ECLI:NL:RBMNE:2025:6587

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
UTR 23/4478
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzageverzoek persoonsgegevens in het kader van de AVG met betrekking tot de Fraude Signaleringsvoorziening

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 24 november 2025, wordt het beroep van eiser beoordeeld met betrekking tot zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens, zoals bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiser, die gedupeerden is van de kinderopvangtoeslagaffaire, had verzocht om inzage in zijn gegevens die zijn verwerkt in de Fraude Signaleringsvoorziening (FSV). De minister van Financiën had dit verzoek gedeeltelijk toegewezen, maar eiser was van mening dat hij niet voldoende inzage had gekregen in zijn persoonsgegevens.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister op 11 oktober 2024 een overzicht heeft verstrekt van de meldingen in de FSV die eiser betreffen, maar dat niet alle persoonsgegevens zijn vermeld. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat de minister niet alle noodzakelijke gegevens heeft verstrekt die eiser in staat zouden stellen zijn rechten onder de AVG uit te oefenen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de minister en draagt hem op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de rechtbank de minister ook verplicht om het griffierecht en proceskosten aan eiser te vergoeden.

De rechtbank benadrukt dat de verplichting om een kopie van de persoonsgegevens te verstrekken niet betekent dat een bestuursorgaan verplicht is om de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen, te verstrekken. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde persoonsgegevens niet konden worden verstrekt en dat de belangenafweging niet adequaat is uitgevoerd. Hierdoor is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4478

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens als bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het verzoek ziet op zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in de zogenoemde Fraude Signaleringsvoorziening (FSV).
2. De minister heeft dit verzoek met het besluit van 7 april 2023 gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 1 september 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de gedeeltelijke toewijzing van het verzoek gebleven.
3. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben laten weten niet op de zitting te verschijnen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
5. Op 12 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. De rechtbank heeft de minister verzocht om, al dan niet onder gedeeltelijke geheimhouding, alle persoonsgegevens die zijn aangetroffen over eiser in de FSV over te leggen.
6. Bij brief van 11 oktober 2024 heeft de minister op dit verzoek gereageerd. Hij heeft drie printscreens (bijlagen 1, 2, en 3) van vermelding van eiser in de FSV overgelegd waarvan diverse gedeelten zwart zijn gemaakt. Ook heeft de minister een email met een bijlage (bijlagen 4 en 5) met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder geheimhouding aan de rechtbank toegestuurd, evenals een ongeschoonde versie van deze 5 bijlagen en een motivering.
7. De rechtbank heeft op 18 oktober 2024 aan partijen medegedeeld dat zij handelt alsof de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is omdat de stukken onderdeel zijn van een procedure op grond van de AVG en de stukken daarmee inzet van het geding zijn. De rechtbank verwijst daartoe naar artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
8. Op 24 oktober 2024 heeft eiser toestemming gegeven aan de rechtbank om de geheime stukken bij de beoordeling van de zaak te betrekken.
9. Op 18 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het besluit

10. Eiser en zijn echtgenote zijn gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire en als zodanig ook erkend door de Belastingdienst/Toeslagen. De integrale beoordeling in het kader van de hersteloperatie Kinderopvangtoeslag is afgerond. Eisers echtgenote heeft hierna de Commissie Werkelijke Schade (CWS) van de Belastingdienst/Toeslagen, gevraagd de door haar en haar partner als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire daadwerkelijk geleden schade te compenseren. In het kader van deze procedure heeft eiser aan de minister gevraagd om inzage te verstrekken in zijn persoonsgegevens met betrekking tot de door de Belastingdienst/Toeslagen in het verleden gehanteerde Fraude Signalering Voorziening (FSV) met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 12 en 15, eerste lid, van de AVG.
Waarom heeft de minister het inzagerecht beperkt?
11. De minister heeft naar aanleiding van dit verzoek onderzoek gedaan in de systemen. Uit dit onderzoek blijkt dat er persoonsgegevens van eiser zijn aangetroffen in de FSV. De minister heeft de aangetroffen persoonsgegevens verstrekt. Dit betreffen eisers BSN-nummer, voorletters en achternaam. De minister geeft geen inzage in alle persoonsgegevens, omdat de door eiser gevraagde informatie onder de uitzonderingsgronden van artikel 23 van de AVG en artikel 41, eerste lid, aanhef en onderdelen h en i van de Uitvoeringswet AVG (UAVG) valt. Het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn niet geschonden. In dat kader weegt het belang van de minister zwaarder dan het belang van eiser om zijn persoonsgegevens in te zien. Er spelen ook belangen van derden. Verder neemt de minister bij deze overweging in aanmerking dat de FSV inmiddels is uitgezet en dat het niet meer kan worden geraadpleegd door de Belastingdienst. De gegevens zullen bovendien na afronding van de onderzoeken worden verwijderd. Tot nu toe zijn er geen aanwijzingen dat de (persoons)gegevens door de Belastingdienst zijn gebruikt voor automatische besluitvorming of profilering. Op 21 juli 2023 is aan eiser medegedeeld dat de opname in de FSV voor hem geen nadelige gevolgen heeft gehad.

