ECLI:NL:RBMNE:2025:6564

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11316595
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichte deelname in pensioenregeling Bpf Detailhandel en zorgplicht Achmea

In deze zaak staat centraal of eiser, die van 1 januari 1988 tot 1 januari 2017 werkzaam was bij gedaagden, als deelnemer had moeten worden aangemeld in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. Eiser stelt dat hij pensioennadeel lijdt omdat hij niet is aangemeld, terwijl gedaagden en Achmea dit betwisten. De kantonrechter oordeelt dat eiser van 1 januari 2002 tot 1 januari 2017 verplicht deelnemer was in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. Achmea heeft haar zorgplicht geschonden door niet te onderzoeken of eiser verplicht verzekerd was bij Bpf Detailhandel. De vordering van eiser om in de positie te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als hij had deelgenomen aan de pensioenregeling wordt afgewezen, omdat hij al aanspraak kan maken op opgebouwde pensioenaanspraken bij Bpf Detailhandel. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser tegen gedaagden af, maar erkent dat Achmea onzorgvuldig heeft gehandeld. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11316595 UC EXPL 24-6402 JH/1050
Vonnis van 3 december 2025
inzake
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J. Kaldenberg,
tegen:

1.Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Detailhandel,

gevestigd in Utrecht,
verder ook te noemen Bpf Detailhandel,
gemachtigde: mr. M.W. Minnaard,

2.de vennootschap onder firma [gedaagde sub 2 VOF] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde sub 2 VOF] ,
3.
[gedaagden 2 t/m 5],
wonende in [vestigingsplaats] ,
4.
[gedaagden 2 t/m 5],
wonende in [vestigingsplaats] ,
5. de besloten vennootschap
B.V. [gedaagden 2 t/m 5],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagden 2 t/m 5] B.V.,
gemachtigde van gedaagden sub 2 tot en met 5: mr. M.J. van Weersch,
gedaagden sub 2 tot en met 5 verder ook tezamen te noemen [gedaagden 2 t/m 5] ,

6.de naamloze vennootschap Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V.,

gevestigd in Apeldoorn,
verder ook te noemen Achmea,
gemachtigde: mr. S. van der Vegt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van [eiser] met 43 producties,
  • de conclusie van antwoord van Bpf Detailhandel met 3 producties,
  • de conclusie van antwoord van [gedaagden 2 t/m 5] met 3 producties,
  • de conclusie van antwoord van Achmea met producties A tot en met F,
  • de oproep van de rechtbank voor de zitting van 7 maart 2025,
  • de e-mail van de rechtbank van 7 maart 2025 waarin wordt ingestemd met aanhouding en partijen wordt verzocht vooruitlopend op een nieuwe mondelinge behandeling aktes te nemen over de in de e-mail genoemde aandachtspunten,
  • de akte van [eiser] met productie 44,
  • de akte van Bpf Detailhandel met productie 4,
  • de akte van [gedaagden 2 t/m 5] met producties 4 en 5 en een op 12 juni 2025 nagezonden rapport Pensioenschade,
  • de akte van Achmea met producties G, H en I.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juni 2025. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Op de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld nadere aktes te nemen.
1.3.
Op 29 oktober 2025 hebben partijen nadere aktes ingediend. [eiser] heeft daaraan voorafgaand de producties 45 tot en met 48 overgelegd en [gedaagden 2 t/m 5] productie 6. Bij akte heeft Bpf Detailhandel de producties 5 en 6 gevoegd en Achmea de producties J en K.
1.4.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De kern van de zaak

Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] in de periode van 1 januari 1988 tot
1 januari 2017 als deelnemer had moeten worden aangemeld in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. [eiser] stelt dat dit het geval is, dat hij pensioennadeel lijdt en dat gedaagden hiervoor aansprakelijk zijn. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] van 2002 tot 2017 verplicht deelnemer is geweest in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. De kantonrechter is ook van oordeel dat Achmea haar zorgplicht heeft geschonden door niet te onderzoeken of ten aanzien van [eiser] een verplichting tot aanmelding bij Bpf Detailhandel gold. Dat [eiser] door dit alles pensioennadeel lijdt, is alleen niet gebleken. Hoewel [eiser] niet is aangemeld als deelnemer, heeft Bpf Detailhandel namelijk wel de verplichting de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten aan hem toe te kennen.
