16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zowel de Alcoholwet als de APV een intrekkingsgrond bevatten vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens bij de aanvraag. De artikelen verschillen van elkaar en daarom zal de voorzieningenrechter hierna afzonderlijk bespreken of aan de voorwaarden voor intrekking van de vergunningen is voldaan.
17. In artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet is – kort samengevat – bepaald dat de burgemeester de alcoholvergunning moet intrekken als er ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, terwijl als die gegevens wel volledig bekend zouden zijn geweest bij de burgemeester, hij een andere beslissing zou hebben genomen.
18. De voorzieningenrechter vindt, net als de burgemeester, aannemelijk dat [A] al langere tijd optreedt als leidinggevende in de bar. Hoewel verzoekster heeft gezegd dat dit pas is gestart vanaf januari 2025, toen [A] een zieke vennoot verving, zijn er erg veel aanwijzingen dat [A] zich al veel eerder gedroeg als leidinggevende van de bar. De burgemeester heeft in het bestreden besluit opgesomd hoe vaak [A] als leidinggevende is aangetroffen bij controles in de bar. Bovendien heeft [A] zichzelf in een andere procedure geprofileerd als feitelijk leidinggevende van de bar. Zo heeft hij onder meer gezegd dat hij altijd bij de bar betrokken is geweest; dat hij al vijftien jaar geen leidinggevende mag zijn; en heeft de gemachtigde van verzoekster tijdens een andere zitting bij de rechtbank gezegd dat [A] het gezicht is van de bar. Verzoekster heeft bij haar aanvraag om een alcoholvergunning in 2021 niet gemeld dat het haar bedoeling was dat [A] leiding zou geven aan de bar en dat had zij wel moeten doen.
19. De vraag is echter of, als dit bekend zou zijn geweest, de burgemeester een andere beslissing genomen zou hebben. Op grond van de Alcoholwet moet de vergunning immers worden ingetrokken als bekendheid met de juiste gegevens tot een andere beslissing had geleid. Dat ziet de voorzieningenrechter niet. In de aan verzoekster verleende exploitatievergunning van 22 maart 2022 staat namelijk vermeld dat er op 18 september 2021 een vechtpartij in de bar heeft plaatsgevonden, waarbij een leidinggevende, die niet op de vergunning stond bijgeschreven, zich in het contact met de politie heeft gepresenteerd als leidinggevende. De gegevens van deze leidinggevende waren bekend bij de politie. Er is onderzoek gedaan naar deze leidinggevende en daarbij is vastgesteld dat deze zich eerder tot de burgemeester heeft gewend om als leidinggevende te worden bijgeschreven. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld, omdat niet alle gegevens voor deze aanvraag waren overgelegd. In het bestreden besluit maakt de burgemeester melding van dit incident en verklaart hij dat [A] de betreffende leidinggevende is.
Uit het voorgaande maakt de voorzieningenrechter op dat de burgemeester op het moment van de vergunningverlening al op de hoogte was van de bemoeienis van [A] als leidinggevende bij de exploitatie. Dit heeft er echter niet toe geleid dat de burgemeester de alcoholvergunning heeft geweigerd.
20. Zonder nadere motivering kan de burgemeester zich daarom niet op het standpunt stellen dat aan alle voorwaarden van artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet is voldaan en hij de vergunning dus moet intrekken. Het is aan de burgemeester om nader te motiveren waarom hij vindt dat wel is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 31, eerste lid, onder a, van de Alcoholwet.
21. Ook de APV kent een intrekkingsbevoegdheid als er ter verkrijging van een vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt. De burgemeester heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt bij de aanvraag en dat hij de exploitatievergunning in zo’n geval altijd moet intrekken.
22. Zoals uit wat hiervoor is overwogen, twijfelt de voorzieningenrechter er niet aan dat [A] van meet af aan betrokken is geweest bij de exploitatie en dat verzoekster dat had moeten melden bij de aanvraag. Artikel 1.6 van de APV is echter, anders dan de burgemeester aanneemt, geen dwingende bepaling, maar een zogenaamde ‘kan-bepaling’. Het is dus aan de burgemeester om in een besluit een concrete afweging te maken waarom hij in dit geval van de gegeven bevoegdheid tot intrekking van de exploitatievergunning gebruikmaakt. Die motivering ontbreekt in het bestreden besluit en daarom kleeft aan dit besluit een gebrek. Het is aan de burgemeester om het gebrek in bezwaar te herstellen, ook in het licht van de nieuw ontstane situatie dat [A] niet langer (als vennoot) is betrokken bij de bar.
Intrekkingsgrond 3): tijdig doorgeven wijziging uittredende vennoot in 2022
23. De derde grond die de burgemeester aan de intrekking van de vergunningen ten grondslag legt, is dat verzoekster te laat aan de burgemeester heeft doorgeven dat een eerdere vennoot niet langer bij de exploitatie van de bar betrokken is. Deze wijziging vond plaats op 4 juli 2022 en verzoekster heeft dit pas op 22 januari 2025 aan de burgemeester meegedeeld.