Beoordeling door de rechtbank

12. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
13. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is het toetsingskader voor de rechtbank?
14. Het is vaste rechtspraak dat de kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt en die de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de AVG moet verstrekken, alle noodzakelijke kenmerken moet vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren.
15. Om hem daartoe in staat te stellen, moet het overzicht niet alleen een omschrijving van het persoonsgegeven vermelden, maar ook het persoonsgegeven zelf, en moeten de verwerkingsdoeleinden worden vermeld. Indien dat voor betrokkene nodig is om te kunnen beoordelen of de persoonsgegevens rechtmatig zijn verwerkt, dient meer informatie te worden verstrekt over de inhoud, de strekking of de context van een e-mail (of document).
16. Artikel 15 van de AVG heeft echter niet als doel de toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. De verplichting een kopie van de persoonsgegevens te verstrekken op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG, betekent niet dat een bestuursorgaan verplicht is om een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Een bestuursorgaan mag dat doen, maar mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, mits met de gekozen wijze van verstrekking aan het doel van artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan.
Is aan eiser voldoende inzage verleend?
17. Eiser gaat ervan uit dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt in de FSV. Daarmee is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder d, van de AVG, waarin eiser op grond van dat artikellid recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens. Omdat sprake is van gegevens van onrechtmatige gegevensverwerking, en de minister desalniettemin eiser geen volledige inzage wenst te verlenen in de gegevens die van hem zijn opgenomen, wordt eiser daarmee ook ten onrechte de mogelijkheid ontnomen om tot wissing van die gegevens te vragen. Eiser weet immers niet om welke gegevens het gaat.
18. De rechtbank stelt vast dat de minister op 11 oktober 2024 een overzicht heeft verstrekt van de meldingen in de FSV die eiser betreffen:
1. de melding in FSV (Dagboek FSV). Hierop kan geklikt worden, dan kom je op de inhoud van de vermelding. Dit is de printscreen van het ‘voorblad’.
2. de inhoud van de vermelding. Hierop staat ook een knop Bijlage.
3. De pagina waar je kan klikken op de bijlage.
4. De bijlage betreft een mail.
5. In de mail zit ook een bijlage, dat is een anonieme brief met envelop.
19. In bijlagen 1, 2 en 3 zijn passages zwartgelakt. Bijlagen 4 en 5 heeft de minister verstrekt onder volledige geheimhouding. Voor al deze gegevens beroept de minister zich op de uitzonderingsgronden van artikel 23, eerste lid, sub e, h en i, in samenhang met het tweede lid, sub h, van de AVG en artikel 41 van de UAVG. In deze brief van 11 oktober 2024 heeft de minister ook een openbare motivering gegeven waarom persoonsgegevens niet worden verstrekt.
20. De rechtbank stelt vast dat uit de openbare motivering van 11 oktober 2024 blijkt dat de minister in het primaire besluit en het bestreden besluit niet alle persoonsgegevens heeft vermeld die de minister heeft aangetroffen in de FSV. De minister heeft namelijk pas in beroep, na heropening van het onderzoek ter zitting, in de reactie van 11 oktober 2024 vermeld dat in het primaire besluit ten onrechte niet de volledige voornaam van eiser is genoemd. Ook maakt de minister pas op 11 oktober 2024 melding van bijlagen 4 en 5, die onder geheimhouding zijn verstrekt, waarin ook persoonsgegevens van eiser zijn opgenomen, terwijl de minister bijlagen 4 en 5 niet eerder heeft genoemd. Alleen al om deze reden slaagt het beroep en wordt het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
21. De rechtbank zal vervolgens bezien of er aanleiding bestaat de rechtgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.
