ECLI:NL:RBMNE:2025:6511

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
C/16/567686 / HL ZA 23-348
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van gedaagde partijen in verband met de verkoop van gestolen kledingstukken

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen de rechtspersoon APPAREL FZCO, eisende partij, en de gedaagde partijen [gedaagde sub 1] B.V. en [gedaagde sub 2]. De kern van het geschil betreft de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. voor de schade die APPAREL heeft geleden door de verkoop van kledingstukken die oorspronkelijk aan APPAREL toebehoorden, maar door frauduleuze handelingen van derden aan [gedaagde sub 1] c.s. zijn verkocht. APPAREL vorderde schadevergoeding van [gedaagde sub 1] c.s. op basis van inbreuk op haar eigendomsrecht en ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank oordeelde dat [gedaagde sub 1] c.s. te goeder trouw waren bij de aankoop van de kledingstukken en dat APPAREL niet kon bewijzen dat de kledingstukken door diefstal waren verloren. Hierdoor werd de vordering van APPAREL afgewezen. In reconventie kregen [gedaagde sub 1] c.s. gedeeltelijk gelijk, waarbij de rechtbank AG veroordeelde tot het opheffen van de gelegde beslagen. De proceskosten werden toegewezen aan [gedaagde sub 1] c.s. en AG werd veroordeeld tot betaling van deze kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/567686 / HL ZA 23-348
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
APPAREL FZCO,
te [..] (Verenigde Arabische Emiraten),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
in navolging van partijen hierna te noemen: AG,
advocaat: mr. M.J. Hajdasinski,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] en samen: [gedaagde sub 1] c.s.,
advocaat: mr. D. Duijvelshoff.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het incidenteel vonnis van 13 maart 2024,
  • de conclusie van antwoord met conclusie van eis in reconventie met producties (1‑12),
  • de akte van [gedaagde sub 1] c.s. van 8 mei 2024 met een aanvullende productie (13),
  • de conclusie van antwoord in reconventie,
  • het bericht van de rechtbank van 11 december 2024 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
  • de brief van [gedaagde sub 1] c.s. van 23 mei 2025 met een aanvullende productie,
  • de brief van AG van 23 mei 2025 met een aanvullende productie (29),
  • de mondelinge behandeling van 26 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat er een vonnis komt.

2.De rechtbank is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing

2.1.
Voordat de rechtbank inhoudelijk op het geschil kan ingaan, moet eerst de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht besproken worden. AG is namelijk gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten. Daardoor heeft deze zaak een internationaal aspect.
2.2.
Als het gaat om de door AG ingestelde vordering geldt dat de rechtbank voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo II), moet toepassen. Op grond van de artikelen 1 lid 1, 81 en 4 lid 1 EEX-Vo II is de Nederlandse rechter bevoegd om van de vordering van AG kennis te nemen.
2.3.
Voor de door [gedaagde sub 1] c.s. ingestelde tegenvordering geldt dat op grond van artikel 7 lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat de vordering van AG en de tegenvordering van [gedaagde sub 1] c.s. zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex.
2.4.
In de processtukken baseren partijen hun stellingen op Nederlands recht. Op de mondelinge behandeling hebben partijen bevestigd een rechtskeuze te doen voor Nederlands recht. Daarom zal de rechtbank de vordering van AG en de tegenvordering van [gedaagde sub 1] c.s. beoordelen aan de hand van Nederlands recht.

3.De kern van de zaak

3.1.
De kern van de zaak betreft de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. als koper van een partij Tommy Hilfinger-kleding (hierna: de Kledingstukken) tegenover AG als oorspronkelijk rechthebbende van de Kledingstukken. AG heeft met [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 1] c.s.) een overeenkomst gesloten over de verkoop van de Kledingstukken voor een prijs van ongeveer € 1.500.000. [naam 1] c.s. deden zich daarbij op frauduleuze wijze voor als vertegenwoordigers van TJ Maxx. AG heeft de Kledingstukken aan [naam 1] c.s. geleverd. Vervolgens hebben [naam 1] c.s. zich ook tegenover [gedaagde sub 1] op frauduleuze wijze voorgedaan als TJ Maxx en de kledingstukken aan [gedaagde sub 1] verkocht voor € 353.465. AG heeft de verkoopprijs niet ontvangen. [gedaagde sub 1] heeft de koopprijs betaald.
3.2.
