ECLI:NL:RBMNE:2025:6554

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
C/16/600910 / JE RK 25-1539
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleeggezin na psychische problemen van de moeder

Op 11 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak betreffende de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De moeder van [minderjarige] heeft een periode van psychische problemen doorgemaakt, waardoor zij tijdelijk in een psychiatrische instelling verbleef. De kinderrechter heeft eerder al een zorgmachtiging verleend voor de moeder, die tot 6 mei 2026 loopt. De moeder en de vader van [minderjarige] zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de minderjarige verblijft momenteel in een pleeggezin. De kinderrechter heeft de zaak behandeld met gesloten deuren, waarbij de moeder en vader, bijgestaan door hun advocaten, aanwezig waren. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) waren ook vertegenwoordigd.

De kinderrechter heeft de verzoeken van de ouders om [minderjarige] bij hen te plaatsen afgewezen, omdat er onvoldoende duidelijkheid is over de opvoedcapaciteiten van de moeder. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin verlengd moet worden tot 13 januari 2026, om de situatie van de moeder verder te onderzoeken. De kinderrechter benadrukt het belang van het contact tussen de ouders en de kinderen en heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct van kracht is, ook in het geval van hoger beroep. De kinderrechter heeft de beslissing op schrift gesteld op 10 december 2025, en tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/600910 / JE RK 25-1539
Datum uitspraak: 11 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Regio Midden Nederland,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Polat,
[vader],
hierna te noemen de vader van [minderjarige] ,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. Celen,
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd in Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Voor het verloop van de procedure verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 13 oktober 2025. Daarna heeft de kinderrechter de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van de Raad (met bijlage) van 22 oktober 2025;
  • het aanvullend verweerschrift van de moeder van 27 oktober 2025;
  • de brief van de Raad van 6 november 2025;
  • het bericht van de Raad van 10 november 2025 met als bijlage de reactie van de vader op de adviesbrief van de Raad van 6 november 2025.
1.2.
Op 11 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de tolk (Dari) de heer R. Modi;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk (Dari) de heer A. Rasouli;
  • mevrouw [A] en mevrouw [B] namens de Raad;
  • mevrouw [C] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft het verzoek gelijktijdig behandeld met de verzoeken over de halfbroer van [minderjarige] , [D] (bekend onder de zaaknummers C/16/600374 / FO RK 25-1218 en C/16/602280 / JE RK 25-1688). De beslissingen op die verzoeken zijn in een aparte beschikking neergelegd.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De moeder verbleef vanaf 26 september 2025 met een crisismaatregel op grond
van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg bij GGZ-Centraal. De rechtbank heeft op
29 september 2025 een machtiging gegeven tot voortzetting van de crisismaatregel tot
20 oktober 2025. De moeder is op 21 oktober 2025 ontslagen uit GGZ-centraal.
De rechtbank heeft op 6 november 2025 een zorgmachtiging verleend voor de moeder voor de duur van zes maanden, tot 6 mei 2026, voor meerdere vormen van verplichte zorg.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 30 september 2025 de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] , zonder de belanghebbenden te horen.
2.5.
De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling op 9 oktober 2025 de moeder, de vader, de Raad en de GI gehoord op de spoedbeslissing van de kinderrechter van 30 september 2025.
2.6.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 oktober 2025 de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige] beëindigd en [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 13 januari 2026.
2.7.
De kinderrechter heeft in diezelfde beschikking van 13 oktober 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot 24 november 2025. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De kinderrechter moet nog een beslissing nemen op het verzoek van de Raad om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin/aanbieder van pleegzorg te verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 13 januari 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de Raad en heeft uitvoerig verweer gevoerd. Volgens de moeder is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet gerechtvaardigd en voldoet de situatie niet aan de wettelijke vereisten voor een gedwongen uithuisplaatsing. De moeder verzoekt daarom om afwijzing van het verzoek en wil dat de kinderrechter bepaalt dat [minderjarige] (en zijn halfbroer [D] ) per direct bij de moeder teruggeplaatst moeten worden.