24. Verzoekster stelt dat zij de wijziging wel tijdig heeft doorgegeven, maar dat wijzigingen bij de burgemeester vaak niet juist worden geregistreerd. Als bewijs heeft verzoekster e-mailberichten uit 2017 afkomstig van haar boekhouder bijgevoegd.
25. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar standpunt dat zij wel tijdig de wijziging van 4 juli 2022 heeft doorgegeven. Zij heeft hiervan namelijk geen bewijs overgelegd. Ook kan de voorzieningenrechter uit de overgelegde e-mailberichten uit 2017 niet afleiden dat een mogelijke melding door de burgemeester niet goed zou zijn opgepakt. Het staat daarmee naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter vast dat verzoekster de wijziging te laat heeft doorgegeven.
26. De vraag is alleen wat voor gevolg dat moet hebben. Wat betreft de exploitatievergunning wijst de voorzieningenrechter erop dat, zoals hiervoor ook is overwogen, de burgemeester op grond van artikel 1.6 van de APV de bevoegdheid toekomt om een exploitatievergunning in te trekken, maar hij moet dan wel motiveren waarom hij van deze bevoegdheid gebruikmaakt. Dat heeft hij in het bestreden besluit niet gedaan en dat zal hij in het besluit op bezwaar alsnog moeten doen.
Wat betreft de alcoholvergunning, geldt dat de burgemeester in het bestreden besluit niet voldoende duidelijk heeft gemaakt van welke bevoegdheid tot intrekking van de vergunning hij gebruikmaakt. Onder het kopje ‘wet- en regelgeving’ in het bestreden besluit noemt de burgemeester artikel 31, eerste lid, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 30a, eerste lid, van de Alcoholwet. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk waar het niet tijdig melden van het vertrek van een vennoot precies onder geschaard moet worden. Hierover zal de burgemeester in een besluit op bezwaar dus meer duidelijkheid moeten verschaffen. Voor zover de intrekking zou berusten op het ook door de burgemeester genoemde tweede lid van artikel 31 van de Alcoholwet, wijst de voorzieningenrechter erop dat dit – anders dan het eerste lid – een ‘kan-bepaling’ is. De burgemeester zal als dit de grondslag is, dus moeten toelichten waarom hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid
27. Samenvattend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester de intrekking van beide vergunningen in bezwaar beter zal moeten toelichten dan hij tot nu toe heeft gedaan. Dat betekent niet zonder meer dat de intrekking van tafel is, maar dat de burgemeester – als hij het bestreden besluit wil handhaven – een betere motivering moet geven welke bevoegdheden hij aanwendt en waarom er tot intrekking van de vergunningen wordt overgegaan. Daarbij zal hij moeten betrekken dat op de zitting is toegelicht dat de burgemeester uitgaat van een opeenstapeling van verschillende intrekkingsgronden. De vraag die voorligt is of, als de eerste intrekkingsgrond in bezwaar niet gehandhaafd blijft, de andere intrekkingsgronden de intrekking van de vergunningen zelfstandig kan dragen. Het bezwaar heeft daarmee een redelijke kans van slagen.
Hoe weegt de voorzieningenrechter de belangen?
28. De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verzoekster bij het open houden van de bar in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de burgemeester bij een sluiting. Zij begrijpt dat voor de burgemeester de maat echt vol is. Het valt verzoekster te verwijten dat het zo ver moest komen dat de burgemeester de vergunningen heeft ingetrokken, omdat zij zonder deze intrekking geen gevolg gaf aan de eis van de burgemeester om [A] uit te schrijven. Dat het voor haar niet eerder mogelijk zou zijn geweest om [A] uit te schrijven, zoals op de zitting is gezegd, vindt de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Het is in zoverre terecht dat de burgemeester optreedt en er verscherpt toezicht is op het reilen en zeilen in de bar.
29. Daar staat echter tegenover dat [A] inmiddels is uitgeschreven als vennoot. Dat maakt dat het hoofddoel van de burgemeester in elk geval juridisch is bereikt. Een onderzoek naar een mogelijke voortdurende feitelijke betrokkenheid van [A] bij de bar, zal plaatsvinden in het kader van de nieuwe vergunningsaanvragen en dit zal volgens de burgemeester gebeuren ongeacht of de vergunningen worden ingetrokken. Verzoekster heeft verder toegezegd te zullen meewerken aan dit onderzoek en volledige transparantie te zullen bieden. De burgemeester mag dat ook van haar verwachten. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter dat een sluiting van de bar grote gevolgen heeft voor verzoekster, zowel voor haar personeel, de buurt en financieel. Gelet op die belangen, samen gezien met de onduidelijkheid hoe de bezwaarprocedure gaat verlopen, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van verzoekster om gedurende die bezwaarprocedure open te blijven, groter is. Daarom zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen.
Conclusie en gevolgen