De vordering van [eiser] om hem in de positie te brengen waarin hij zou hebben verkeerd als hij zou hebben deelgenomen in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel wordt daarom afgewezen.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
[eiser] (geboren op [geboortedatum] 1964) is op 1 januari 1988 als [functie] in dienst getreden van gedaagde [gedaagden 2 t/m 5] B.V.. De ondernemingsactiviteiten van [gedaagden 2 t/m 5] B.V. bestonden uit zowel boekhandel- als drukkerijactiviteiten. De werknemers in de boekhandel namen deel aan de pensioenregeling van Bpf Detailhandel en de werknemers in de drukkerij aan de pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds PGB (hierna: Pensionfonds PGB).
3.2.
[eiser] was werkzaam voor zowel de boekhandel als de drukkerij. In verband daarmee heeft [gedaagden 2 t/m 5] B.V. voor hem een individuele pensioenregeling afgesloten. [eiser] is op 1 januari 1993 met terugwerkende kracht vanaf datum indiensttreding tot 1 januari 2017 deel gaan nemen in een bij Achmea verzekerde pensioenregeling, eerst in een kapitaalregeling en vanaf 1 mei 2007 in een premieregeling.
3.3.
[gedaagden 2 t/m 5] B.V. heeft de boekhandel- en drukkerijactiviteiten per 1 januari 2016 in twee vennootschappen ondergebracht, namelijk in [gedaagde sub 2 VOF] (gedaagde sub 2) en Drukkerij [gedaagde sub 2 VOF] .
3.4.
[eiser] is tot 1 januari 2017 in dienst gebleven van [gedaagden 2 t/m 5] B.V.. Met ingang van 1 januari 2017 is hij in dienst getreden van [gedaagde sub 2 VOF] . Dat dienstverband is op
1 april 2019 geëindigd door uitdiensttreding van [eiser] .
3.5.
Vanaf 1 januari 2017, gelijk met zijn indiensttreding bij [gedaagde sub 2 VOF] , tot 1 april 2019 heeft [eiser] deelgenomen in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. De pensioenregeling van Bpf Detailhandel is een uitkeringsovereenkomst.
3.6.
[eiser] stelt dat hij in de periode van 1 januari 1988 tot 1 januari 2017 ten onrechte door (rechtsvoorgangers van) [gedaagde sub 2 VOF] niet als deelnemer is aangemeld in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. Dat is volgens hem aan het licht gekomen na een bedrijfsbezoek van Achmea op 18 mei 2017 aan [gedaagde sub 2 VOF] . Volgens [eiser] ontleent hij aan de pensioenregeling van Achmea niet dezelfde aanspraken als aan de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. Hij lijdt hierdoor pensioennadeel en is van mening dat gedaagden hiervoor aansprakelijk zijn. [eiser] vordert daarom in deze procedure verklaringen voor recht dat gedaagden onrechtmatig en/of onzorgvuldig hebben gehandeld. Ook vordert hij (hoofdelijke) veroordeling van gedaagden om hem in de positie te brengen waarin hij zou hebben verkeerd als hij zou hebben deelgenomen in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel.
Gedaagden hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter zal eerst beoordelen of, en zo ja over welke periode, [eiser] als deelnemer had moeten worden aangemeld in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel.
Daarna wordt ingegaan op de vraag of gedaagden onrechtmatig of onzorgvuldig hebben gehandeld tegenover [eiser] . Tot slot zal worden beoordeeld of gedaagden [eiser] in de positie moeten brengen waarin hij zou hebben verkeerd als hij zou hebben deelgenomen in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel.
[eiser] is verplicht deelnemer in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel van
1 januari 2002 tot 1 januari 2017
4.2.
[eiser] stelt dat hij in de periode van 1 januari 1988 tot 1 januari 2017 verplicht deelnemer was in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. De kantonrechter is van oordeel dat dit alleen het geval is geweest in de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2017. Dat wordt hierna uitgelegd.
4.3.
De deelneming in Bpf Detailhandel is verplicht gesteld voor werknemers die werken bij een werkgever in de detailhandel, tenzij (voor zover hier relevant) bij de werkgever de detailhandel in loonbedrag wordt overtroffen door het loonbedrag van andere in die onderneming plaatsvindende bedrijvigheid. Voor de verplichtstelling van Bpf Detailhandel geldt dus een hoofdzakelijkheidscriterium gebaseerd op de loonsom.
4.4.