AG meent dat [gedaagde sub 1] c.s. aansprakelijk zijn voor het verlies van de Kledingstukken en stelt dat [gedaagde sub 1] c.s. inbreuk hebben gemaakt op haar eigendomsrecht en zich ten koste van AG ongerechtvaardigd hebben verrijkt. AG wil daarom dat [gedaagde sub 1] c.s. haar schade van
€ 1.607.063,71 (plus wettelijke rente en kosten) vergoeden. AG heeft diverse beslagen gelegd, waarvan één met succes op onroerend goed van [gedaagde sub 1] c.s. en eist dat [gedaagde sub 1] c.s. de beslagkosten betalen.
3.3.
[gedaagde sub 1] c.s. wijzen iedere aansprakelijkheid van de hand en vinden dat de vordering van AG moet worden afgewezen. [gedaagde sub 1] c.s. dienen een tegenvordering in om AG te veroordelen tot het opheffen van de gelegde beslagen. [gedaagde sub 1] c.s. vinden ook dat AG onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld door aan [gedaagde sub 1] ’s afnemers suggestieve brieven te sturen over de dubieuze herkomst van de Kledingstukken. [gedaagde sub 1] c.s. en vorderen daarom dat de rechtbank voor recht verklaart dat AG tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. AG heeft iedere aansprakelijkheid afgewezen.
3.4.
[gedaagde sub 1] c.s. krijgen in conventie gelijk. Zij zijn niet aansprakelijk en hoeven dus geen schadevergoeding aan AG te betalen. In reconventie krijgen [gedaagde sub 1] c.s. gedeeltelijk gelijk. AG moet de beslagen ten laste van [gedaagde sub 1] c.s. opheffen. De andere tegenvorderingen van [gedaagde sub 1] c.s. worden afgewezen.

4.De achtergrond

4.1.
AG handelt als detailhandelaar in het Midden-Oosten in de mode en lifestyle-industrie. [gedaagde sub 1] is een bedrijf dat handelt in zogenaamde ‘restpartijen’ van vooral kleding en schoenen van bekende merken. Deze restpartijen worden doorgaans door de bekende merken zelf op de internationale markt gebracht al dan niet via allerhande ondernemingen en tussenpersonen. Voor een goed begrip van de zaak wordt eerst beschreven hoe de handel van de Kledingstukken is verlopen.
4.2.
In maart 2023 werd AG benaderd door [naam 1] , die zich voordeed als werknemer van TJ Maxx. Dat is de naam van een bekend warenhuis uit de Verenigde Staten van Amerika met vestigingen in verschillende landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Ierland. Volgens AG hadden [naam 1] c.s. haar bij de totstandkoming en het sluiten van de koopovereenkomst verschillende documenten overgelegd, waaronder de statuten van TJ Maxx, op grond waarvan AG meende daadwerkelijk te maken te hebben met TJ Maxx.
4.3.
AG heeft in de periode van maart tot juni 2023 met [naam 1] c.s. onderhandeld over een mogelijke verkoop van de Kledingstukken. Dat leidde op 6 juni 2023 tot overeenstemming. AG meende de Kledingstukken te hebben verkocht aan TJ Maxx voor een verkoopprijs van 6.222.767,00 VAE-dirham (€ 1.607.063,71). [naam 1] c.s. bedienden zich daarbij van een ‘purchase order’ en een ‘order confirmation’ met dagtekening 6 juni 2023. Dat is één document met daarop nagemaakte logo’s van TJX Europe (het moederbedrijf van TJ Maxx), een stempel met de woorden ‘TJX Companies’ en de vermelding van ‘AG Group’ als ‘vendor’ en ‘Triburg’ als ‘agent’. Als ‘preticketing Adress’ staat Poland vermeld. AG heeft de Kledingstukken op 10 juni 2023 overgedragen aan een vervoerder ter levering aan, naar zij veronderstelde, TJ Maxx. AG heeft dit gedaan zonder zekerheid voor de betaling van de verkoopprijs in het vertrouwen te maken te hebben met het gerenommeerde TJ Maxx. AG was bereid dit risico te nemen, omdat TJ Maxx bekend staat als een betrouwbaar bedrijf en AG graag een zakenrelatie met TJ Maxx wilde opbouwen.
4.4.
Na verzending bleef betaling aan AG uit, ook na het verstrijken van de betalingstermijn van 30 dagen op 7 juli 2023. AG werd daardoor wantrouwig en ging informeren bij [naam 1] c.s. Zij lieten op 10 juli 2023 weten dat ‘TJX’ pas zou betalen als de Kledingstukken zouden zijn geleverd. Toen AG bleef informeren naar de status, kwamen [naam 1] c.s. met het verhaal dat de Kledingstukken plotseling naar Zuid-Afrika waren gestuurd en in de wacht stonden bij de Zuid-Afrikaanse douane. Daarna heeft AG [naam 1] c.s. nooit meer kunnen bereiken. Via de vervoerder is AG erachter gekomen dat de Kledingstukken niet naar Zuid-Afrika, maar naar de haven van Antwerpen zijn vervoerd en dat de Kledingstukken daarvandaan aan [gedaagde sub 1] zijn geleverd. Zo is AG bij [gedaagde sub 1] uitgekomen.
