De zaak betreft een geschil tussen ouders over de omgang en professionele hulpverlening voor twee minderjarige kinderen die onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI). De moeder en vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, waarbij de kinderen bij de moeder wonen. Eerder was sprake van beschuldigingen van intieme terreur door de moeder, maar zij neemt nu een ander standpunt in en wenst mediation met de vader.
De GI verzoekt de rechtbank om het opbouwschema voor omgang vast te stellen, te bepalen dat gemiste omgangsmomenten worden ingehaald, te beslissen over de professionele hulpverlening voor een van de kinderen, en te bepalen welke organisatie de begeleide omgang begeleidt. De vader verzoekt tevens om een dwangsom bij niet-nakoming van de zorgregeling door de moeder.
De rechtbank oordeelt dat de GI ontvankelijk is in haar verzoek op grond van artikel 1:262b BW. Het opbouwschema wordt vastgesteld met de toevoeging dat de kinderen in de oneven weken bij de vader zijn. Gemiste omgangsmomenten moeten worden ingehaald. De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn dwangsomverzoek wegens ontbreken van petitum en ongeschiktheid voor de procedure. De GI mag bepalen welke professionele hulpverlening wordt ingezet, en Vooruit met Zorg blijft de begeleide omgang begeleiden vanwege continuïteit en het belang van de kinderen.
De beslissing is in het belang van de kinderen genomen, waarbij rekening is gehouden met de veranderde standpunten van de moeder, de veiligheid van de kinderen, en de noodzaak van hulpverlening. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.