[gedaagden 2 t/m 5] heeft in haar conclusie van antwoord een overzicht opgenomen van de loonkosten van de winkel en de loonkosten van de drukkerij in de periode van 1988 tot en met 2011. Ter onderbouwing van het overzicht heeft [gedaagden 2 t/m 5] delen van de jaarrekeningen over die jaren overgelegd. Uit het overzicht en de jaarrekeningen blijkt dat tot 2002 de loonkosten van de winkel werden overtroffen door de loonkosten van de drukkerij. Uit de jaarrekening over 2002 zou kunnen worden afgeleid dat dit ook al het geval was over 2001, maar de kantonrechter gaat ervan uit dat de gegevens over 2001 onjuist zijn overgenomen in de jaarrekening over 2002. Dit betekent dat [eiser] tot 2002 niet als deelnemer aangemeld hoefde te worden in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. Vanaf 1 januari 2002 waren de loonkosten van de winkel hoger dan de loonkosten van de drukkerij. Vanaf dat moment was [eiser] dus verplicht deelnemer in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel.
4.5.
In 2016 werden de winkelactiviteiten (formeel) ondergebracht bij [gedaagde sub 2 VOF] , maar bleef [eiser] in dienst bij [gedaagden 2 t/m 5] B.V.. [eiser] heeft hierover op de mondelinge behandeling verklaard dat hij in 2016 dezelfde werkzaamheden heeft verricht als in de jaren daarvoor en dat de activiteiten feitelijk pas per 1 januari 2017 zijn gesplitst. [gedaagden 2 t/m 5] heeft dit niet betwist. Uitgaande van deze feitelijke situatie neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat ook in 2016 was voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium voor verplichtstelling van Bpf Detailhandel. [eiser] was dus ook in 2016 verplicht deelnemer in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel.
4.6.
Door partijen is nog onderzocht of [eiser] op enig moment als deelnemer is aangemeld bij Pensioenfonds PGB. Dat zou namelijk verplichte deelneming van [eiser] in het pensioenfonds van Bpf Detailhandel uitsluiten. Uit de nadere aktes van partijen blijkt dat dit niet het geval is geweest.
4.7.
Uit alles wat hiervoor is overwogen volgt dat [eiser] van 1 januari 2002 tot
1 januari 2017 verplicht deelnemer was in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht wordt in zoverre toegewezen.
Achmea heeft onzorgvuldig gehandeld tegenover [eiser] , [gedaagden 2 t/m 5] en Bpf Detailhandel niet
4.8.
[eiser] maakt gedaagden verschillende verwijten van de ontstane situatie. De kantonrechter is van oordeel dat deze verwijten niet terecht zijn voor zover zij zijn gericht aan [gedaagden 2 t/m 5] en Bpf Detailhandel. Het verwijt van [eiser] dat Achmea haar zorgplicht heeft geschonden is wel terecht. Eén en ander wordt hierna toegelicht.
[gedaagden 2 t/m 5]
4.9.
Het staat tussen partijen vast dat [eiser] als [functie] bij [gedaagden 2 t/m 5] de pensioenzaken regelde. Hij verzorgde voor het personeel de aanmeldingen bij Bpf Detailhandel of Pensioenfonds PGB, was betrokken bij de totstandkoming van de pensioenverzekering voor hemzelf bij Achmea en onderhield contacten met Bpf Detailhandel, Pensioenfonds PGB en Achmea. Hij was bij [gedaagden 2 t/m 5] dus de spin in het web als het om pensioenen ging. Ook [eiser] zelf ging er, mede op basis van de voorlichting die hij had gekregen, vanuit dat hij, gelet op zijn werkzaamheden voor zowel de winkel als de drukkerij, niet viel onder de verplichtstelling van Bpf Detailhandel. In die situatie kan [gedaagden 2 t/m 5] niet worden verweten dat zij [eiser] niet (tegen zijn zin) als deelnemer bij Bpf Detailhandel heeft aangemeld. [gedaagden 2 t/m 5] heeft onweersproken gesteld dat zij er door geen van partijen voor mei 2017 op is gewezen dat ook [eiser] bij Bpf Detailhandel aangemeld moest worden. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagden 2 t/m 5] onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld wordt dus afgewezen.
Bpf Detailhandel
4.10.