4.5.
Op 2 mei 2023 kreeg [gedaagde sub 1] een e-mail van [bedrijfsnaam 1] waarin de Kledingstukken te koop werden aangeboden. Bij de e-mail zat een lijst van de Kledingstukken. Dit betrof de verzendlijst van de Kledingstukken die AG eerder aan [naam 1] c.s. verstuurd had.
4.6.
[gedaagde sub 1] c.s. hebben op de zitting verteld dat een bekend zakelijk contact van haar uit Londen, [naam 4] (ook wel [naam 5] genoemd) werkzaam was als director van [bedrijfsnaam 1] ltd. Met [naam 5] had [gedaagde sub 1] eerder en naar volle tevredenheid zaken had gedaan. [gedaagde sub 1] meende dus dat zij op 2 mei 2023 door [naam 5] werd bericht. Zij hebben ook gesteld dat toen later bleek dat de Kledingstukken via het gerenommeerde TKMaxx/TJX verworven kon worden, [gedaagde sub 1] aan [naam 5] heeft laten weten dat zij interesse had in de Kledingstukken. Hoewel AG erop gewezen heeft dat [naam 1] c.s. gebruik maken van dezelfde IP-adressen als [naam 5] , is niet vast komen staan dat hij betrokken was bij de fraudeleuze handelspraktijk van [naam 1] c.s.
4.7.
[gedaagde sub 2] , de bestuurder en eigenaar van [gedaagde sub 1] , is op 12 juni 2023 met
[naam 6] , een werknemer van [gedaagde sub 1] , naar Dubai gevlogen om de Kledingstukken te inspecteren. Na goedkeuring is een koopovereenkomst tot stand gekomen. Bij de bevestiging daarvan bedienden [naam 1] c.s. zich van een ‘stock disposal invoice’ en een ‘order confirmation’ met dagtekening 13 juni 2023. Dat is één document met daarop: nagemaakte logo’s van TJX Europe, een stempel met de woorden ‘TJX Companies’ en de vermelding van ‘ [gedaagde sub 1] ’ als ‘buyer’. Hiermee werd ook [gedaagde sub 1] om de tuin geleid want ook haar bleek later dat zij in werkelijkheid niet met TJ Maxx te maken heeft gehad maar met [naam 1] c.s. die zich op frauduleuze wijze voordeden als TJ Maxx.
4.8.
[gedaagde sub 1] heeft de koopprijs voor de Kledingstukken in twee delen betaald, op 13 juni 2023 € 153.475 en op 15 juni 2023 € 200.000 op een bankrekening op naam van “ [bedrijfsnaam 2] ltd.” Volgens de vrachtbrief van Maersk, met vermelding van ‘Triburg Freighy Services llc’ als ‘shipper’ zijn de Kledingstukken op 23 juni 2023 in Dubai verscheept voor transport naar Antwerpen. Op 4 juli 2023 ontvangt [gedaagde sub 1] van [naam 5] (die daarbij gebruik maakt van het emailadres [e-mailadres 1] ) de bevestiging van [naam 1] , die zich daarbij voordoet als handelend als ‘Buying Lead’ voor TJX Europe dat de ‘deal is finally closed’ met het verzoek de bijgaande ‘shipping documents’ aan [gedaagde sub 1] door te sturen. Daarna zijn de Kledingstukken op 24 juli 2024 gearriveerd in Antwerpen, en vervolgens vrijgegeven en aan [gedaagde sub 1] geleverd.
4.9.
Op 23 oktober 2023 laat TJX Europe, rechtsgeldig vertegenwoordigd door
[naam 7] , AG weten dat zij geen enkele relatie met [naam 1] c.s. heeft en dat ‘the fraudulent order’ tot stand gekomen is zonder wetenschap en instemming van TJX Europe.

5.De beoordeling in conventie

[gedaagde sub 1] c.s. hebben niet onrechtmatig gehandeld tegenover AG
5.1.
AG heeft de Kledingstukken verkocht en geleverd aan [naam 1] c.s. terwijl zij dacht aan TJ Maxx verkocht en geleverd te hebben. Als gevolg van de frauduleuze handelwijze door [naam 1] c.s. is van een geldige koopovereenkomst tussen AG en [naam 1] c.s. geen sprake. Het gevolg daarvan is dat [naam 1] c.s. geen eigenaar van de Kledingstukken zijn geworden en AG eigenaar van de Kledingstukken is gebleven.
