassing van de hardheidsclausule, waar het college nog eens goed naar moet kijken, een specifieke bevoegdheid is van het college waarbij hij grote beslissingsruimte heeft. Het is niet aan de voorzieningenrechter om nu zelf al een eigen invulling te geven aan die ruimte.
14. Omdat er dus geen situatie is waarin nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoeker, treft de voorzieningenrechter niet de voorlopige voorziening dat verzoeker moet worden behandeld alsof aan hem urgentie is verleend. Die voorziening gaat simpelweg te ver in dit stadium.
14. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om een tijdelijke voorziening te treffen, die inhoud dat aan verzoeker per direct woonruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een hotel, wordt verstrekt. Het treffen van zo’n voorziening en het geven van een opdracht aan het college om daar zorg voor te dragen, is verstrekkend. Aan zo’n tijdelijke oplossing zou wellicht kunnen worden gedacht als sprake is van een acute (medische) noodsituatie en duidelijk is dat verzoeker die niet zelf kan oplossen. Dat er op dit moment zo’n (medische) noodsituatie aan de orde is of dreigt, heeft verzoeker onvoldoende onderbouwd. Dit blijkt namelijk niet uit de door hem overgelegde medische stukken. Ook heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij niet zelf tijdelijk, voor de duur van de bezwaarfase, in zijn verblijf zou kunnen voorzien, zoals hij tot nu toe ook in zijn verblijf heeft voorzien.
14. Het is de voorzieningenrechter zonder meer duidelijk dat verzoeker veel problemen ervaart en daarvoor een oplossing zoekt. Een vaste woonplek zal hem de mogelijkheid geven om aan zijn medische problemen te kunnen werken en het is zonder meer begrijpelijk dat hij dat graag wil. Het ligt op de weg van verzoeker om de huidige stand van zaken verder toe te lichten bij het college, zodat het college beschikt over alle benodigde informatie. Het is vervolgens aan het college om, met inachtneming van deze uitspraak, te beslissen op het bezwaar en daarbij te betrekken welke (andere) mogelijkheden er zijn voor verzoeker om aan onderdak te komen, zodat hij aan zijn herstel kan werken.

Conclusie en gevolgen

20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker niet wordt behandeld alsof aan hem urgentie is verleend en dat er ook geen tijdelijke woonoplossing hoeft te worden geregeld door het college. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Huisvestingsverordening Almere 2024

Artikel 11. Voorrang bij urgentie

1. Bij het verlenen van huisvestingsvergunningen wordt voorrang gegeven aan woningzoekenden voor wie voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is en aan wie burgemeester en wethouders een urgentieverklaring hebben afgegeven.
[…]
3.De behoefte aan woonruimte wordt dringend noodzakelijk geacht en een urgentieverklaring wordt verleend indien, ter beoordeling van burgemeester en wethouders:
[…]
b. de woningzoekende in een acute noodsituatie verkeert; of
c. de woningzoekende op grond van medische of sociale redenen dringend moet omzien naar andere woonruimte; of
[…]
h. sprake is van calamiteiten, crisisopvang, overlast en betalingsproblemen die slechts kunnen worden opgelost met het aanbieden van een passende woning elders;
[…]
4.De in het derde lid genoemde urgentiecategorieën en de voorwaarden om voor een urgentieverklaring in aanmerking te komen zijn uitgewerkt in Bijlage II bij deze verordening. Tevens regelt Bijlage II voor welke woonruimtecategorieën woningzoekenden als bedoeld in het eerste lid bij voorrang voor een huisvestingsvergunning in aanmerking gebracht kunnen worden.

Artikel 30. Hardheidsclausule

In gevallen, waarin strikte naleving van deze verordening tot onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, kunnen burgemeester en wethouders ten gunste van de woningzoekende afwijken van deze verordening.

Bijlage II

[…]2. Acute noodsituatie (artikel 11 derde lid onder b)

Onder een acute noodsituatie als bedoeld in artikel 11 derde lid onder b wordt verstaan de situatie waarin de zelfstandige woning van woningzoekende door een calamiteit zoals brand, ernstige waterschade of explosie ongeschikt is geraakt voor bewoning.[…]
3. Medische en/of sociale redenen (artikel 11 derde lid onder c)
Aan het criterium genoemd in artikel 11 derde lid onder c wordt voldaan indien op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake is van een levensontwrichtende situatie die alleen kan worden opgelost met (andere) zelfstandige woonruimte op zeer korte termijn. De woningzoekende dient zelf zijn levensontwrichtende woonsituatie aan te tonen en te zorgen voor bewijsmateriaal.
Tot een levensontwrichtende situatie worden uitsluitend gerekend:
a. Een medische situatie die de woonomstandigheden onhoudbaar maken. De woonomstandigheden worden als onhoudbaar beschouwd in de volgende gevallen:
– als de bruikbaarheid of toegankelijkheid van de zelfstandig woning door ziekte of door een lichamelijke of verstandelijke beperking ernstig wordt belemmerd (ergonomische belemmeringen).
– als de huidige zelfstandig woonsituatie ernstige schade veroorzaakt aan de gezondheid.
De woningzoekende dient door het overleggen van verklaringen van een arts en/of medisch specialist aan te tonen dat hij voldoet aan voornoemde criteria om in aanmerking te komen voor een medische urgentie. Uit de verklaring dienen de aard van de problematiek en de belemmeringen die het oplevert in het gebruik van de woning te kunnen worden afgeleid.
Een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke instelling toetst of de woningzoekende in aanmerking komt voor een medische urgentie en adviseert de urgentiecommissie. Indien de woningzoekende reeds op een van de in artikel 11, vijfde lid, genoemde gronden niet voor een urgentieverklaring in aanmerking komt, dan wel indien de urgentieaanvraag niet vergezeld gaat van een verklaring van een arts en/of medisch specialist die aan voornoemde voorwaarden voldoet, kan onverminderd het bepaalde in artikel 30 (hardheidsclausule)voornoemde toetsing achterwege blijven.
De te verlenen urgentieverklaring bevat in ieder geval een zoekprofiel dat is afgestemd op de medische situatie van de woningzoekende.

[…]Artikel 30. Hardheidsclausule

De aard en de strekking van de hardheidsclausule zijn zodanig dat deze slechts met uiterste terughoudendheid kan worden toegepast. Er moet sprake zijn van uitzonderlijke omstandigheden die bij het vaststellen van de verordening niet zijn voorzien en gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Bij de toetsing van de bijzondere gevallen dient ook beoordeeld te worden of het college in eerdere, vergelijkbare situaties heeft besloten tot toepassing van de hardheidsclausule.

Voetnoten

1.Artikel 11, derde lid, aanhef en onder h, van de Huisvestingsverordening.
2.Artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening.
3.Artikel 30 van de Huisvestingsverordening.
4.Beleidsregels hardheid huisvestingsverordening kinderopvangtoeslagaffaire november 2022.