[eiser] vordert ook een verklaring voor recht dat Bpf Detailhandel onrechtmatig heeft gehandeld door de deelneming van [eiser] eerst per 1 januari 2017 aan te laten vangen. Meer in het bijzonder verwijt [eiser] Bpf Detailhandel dat zij met [gedaagden 2 t/m 5] is overeengekomen dat aanmelding van [eiser] niet eerder plaatsvindt dan 1 januari 2017. Dat dit verwijt terecht is, kan uit de stukken niet worden afgeleid. Wel is duidelijk dat Bpf Detailhandel aan [eiser] een afstandsverklaring heeft toegestuurd voor de periode tot 1 januari 2017. Die handeling kan niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Gelet op de ontstane situatie, waarbij [eiser] ook pensioen had opgebouwd bij Achmea, beschouwt de kantonrechter de afstandsverklaring als een poging van Bpf Detailhandel om te komen tot een oplossing. Datzelfde geldt voor het traject tussen partijen over de waardeoverdracht van Achmea naar Bpf Detailhandel. Dit traject heeft in augustus 2022 geleid tot een offerte van Bpf Detailhandel aan [eiser] . [eiser] is met de voorstellen niet akkoord gegaan, omdat hij niet kon overzien of die in zijn belang waren. Dat stond hem uiteraard vrij, maar dat maakt de handelwijze van Bpf Detailhandel niet onrechtmatig. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht wordt dus afgewezen.
Achmea
4.11.
[eiser] verwijt Achmea dat zij haar zorgplicht niet is nagekomen. De kantonrechter vindt dit verwijt terecht en zal uitleggen waarom.
4.12.
Tussen Achmea en [gedaagden 2 t/m 5] is in 1993 een overeenkomst gesloten op basis waarvan [eiser] (met terugwerkende kracht) deel is gaan nemen in een pensioenregeling van Achmea. Dat was een kapitaalregeling, waarbij het verzekerde kapitaal een afgeleide was van het laatst verdiende loon. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat deze regeling voor [gedaagden 2 t/m 5] te duur werd. Op eigen initiatief heeft [eiser] daarom in 2007 contact gezocht met Achmea. Vast staat dat dit contact heeft geleid tot een nieuwe pensioenregeling voor [eiser] bij Achmea, namelijk een zuiver beschikbare premieregeling. Niet in geschil is dat dit een (aanzienlijke) verslechtering was van zijn eerdere pensioenregeling.
4.13.
Als pensioenverzekeraar rust op Achmea een zorgplicht. Die zorgplicht is de afgelopen decennia toegenomen en in beleid en wettelijke bepalingen vastgelegd (zoals in artikel 4.23 van de Wet op het financieel toezicht). Op basis van haar zorgplicht had Achmea [gedaagden 2 t/m 5] en [eiser] (in ieder geval) voor het afsluiten van de nieuwe pensioenregeling in 2007 zorgvuldig en volledig moeten informeren en adviseren. In dat kader had ook moeten worden onderzocht of [eiser] niet al verplicht verzekerd was bij Bpf Detailhandel. Uit de stellingen van Achmea kan niet worden afgeleid dat zij dit in 2007 heeft gedaan. Achmea wijst er alleen op dat [eiser] al bekend was met de verplichtstellingen van Bpf Detailhandel en Pensioenfonds PGB bij [gedaagden 2 t/m 5] en dat hij ervan overtuigd was dat hij daar niet onder viel. Anders dan Achmea kennelijk betoogt, betekent dit niet dat [eiser] een volledig toereikende kennis had van pensioenen. Uit het enkele feit dat [eiser] in 2007 zijn eigen pensioenregeling heeft versoberd, moet het Achmea duidelijk zijn geweest dat hij niet over uitgebreide pensioenkennis beschikte. Voordat zij een nieuwe pensioenverzekering met (of ten behoeve van) [eiser] aanging, had Achmea dus tijdig en zorgvuldig moeten onderzoeken of [eiser] verplicht deelnemer was in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. Niet gesteld of gebleken is dat Achmea dit heeft gedaan. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat Achmea haar zorgplicht heeft geschonden wordt daarom toegewezen.
Bpf Detailhandel is verplicht de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2017 aan [eiser] toe te kennen
4.14.