5.2.
AG beroept zich tegenover [gedaagde sub 1] c.s. op haar eigendomsrecht van de Kledingstukken. Zij stelt dat [gedaagde sub 1] c.s. verplicht zijn de Kledingstukken aan haar terug te geven. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. de Kledingstukken als gevolg van doorverkoop niet meer terug kan geven, beroept AG zich op een door [gedaagde sub 1] c.s. gepleegde onrechtmatige daad omdat [gedaagde sub 1] door die doorverkoop de Kledingstukken aan het eigendomsrecht onttrokken heeft.
5.3.
[gedaagde sub 1] c.s. hebben het eigendomsrecht van AG niet bestreden en een beroep gedaan op de bescherming die artikel 3:86 lid 1 BW biedt aan een koper die te goeder trouw goederen heeft gekocht. Zij stelt op het moment van koop en levering te goeder trouw te zijn geweest omdat zij dacht de koopovereenkomst met TJ Maxx gesloten te hebben.
5.4.
AG heeft de goede trouw van [gedaagde sub 1] c.s. bestreden. Zij heeft ook bestreden dat [gedaagde sub 1] c.s. daar een beroep op kunnen doen omdat de Kledingstukken afkomstig zijn van diefstal, door [naam 1] c.s. gepleegd. [gedaagde sub 1] c.s. hebben betwist dat van diefstal sprake is. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is er sprake van oplichting en op die grond meent zij wel een beroep op haar goede trouw te kunnen doen.
5.5.
De rechtbank gaat niet mee in de stellingen van AG. Het is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] c.s. te goeder trouw waren op het moment dat de Kledingstukken aan haar werden verkocht en geleverd en [gedaagde sub 1] kan en mag zich daar ook op beroepen. De rechtbank zal dit toe lichten.
[gedaagde sub 1] is eigenaar geworden van de Kledingstukken
5.6.
Het staat vast dat [naam 1] c.s. geen eigenaar van de Kledingstukken zijn geworden en dus ook niet bevoegd waren die aan [gedaagde sub 1] over te dragen door verkoop en levering. In artikel 3:86 lid 1 BW is geregeld dat ondanks de onbevoegdheid van de vervreemder (in dit geval [naam 1] c.s.) de verkoop van roerende zaken (in dit geval de Kledingstukken) geldig is indien de verkrijger (in dit geval [gedaagde sub 1] ) te goeder trouw is. Uit deze regel volgt dat [gedaagde sub 1] c.s. feiten en omstandigheden moet stellen waaruit blijkt dat zij te goeder trouw was.
5.7.
Het debat tussen partijen over de goede trouw van [gedaagde sub 1] c.s. betreft voornamelijk vier onderwerpen. De rechtbank zal die achtereenvolgens bespreken.
De rol van [naam 4] (hierna: [naam 5] ) en/of [bedrijfsnaam 1] Limited
5.7.1.
[gedaagde sub 1] c.s. hebben gesteld dat [gedaagde sub 1] de Kledingstukken op 2 mei 2023 aangeboden kreeg door een vast zakelijk contact van haar in Londen, [naam 5] van [bedrijfsnaam 1] . Zij hebben ter onderbouwing daarvan een e-mail van 2 mei 2023 overgelegd. AG heeft aangevoerd dat deze e-mail niet meer is dan een algemeen commercieel bericht van [bedrijfsnaam 1] . Dat klopt, maar daartegenover hebben [gedaagde sub 1] c.s. gesteld dat dit op de markt van restpartijen een gebruikelijke werkwijze is. AG heeft erop gewezen dat [naam 4] volgens de documentatie van het handelsregister op 2 februari 2022 is teruggetreden als director van [bedrijfsnaam 1] ltd. Maar dit betekent niet dat hij vanaf die datum niet meer voor [bedrijfsnaam 1] werkzaam kon zijn en/of dat het [gedaagde sub 1] c.s. overigens duidelijk had moeten zijn dat er iets niet klopte toen haar bleek dat zij door [naam 5] werden benaderd en via hem een koopovereenkomst tot stand kwam.
5.7.2.