22. Eiser voert aan dat de verwijzing van de minister naar artikel 23 van de AVG alsmede artikel 41 van de UAVG onduidelijk. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de minister deze artikelen van toepassing acht. Reeds hierom is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Evenmin is in het bestreden besluit aangegeven welke (algemene dan wel individuele of, zoals in het besluit wordt genoemd, 'strategische') belangen zijn afgewogen tegen het belang van eiser om te weten waarom hij in de FSV stond vermeld, met welke gegevens en met wie deze gegevens zijn gedeeld. Hierdoor valt op geen enkele wijze te verifiëren of het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel op behoorlijke wijze zijn toegepast. Reeds hierom is sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
23. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken die de minister onder geheimhouding heeft overgelegd. Het betreft een ongeschoonde versie van de bijlagen 1, 2 en 3 en de volledig geheimgehouden bijlagen 4 en 5. Ook heeft de minister een motivering van de geheimhouding met een beroep op artikel 8:29 van de Awb overgelegd.
24. Over bijlagen 1, 2 en 3 overweegt de rechtbank dat eiser inzage heeft gekregen in alle persoonsgegevens van hem die daar staan vermeld. De gelakte passsages in deze bijlagen bevatten persoonsgegevens van medewerkers en andere derden. Dat de namen van deze derden niet aan eiser worden verstrekt vindt de rechtbank niet onredelijk. Deze persoonsgegevens morgen worden geweigerd op grond van artikel 23, eerste lid, sub h en i, van de AVG in samenhang met artikel 41 van de UAVG.
25. Over bijlagen 4 en 5 stelt de rechtbank vast dat deze bijlagen directe en indirecte persoonsgegevens bevatten. De rechtbank overweegt dat de minister inzage in deze persoonsgegevens op zich heeft mogen weigeren op de h- en i-grond van artikel 23, eerste lid van de AVG in samenhang met artikel 41 van de UAVG. Het algemeen belang van de belastingdienst verzet zich tegen het eventueel met negatieve gevolgen voor derden delen van die gegevens. De rechtbank volgt de minister dat het mogelijk moet zijn om anonieme meldingen te doen over anderen, omdat daar bruikbare signalen over de heffing tussen kunnen zitten. De weigering van de persoonsgegevens in deze bijlagen kan niettemin geen standhouden omdat de motivering daarvan ontoereikend is voor eiser.
26. De rechtbank heeft kennisgenomen van de motivering van 11 oktober 2024 die onder geheimhouding aan de rechtbank is verstrekt. De rechtbank stelt vast dat deze motivering veel breder is dan de openbare motivering die met eiser is gedeeld. De minister vindt het noodzakelijk en evenredig dat die privacy van anderen wordt gewaarborgd. Die privacy wordt volgens de minister niet (langer) beschermd en gewaarborgd als de minister aan eiser prijsgeeft wat daar concreet mee wordt bedoeld. Hoewel de waarborging van het recht op privacy van anderen een legitieme reden is om volledige inzage te weigeren, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een motiveringsgebrek. In het bestreden besluit is namelijk de weging van belangen bij het hanteren van deze uitzonderingsgrond, in het geheel niet gemotiveerd. De rechtbank begrijpt dat de minister hierbij niet teveel informatie wil prijsgeven om die belangen te kunnen beschermen, maar is van oordeel dat van de minister mag worden verwacht dat hij die motivering zo formuleert dat voor eiser, die wil weten hoe het mogelijk is dat zijn gegevens in de FSV geregistreerd waren, concreter wordt gemaakt waarom het belang van bescherming van de privacy van anderen aan volledige inzage in de weg staat, zonder daarbij het zo concreet te maken dat die privacy niet langer is beschermd. Dat heeft de minister verzuimd. Eiser tast nu volkomen in het duister over de reden waarom hij geen volledige inzage krijgt in die gegevens.

Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
28. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal
€ 907,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 1 september 2023;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
24 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.