4.2.
De vader is het niet eens met het verzoek van de Raad en heeft ook uitvoerig verweer gevoerd. Hij wil dat [minderjarige] (en [D] ) bij de moeder worden geplaatst en anders bij de vader. Volgens de vader vergt het belang van [minderjarige] dat hij bij een van de ouders woont.
4.3.
De GI heeft zich op het standpunt gesteld dat vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid eerst meer onderzocht moet worden ,wat [minderjarige] (en [D] ) nodig hebben en wat de mogelijkheden van de moeder zijn, voordat de kinderen thuis kunnen wonen. De GI verwacht dat de moeder psychiatrische hulp nodig zal hebben en daarnaast intensieve hulp bij de opvoeding van de kinderen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 13 januari 2026. Hierna zal de kinderrechter deze beslissing uitleggen.
Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. [1] Het is nu namelijk niet duidelijk of de moeder [minderjarige] (en [D] ) zelf - al dan niet met begeleiding van hulpverlening - kan opvoeden. Daarover bestaat veel onzekerheid omdat de moeder als gevolg van een psychose een tijdlang opgenomen is geweest in een psychiatrische instelling. Sinds 21 oktober 2025 is zij weer thuis, maar er geldt wel een zorgmachtiging voor haar. Op grond daarvan is er sprake van een verplichte psychiatrische behandeling voor de moeder. Wat dit betekent voor de vraag of de moeder in staat is om volledig voor [minderjarige] – die nog heel klein is – en haar oudere zoon [D] te zorgen is heel onduidelijk. De verplichte opname van de moeder is beëindigd, omdat zij geen gevaar meer vormt voor zichzelf of voor een ander. Maar dat betekent niet zonder meer dat zij stabiel genoeg is om voor de kinderen te kunnen zorgen. Daar moet de Raad onderzoek naar doen. Zo lang deze onduidelijkheid voortduurt, is het nodig dat [minderjarige] in het pleeggezin blijft. Het is juist – zoals de advocaten hebben betoogd – dat de inspanningen van de overheid in eerste instantie gericht moeten zijn op terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Het onderzoek van de Raad zal daarom gericht zijn op de capaciteiten van de moeder. Daarbij zullen niet alleen de school en de kinderopvang van de kinderen als informanten betrokken moeten worden, maar ook de behandelaar(s) van de moeder. De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij in lijn met het advies van de Raad een perspectiefonderzoek wil inzetten, om vanuit rust en zorgvuldigheid te onderzoeken waar de kinderen het beste kunnen opgroeien. De kinderrechter verwacht dat uit het Raadsonderzoek zal blijken in hoeverre zo’n tijdrovend onderzoek noodzakelijk is, of dat kan worden volstaan met een vorm van (intensieve) opvoedhulp thuis waarbij [D] , [minderjarige] of beiden thuis kunnen wonen. De kinderrechter gaat om deze reden niet mee in het subsidiaire verzoek van de vader van [minderjarige] om de kinderen bij hem te plaatsen. De inspanningen moeten primair gericht zijn op thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. Daarbij komt dat er geen duidelijkheid bestaat over de opvoedsituatie bij de vader thuis. Er zijn bovendien aanwijzingen dat bij de vader thuis de oma van [minderjarige] de grootste opvoedrol vervult, en niet de vader. Dit maakt dat de kinderrechter het belang van [D] en [minderjarige] om samen in het pleeggezin te kunnen verblijven, zwaarder vindt wegen dan de wens van de vader om [minderjarige] , of beide kinderen, voor dit moment bij hem te plaatsen.
Het contact met de ouders
5.3.
Tijdens de zitting is het belang besproken van het uitbreiden van het contact tussen de ouders en de kinderen. Er is namelijk niet alleen omgang nodig om de band tussen de moeder en de kinderen te onderzoeken, maar ook om te zorgen dat de familiebanden in stand blijven tussen de acht maanden oude [minderjarige] en zijn moeder en vader. De kinderrechter vindt het daarom zeer belangrijk dat daarop de komende periode wordt ingezet en vertrouwt erop dat de Raad en de GI zich hiervoor inspannen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct gaat gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin tot 13 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.S. Stukker als griffier, en op schrift gesteld op 10 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, BW en artikel 1:265c, tweede lid, BW.