[gedaagde sub 1] c.s. hebben gesteld en ter zitting herhaald, dat zij sinds 2016 naar volle tevredenheid met [naam 5] zaken hebben gedaan, dat eerdere van [naam 5] gekochte partijen kleding (in totaal 20 tot 25 transacties) altijd afkomstig waren van rechtmatige eigenaren en dat de leveringen daarvan aanvankelijk plaatsvonden vanuit de winkels van [naam 5] in Londen en later vanuit Dubai, Singapore en Israël. Deze feiten zijn door AG niet voldoende weersproken. AG heeft de goede trouw van [gedaagde sub 1] vooral bestreden door te wijzen op informatie die zij op 20 oktober 2023 van ‘ [bedrijfsnaam 3] ’ ontvangen heeft. Hij schrijft:
“Stock was acquired from AG Group by TKmaxx, who in turn sold the stock to our Hong Kong entity (…). We than sold the stock to [gedaagde sub 1] ”.Dat zou blijken uit een ‘stock disposal invoice’ en ‘order confirmation’ van 13 juni 2023 met daarop (onder meer): nagemaakte logo’s van TJX Europe, een stempel met de woorden ‘TJX Companies’ en de vermelding van ‘ [bedrijfsnaam 4] Limited’ en ‘ [naam 1] ’ als ‘buyer’. Dit betreft eenzelfde type document, dat ook aan AP en [gedaagde sub 1] is verstrekt. Het is vanwege die gelijkenis voldoende aannemelijk dat ook dit document vals is. Reeds om deze reden acht de rechtbank dat document niet van belang voor de beoordeling van de goede trouw van [gedaagde sub 1] c.s.
5.7.3.
Daarbij komt dat het document en de uitleg van [naam 5] daarover pas medio oktober 2023 bij [gedaagde sub 1] c.s. bekend werd. Dat is dus nadat de kledingstukken reeds aan [gedaagde sub 1] c.s. geleverd waren. Ook het gebruik door AG en [gedaagde sub 1] van het e-mailadres [e-mailadres 1] in de communicatie vanaf medio oktober 2023 is tussen [gedaagde sub 1] en AG is voor de beoordeling van de goede trouw van [gedaagde sub 1] c.s. op het moment van levering niet van belang. Uit het bericht van [naam 5] van 4 juli 2023 aan [gedaagde sub 1] blijkt bovendien dat [naam 5] gebruik heeft gemaakt van het dat e-mailadres in de communicatie met [naam 1] waarbij [naam 1] de overeenkomst tussen TJ Maxx en [gedaagde sub 1] heeft bevestigd. Die bevestiging door [naam 1] sloot aan op de ‘stock disposal invoice’ en een ‘order confirmation’ met dagtekening 13 juni 2023 die zij eerder van [naam 1] c.s. ontvangen had. Omdat uit het emailbericht van 4 juli 2023 niet blijkt dat de eerdere bevestiging niet zou kloppen en ook niet dat [bedrijfsnaam 5] of [bedrijfsnaam 6] als verkoper bij de Kledingstukken betrokken zou zijn, was er voor [gedaagde sub 1] geen reden om aan de herkomst van de kleding te twijfelen.
De inspectie van de kledingstukken door [gedaagde sub 1] in Dubai
5.7.4.
Ten tweede is gebleken dat [gedaagde sub 1] c.s. de Kledingstukken hebben geïnspecteerd op locatie in Dubai op 13 juni 2023. Dit is gebeurd door [gedaagde sub 2] en [naam 6] . [gedaagde sub 1] c.s. hebben ter zitting uitgelegd dat de inspectie van de Kledingstukken bedoeld was om “fraude/diefstal” of het kopen van namaakgoederen uit te sluiten, juist om strafrechtelijke vervolging in een land als de Verenigde Arabische Emiraten te voorkomen. Zij hebben ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij de inspectie van de Kledingstukken niets verdachts hebben opgemerkt. AG heeft onvoldoende feiten gesteld die voor [gedaagde sub 2] of [naam 6] reden hadden moeten zijn om nader onderzoek te doen naar de herkomst van de Kledingstukken. Dat de Kledingstukken waren verpakt in 786 dozen waarop het logo en de naam van AG zichtbaar waren, is daarvoor niet voldoende. [gedaagde sub 1] c.s. hebben, door AG niet weersproken, gesteld dat het in de internationale partijenhandel regelmatig voorkomt dat restpartijen worden herverpakt zodat die verpakking op zich geen reden is om aan de herkomst te twijfelen. Het vertrouwen van [gedaagde sub 1] blijkt uit het feit dat zij na de inspectie de koopprijs van de Kledingstukken in twee delen heeft betaald. Uit de transactiedetails van [gedaagde sub 1] blijkt dat betaling heeft plaatsgevonden naar een rekening die op naam staat van [bedrijfsnaam 2] Limited. Deze tenaamstelling op zich hoefde voor [gedaagde sub 1] c.s. geen aanleiding te zijn voor enig nader onderzoek naar de herkomst van de Kledingstukken.
De hoogte van de prijs
5.7.5.