[eiser] vordert (hoofdelijke) veroordeling van gedaagden om hem in de positie te brengen waarin hij zou hebben verkeerd als hij zou hebben deelgenomen in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. Die vordering wordt afgewezen, kort gezegd omdat [eiser] al in die positie verkeert. Hij heeft geen afstand gedaan van opgebouwde pensioenaanspraken en rechten bij Bpf Detailhandel. Hoewel [eiser] over de jaren 2002 tot 2017 niet is aangemeld als deelnemer, heeft Bpf Detailhandel wel de verplichting de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten aan hem toe te kennen. Uit de totstandkoming van de Pensioenwet blijkt namelijk dat het niet is toegestaan dat verplicht gestelde pensioenfondsen een recht op pensioen afhankelijk maken van de vraag of premie is betaald. Zo vermeldt de Memorie van Toelichting onder meer:
"Dit wetsvoorstel staat niet toe dat een pensioenfonds uitgaat van het principe "geen premie – geen recht" door bijvoorbeeld een algemeen beding in de statuten of reglementen op te nemen [op] grond waarvan het recht op uitkering afhankelijk wordt gemaakt van de vraag of de premie is betaald. (…) Voorts zou een dergelijk beding ook haaks staan op het systeem van de wet Bpf 2000."(
Kamerstukken II2005/06, 30 413, nr. 3, p. 63)
4.15.
Het principe ‘geen premie, wel recht’ is niet onbegrensd. In uitzonderlijke omstandigheden, zoals bij boze opzet en vrijwillige voortzetting, geldt het principe niet.
Bpf Detailhandel heeft in dat verband ook verwezen naar artikel 16 van haar pensioenreglement. In dat artikel is bepaald dat in situaties waarin de werkgever bewust, met instemming van de werknemer, geen premie afdraagt het principe ‘geen premie, wel recht’ niet van toepassing is. Dat geldt ook in gevallen waarin van het pensioenfonds om een andere reden niet kan worden verwacht pensioenaanspraken toe te kennen.
De kantonrechter is van oordeel dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich hier niet voordoen. [eiser] was in de veronderstelling dat hij niet viel onder de verplichtstelling van Bpf Detailhandel. Uit de enkele omstandigheid dat [eiser] de administratie en communicatie verzorgde kan niet worden afgeleid dat hij beschikte over toereikende kennis van pensioenen. Pas in mei 2017 is [eiser] er door Achmea op gewezen dat hij mogelijk verplicht deelnemer was in de pensioenregeling van Bpf Detailhandel. Van het welbewust niet betalen van premie aan Bpf Detailhandel is dan ook geen sprake.
4.16.
[eiser] kan dus aanspraak maken op pensioenopbouw bij Bpf Detailhandel voor de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2017. Hij hoeft door gedaagden dus niet in die positie te worden gebracht. Die vordering en de daaraan gekoppelde vorderingen worden afgewezen.
4.17.
De kantonrechter is zich ervan bewust dat het probleem dat tussen partijen speelt met dit vonnis niet is opgelost. Bpf Detailhandel heeft geen premie ontvangen, [gedaagden 2 t/m 5] zal worden geconfronteerd met een premievordering, Achmea moet de gevolgen dragen van haar onzorgvuldig handelen en [eiser] ondervindt mogelijk (fiscaal) nadeel als gevolg van dubbele pensioenopbouw. Partijen hebben in deze procedure hun kruit droog willen houden. Dat is op zich begrijpelijk, maar het is de vraag of dat in deze situatie de beste manier is om eruit te komen. Omdat [gedaagden 2 t/m 5] een klein bedrijf is en precedentwerking in deze zaak niet speelt, pleit dit voor een praktische oplossing waar alle partijen aan bijdragen. Dit zal dus ook van alle partijen inspanning en een redelijke houding vergen. Ook van [eiser] , die op enig moment een keuze zal moeten maken tussen de pensioenregelingen, ook al staat niet vast welke regeling uiteindelijk het meest gunstig zal zijn.
Buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
4.18.
[eiser] heeft een bedrag van € 1.444,87 gevorderd aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Deze vordering wordt afgewezen. De door zijn gemachtigde verrichtte buitengerechtelijke werkzaamheden zijn vooral gericht op het verkrijgen van een aanvulling op zijn pensioen bij Achmea, terwijl hij tegelijkertijd vasthoudt aan zijn pensioenaanspraken en pensioenrechten bij Bpf Detailhandel.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.19.
De kantonrechter ziet in de uitkomst van deze procedure aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart voor recht dat (de rechtsvoorganger van) [gedaagde sub 2 VOF] in de periode van
1 januari 2002 tot 1 januari 2017 onder de werkingssfeer van de verplichtstelling tot deelneming in Bpf Detailhandel valt, zodat voor [eiser] sprake was van verplichte deelname;
5.2.
verklaart voor recht dat Achmea haar zorgplicht heeft geschonden door niet tijdig en/of zorgvuldig te onderzoeken of ten aanzien van [eiser] een verplichting tot aanmelding bij Bpf Detailhandel van toepassing was;
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.