ECLI:NL:RBMNE:2025:6596

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/8223
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming door de Rechtbank Midden-Nederland

Op 15 oktober 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser een beroep had ingesteld tegen de Dienst Toeslagen. Eiser had een inzageverzoek ingediend op basis van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), maar was het niet eens met het besluit van de Dienst Toeslagen van 15 december 2023, waarin zijn verzoek werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de Dienst Toeslagen op 25 november 2024, heeft eiser beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 15 oktober 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat eiser de gedingstukken had ingezien en op de hoogte was van de verwerkte persoonsgegevens. De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen voldoende informatie had verstrekt over de verwerking van persoonsgegevens en dat er geen bewijs was dat er meer gegevens waren verwerkt dan in het besluit was vermeld. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was, wat betekende dat eiser geen recht had op terugbetaling van griffierechten of proceskosten. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door rechter A.A.M. Elzakkers, in aanwezigheid van griffier M.E.C. Bakker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8223
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Idrissi),
en

de Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser dat gaat over zijn inzageverzoek op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De Dienst Toeslagen heeft in het besluit van 15 december 2023 gereageerd op dat inzageverzoek.
1.1.
Eiser is het niet eens met het besluit. Daarom heeft hij bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Dienst Toeslagen in het bestreden besluit van 25 november 2024 ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
1.2.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De zitting vond plaats op 15 oktober 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en zal hierna toelichten waarom.
3. Eiser heeft een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de AVG gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft de Dienst Toeslagen een besluit op zijn bezwaar genomen. Dat is het besluit dat de rechtbank in deze procedure toetst.
4. De rechtbank stelt eerst vast dat eiser op de zitting voor het eerst zegt dat hij de stukken niet kan lezen. Dit heeft hij echter niet eerder aangevoerd, niet in bezwaar en evenmin in beroep. De rechtbank heeft ook niet gezien dat hij hierover contact heeft opgenomen met de Dienst Toeslagen of de rechtbank. Op de zitting is verder vastgesteld dat eiser de gedingstukken die tot het bestreden besluit hebben geleid, heeft gezien en ook weet welke persoonsgegevens de Dienst Toeslagen van hem verwerkt. Dat staat in het bestreden besluit en daarover gaat deze uitspraak. De rechtbank gaat daarom verder aan dit punt voorbij.
5. Het bestreden besluit is een uitgebreid gemotiveerd besluit. In dit geval heeft de Dienst Toeslagen ervoor gekozen om een overzicht te geven van de persoonsgegevens die hij in het kader van zijn wettelijke taak, het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van zorg-, huur en kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget, van eiser verwerkt. [1] De Dienst Toeslagen heeft het doel van de verwerking daarbij duidelijk vermeld. Ook staat in het bestreden besluit omschreven welke persoonsgegevens de Dienst Toeslagen heeft gedeeld met andere instanties. Wat eiser daar tegenover zet, vindt de rechtbank onvoldoende concreet om te oordelen dat in dit besluit informatie ontbreekt. Eiser heeft gezegd dat er meer zou moeten zijn, omdat hij slachtoffer van de toeslagaffaire is en te boek heeft gestaan als fraudeur. Hij is daarom op zoek naar wat er gaande is. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er meer persoonsgegevens zouden zijn verwerkt dan genoemd in het besluit, dat uitgebreid gemotiveerd is. Daarbij wordt opgemerkt dat de Dienst Toeslagen mag werken met overzichten van verwerkingen en toelichtingen mag geven op het doel van die verwerkingen. De Dienst Toeslagen hoeft dus geen kopieën van documenten te verstrekken.
6. De rechtbank stelt verder vast dat de Dienst Toeslagen heeft onderzocht welke gegevens er met andere instanties zijn gedeeld. Naar aanleiding van het bezwaarschrift is er navraag gedaan bij het Uwv naar een mogelijke verwerking van persoonsgegevens van eiser. Daaruit is niet naar voren gekomen dat de Dienst Toeslagen gegevens heeft gedeeld met het Uwv. Eiser heeft verder geen concrete aanwijzingen verstrekt waaruit volgt dat dit niet klopt of dat de Dienst Toeslagen het besluit op dit punt niet goed heeft gemotiveerd. De Dienst Toeslagen heeft gecontroleerd of er persoonsgegevens zijn gedeeld met het Uwv en dat blijkt niet zo te zijn. Een uitwisseling van persoonsgegevens tussen de Dienst Toeslagen en het Uwv ligt, in het kader van de wettelijke taak van beide bestuursorganen, verder ook niet direct voor de hand.
7. Samenvattend komt de rechtbank dus tot de conclusie dat het beroep van eiser niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen eiser voldoende inzage heeft gegeven in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2025 door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awit).