Ten derde heeft [gedaagde sub 1] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de Kledingstukken niet voor een verdacht lage prijs heeft gekocht. [gedaagde sub 1] heeft € 15,00 per kledingstuk betaald (€ 353.475,00 : 23.565). Dit is een hogere prijs dan de prijs die zij in 2022 aan PVH, het moederbedrijf van Tommy Hilfiger, betaalde voor de aankoop van een restpartij kleding van hetzelfde merk als de Kledingstukken. [gedaagde sub 1] kocht die partij van PVH voor € 10,95 per stuk, wat neerkomt op een kortingspercentage van 71,46% op de reguliere inkoopprijs. [gedaagde sub 1] c.s. hebben nog een voorbeeld gegeven van een volgens hen vergelijkbare transactie, waarin zij 77,8% korting kregen op kleding van Calvin Klein. Aldus hebben [gedaagde sub 1] c.s. voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de Kledingstukken voor een prijs hebben gekocht die in het algemeen gebruikelijk is op de markt van restpartijen. De vertegenwoordiger van AG heeft op de zitting gesteld dat in dit geval van een verdacht lage prijs sprake was omdat AG met [naam 1] c.s. een prijs had afgesproken van (6.222.767,00 VAE-dirham, € 1.607.063,71). Dit argument overtuigt niet omdat het frauduleuze karakter van die transactie eraan in de weg staat de daarbij ‘afgesproken’ prijs als gebruikelijk te beschouwen. AG heeft geen informatie gegeven over de prijzen die haar eerder voor de Kledingstukken zouden zijn geboden door betrouwbare tussenhandelaren. Dit betekent dat zij onvoldoende bestreden heeft dat [gedaagde sub 1] c.s. de Kledingstukken voor een in de markt gebruikelijke prijs heeft gekocht.
De vrachtbrief
5.7.6.
Ten vierde gaf de vrachtbrief van vervoerder Maersk [gedaagde sub 1] c.s. evenmin aanleiding tot nader onderzoek. Op deze vrachtbrief staat TK Maxx UK als afzender vermeld met als contactpersoon [naam 1] en een e-mailadres van de contactpersoon ( [e-mailadres 2] ). Dit zijn de dezelfde gegevens die op de documenten stonden die betrekking hebben op de verkoop en levering door AG aan [naam 1] c.s. op grond waarvan AG ook er op heeft vertrouwd met TK Maxx van doen te hebben.
5.8.
Onder de gegeven omstandigheden verlangden de betrokkenheid van [naam 5] , de inspectie, de hoogte van de prijs en de vrachtbrief van [gedaagde sub 1] geen nader onderzoek naar de herkomst van de Kledingstukken. Daarmee is de goede trouw van [gedaagde sub 1] tijdens de koop en levering voldoende komen vast te staan. Het gevolg hiervan is dat de verkoop de Kledingstukken aan [gedaagde sub 1] ondanks de onbevoegdheid van [naam 1] c.s. geldig is. [gedaagde sub 1] is dus eigenaar geworden.
AG heeft geen mogelijkheid de Kledingstukken van [gedaagde sub 1] op te eisen
5.9.
In artikel 3:86 lid 3 BW staat dat als de oorspronkelijke eigenaar (in dit geval AG) de zaak door diefstal is verloren, hij gedurende drie jaar na diefstal, de mogelijkheid heeft de zaak als zijn eigendom op te eisen. AG stelt dat zij deze mogelijkheid had en de Kledingstukken van [gedaagde sub 1] als haar eigendom kon opeisen. Deze stelling vormt de enige grondslag voor de vorderingen van AG uit onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. Volgens AG heeft [gedaagde sub 1] onrechtmatig gehandeld omdat zij de Kledingstukken aan derden heeft verkocht. Met die verkoop heeft [gedaagde sub 1] het voor AG onmogelijk gemaakt de Kledingstukken van [gedaagde sub 1] op te eisen. AG meent ook dat [gedaagde sub 1] met die verkoop ongerechtvaardigd is verrijkt.
5.10.
Het beroep dat AG op artikel 3:86 lid 3 BW doet, gaat niet op. Voor de toepassing van dat artikel is vereist dat AG de Kledingstukken door diefstal zijn verloren. Van diefstal is geen sprake. [naam 1] c.s. hebben frauduleus gehandeld door zich bij het sluiten van de koopovereenkomst met AG met valse documenten voor te doen als het kennelijk gerenommeerde bedrijf TK Maxx. AG heeft de Kledingstukken aan [naam 1] c.s. geleverd in de veronderstelling die aan TK Maxx te leveren. Deze handelwijze van [naam 1] c.s. is geen diefstal maar oplichting. Dit betekent dat niet aan een van de voorwaarden van artikel 3:86 lid 3 BW is voldaan. Het gevolg hiervan is dat AG nooit de mogelijkheid heeft gehad de Kledingstukken van [gedaagde sub 1] op te eisen. Daarmee staat vast dat [gedaagde sub 1] de Kledingstukken, ook nadat zij door AG van de fraude op de hoogte is gesteld, mocht behouden en aan derden mocht verkopen. Alleen al om deze reden kan van een onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking geen sprake zijn.
