In deze zaak heeft eiseres, een Belgische, bezwaar gemaakt tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om overname van schulden door de minister van Financiën. Het verzoek werd deels afgewezen bij besluit van 29 augustus 2022. Eiseres diende op 15 december 2023 een bezwaarschrift in, waarin zij bovenaan de vermelding "voorlopig bezwaarschrift c.q. verzoek tot herziening" had geplaatst. De minister verklaarde het bezwaar op 7 maart 2024 niet-ontvankelijk, omdat het te laat was ingediend zonder verschoonbare reden. Eiseres maakte hiertegen opnieuw bezwaar, maar de minister gaf aan dat er geen rechtsmiddel openstond tegen de ambtshalve inhoudelijke beoordeling van het bezwaar.
Eiseres heeft op 30 mei 2024 beroep ingesteld tegen de brief van 18 april 2024, waarin de minister haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar eiseres en haar gemachtigde niet. De rechtbank overweegt dat de vermelding "verzoek tot herziening" boven het bezwaarschrift geen aanvullende betekenis heeft en dat de minister niet verplicht was om dit als een herhaalde aanvraag te beschouwen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is, en dat eiseres geen gelijk heeft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en het griffierecht wordt niet teruggegeven.