[gedaagde sub 2] heeft niet onrechtmatig gehandeld
5.11.
AG verwijt [gedaagde sub 2] dat hij een op hem persoonlijk, dus losstaand van zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde sub 1] , rustende zorgvuldigheidsverplichting heeft geschonden en dat hij daarmee onrechtmatig zou hebben gehandeld tegenover AG. AG houdt [gedaagde sub 2] om die reden persoonlijk aansprakelijk voor (een deel van) de door haar geleden schade.
5.12.
De vordering van AG op [gedaagde sub 2] in persoon slaagt niet. De feiten die AG [gedaagde sub 2] persoonlijk verwijt, zijn dezelfde feiten die zij aan [gedaagde sub 1] verwijt. Omdat die feiten niet kunnen leiden tot enige aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] , kan daarom van een persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] ook geen sprake zijn.
[gedaagde sub 1] c.s. hoeven de buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten van AG niet te vergoeden
5.13.
AG vordert veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.775,00. Omdat de rechtbank de vordering tot schadevergoeding afwijst, bestaat er geen aanleiding om [gedaagde sub 1] c.s. te veroordelen tot het betalen van buitengerechtelijke incassokosten. De afwijzing van de vordering tot schadevergoeding heeft tot gevolg dat de beslagen ten onrechte zijn gelegd. De kosten die AG daarvoor heeft gemaakt dienen dan ook voor haar rekening te blijven.
AG moet de proceskosten betalen
5.14.
AG is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde sub 1] betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
8.519,00
- salaris advocaat
8.714,00
(2 punten × € 4.357,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
17.411,00
5.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beoordeling in reconventie

Geen onrechtmatig handelen AG
6.1.
[gedaagde sub 1] c.s. houden AG aansprakelijk voor de schade die veroorzaakt is door de manier waarop AG zich tegenover haar en de klanten van [gedaagde sub 1] heeft opgesteld. [gedaagde sub 1] c.s. vragen de rechtbank daarom om een verklaring voor recht dat AG onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeling van AG tot betaling van schade, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. De rechtbank zal deze vordering afwijzen.
6.2.
Het door [gedaagde sub 1] c.s. aan AG gemaakte verwijt valt uiteen in twee onderdelen. Ten eerste vinden [gedaagde sub 1] c.s. dat AG, nadat AG wist dat de Kledingstukken aan [gedaagde sub 1] waren verkocht, tegenover haar een te agressieve (proces)houding heeft aangenomen door diverse beslagen te leggen. Ten tweede verwijten zij AG dat zij de reputatie van [gedaagde sub 1] heeft geschaad door suggestieve brieven aan klanten van [gedaagde sub 1] te sturen.
6.3.
AG heeft diverse conservatoire (derden)beslagen gelegd, waaronder beslag onder de directe buren van [gedaagde sub 1] op een bedrijventerrein in [plaats] . Het is begrijpelijk dat [gedaagde sub 1] het als uiterst vervelend heeft ervaren dat derden, onder wie haar buren, daardoor op de hoogte komen van het geschil tussen partijen en daarover bij [gedaagde sub 1] c.s. om informatie komen vragen. Maar dat maakt nog niet dat AG door het leggen van de beslagen onrechtmatig heeft gehandeld.
6.4.
[gedaagde sub 1] vermeldt dat AG brieven naar meerdere afnemers van de Kledingstukken heeft verstuurd, maar zij overlegt maar één brief. In deze brief van 27 oktober 2023 schrijft de advocaat van AG het volgende aan een Litouwse afnemer van een deel van de Kledingstukken, voor zover relevant:
“Our clients fell victim to the theft of a stock of 23.565 Tommy Hilfiger branded garments packed in 786 boxes. Clients found out that the stock was shipped via Antwerp to the company [gedaagde sub 1] B.V., having its registered office at ( [postcode] ) [adres 1] , [plaats] , Netherlands (“ [gedaagde sub 1] ”). On behalf of clients, we tried to block the Tommy Hilfiger branded garments there, but [gedaagde sub 1] informed us that these have since been resold. According to the attached invoice, some of the Tommy Hilfiger branded garments would have been sold to you.
By means of this notification, we inform you that the Tommy Hilfiger branded garments you received from [gedaagde sub 1] are from a stolen consignment belonging to our clients. Clients wish to prevent these Tommy Hilfiger branded garments from being put into trade and are happy to enter discussions with you about this. Clients may be willing to take over the Tommy Hilfiger branded garments from you for this purpose.”
Hierin staat dus:
- dat AG slachtoffer is geworden van diefstal van 23.565 Tommy Hilfiger-kledingstukken;
- dat zij heeft ontdekt (“found out”) dat de Kledingstukken via de haven in Antwerpen zijn verzonden aan [gedaagde sub 1] ;
- dat [gedaagde sub 1] haar heeft meegedeeld dat de Kledingstukken inmiddels zijn verkocht aan de ontvanger van de brief (“have since been sold to you”) en
- dat de van [gedaagde sub 1] ontvangen Kledingstukken aan AG toebehoren en afkomstig zijn van een gestolen lading.
Ten slotte nodigt AG de geadresseerde uit om contact op nemen om te praten over het overnemen van de Kledingstukken.
6.5.
Het is juist, zoals [gedaagde sub 1] c.s. stellen, dat de brief niet vermeldt dat [gedaagde sub 1] in het geheel niet bij de diefstal betrokken is geweest. Maar er wordt ook niet gemeld dat dit wel het geval is. In de brief, waarin de naam van [gedaagde sub 2] niet wordt genoemd, wordt feitelijk alleen gemeld dat AG slachtoffer van diefstal is en dat de Kledingstukken die de geadresseerden van [gedaagde sub 1] hebben ontvangen van diefstal afkomstig zijn. Daarmee wekt de brief nog niet de suggestie dat [gedaagde sub 1] betrokken is bij de diefstal. In die zin is de inhoud van de brief niet suggestief en daarom kan die inhoud geen grond zijn voor enige aansprakelijkheid van AG.
[gedaagde sub 1] heeft recht op en belang bij opheffing beslagen
6.6.
[gedaagde sub 1] c.s. hebben gevorderd dat AG wordt veroordeeld tot het opheffen van alle door AG ten laste van [gedaagde sub 1] c.s. gelegde beslagen. AG heeft daartegen verweer gevoerd.
6.7.
De enkele omstandigheid dat in conventie de vordering waarvoor AG beslagen heeft gelegd wordt afgewezen, is niet voldoende om die als ondeugdelijk op te heffen. Voor de beoordeling van de vordering tot het opheffen van de beslagen weegt de rechtbank de wederzijdse belangen van partijen af. In dat kader is het wel van belang dat de vordering waarvoor AG de beslagen heeft gelegd, wordt afgewezen. Deze afwijzing heeft tot gevolg dat AG de vordering waarvoor zij de beslagen heeft gelegd, niet toekomt. Dit betekent [gedaagde sub 1] belang heeft bij opheffing daarvan. AG heeft daartegenover geen overtuigend belang gesteld bij handhaving van de beslagen. Feitelijk heeft AG ter omschrijving van haar belang volstaan met het herhalen van de gronden die zij in het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag heeft vermeld. Die gronden zijn onvoldoende om haar belang bij handhaving van de beslagen groter te achten dan het belang van [gedaagde sub 1] bij opheffing daarvan.
6.8.
Op de zitting hebben [gedaagde sub 1] c.s. meegedeeld dat er nog drie actieve beslagen zijn. Dit zijn de beslagen op de [.] bedrijfspanden [adres 2] en [adres 3] en de woning [adres 4] te [plaats] . Apparel zal worden veroordeeld tot opheffing van deze beslagen.
6.9.
[gedaagde sub 1] c.s. vragen de rechtbank een dwangsom van € 10.000,00 per dag te verbinden aan de veroordeling tot het opheffen van beslagen. De rechtbank zal deze dwangsom toewijzen en maximeren tot € 200.000,00.
Partijen dragen hun eigen proceskosten
6.10.
Omdat beide partijen in reconventie gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

De rechtbank
in conventie
7.1.
wijst de vorderingen van AG af,
7.2.
veroordeelt AG in de proceskosten van € 17.411,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als AG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
veroordeelt AG tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
7.4.
veroordeelt AG om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de ten laste van [gedaagde sub 1] c.s. gelegde beslagen op de bedrijfspanden met de adressen [adres 2] en [adres 3] te [plaats] en de woning met het adres [adres 4] te [plaats] op te heffen,
7.5.
veroordeelt AG om aan [gedaagde sub 1] c.s. een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling in randnummer 7.4. voldoet, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt,
7.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en reconventie
7.8.
verklaart de onder 7.2. tot en met 7.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G. Boonzaaijer, mr. H.M.M. Steenberghe, mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.