ECLI:NL:RBMNE:2025:6509

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/16/580775 / FO RK 24-1075
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging van het recht op omgang in een complexe en risicovolle dynamiek tussen ouders met betrekking tot hun kinderen

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 16 december 2025 een tussenbeschikking gegeven in een familierechtelijke procedure. De man, vertegenwoordigd door advocaat mr. M.C.G. Voogt, verzoekt om erkenning van zijn twee niet erkende kinderen en om gezamenlijk gezag over alle drie de kinderen. De moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. K.R. Koopman, verzet zich tegen deze verzoeken en vraagt om ontzegging van de omgang van de man met de kinderen. De rechtbank heeft eerder op 31 oktober 2024 een tussenbeschikking gegeven en heeft sindsdien verschillende rapporten en adviezen ontvangen, waaronder van de bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 november 2025 zijn beide ouders en hun advocaten aanwezig, evenals de bijzondere curator en vertegenwoordigers van de Raad.

De rechtbank concludeert dat er een complexe en risicovolle dynamiek bestaat tussen de ouders, waarbij de man zich fixeert op de moeder en zich schuldig maakt aan controlerende en bedreigende communicatie. Dit heeft geleid tot een contactverbod voor de man. De rechtbank wijst de verzoeken van de man af en ontzegt hem de omgang met de kinderen, omdat dit niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank geeft opdracht voor een DNA-onderzoek om de biologische afstamming van de kinderen vast te stellen, aangezien de man de juridische vader is van slechts één van de drie kinderen. De rechtbank stelt ook een informatieregeling vast, waarbij de moeder de man vier keer per jaar schriftelijk informeert over de kinderen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat deze onmiddellijk moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/580775 / FO RK 24-1075
erkenning, gezag, omgang en informatie
Beschikking van 16 december 2025
in de zaak van
[de man],
verblijvende in de [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.C.G. Voogt,
tegen
[de moeder],
wonende in [woonplaats] , gemeente [.] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. K.R. Koopman,
met als belanghebbende
mr. K.G.I.M. Schröder,
kantoorhoudende in [plaats 1] ,
als bijzondere curator over de kinderen
[minderjarige 1]en
[minderjarige 2].

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 31 oktober 2024 een eerdere (tussen)beschikking gegeven.
Voor het verloop van de procedure tot 31 oktober 2024 verwijst de rechtbank naar de vorige beschikking.
1.2.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het advies van de bijzondere curator van 7 januari 2025;
  • de brief van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de GI) van 14 januari 2025;
  • het bericht van de man van 20 januari 2025;
  • het bericht van de moeder van 21 januari 2025;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 maart 2025;
  • het bericht van de man van 11 april 2025;
  • het bericht van de moeder van 17 april 2025;
  • het bericht van de GI van 16 mei 2025;
  • het bericht van de man van 4 juli 2025;
  • het bericht van de man van 24 oktober 2025;
  • het bericht van de moeder van 27 oktober 2025;
  • het bericht van de man van 31 oktober 2025;
  • het bericht van de moeder van 3 november 2025;
  • het bericht van de moeder van 11 november 2025, met bijlagen;
  • de brief van de man van 12 november 2025;
  • het geactualiseerde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 november 2025;
  • het bericht van de moeder van 17 november 2025, met bijlage;
  • het bericht van de man van 17 november 2025.
1.3.
De behandeling van de verzoeken is voortgezet tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 18 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de man met zijn advocaat,
  • de moeder met haar advocaat,
  • de bijzondere curator,
  • mevrouw [A] en mevrouw [B] , namens het Landelijk Hoog Risico en Expertise Team (HRT) van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
1.4.
De bijzondere curator en de advocaat van de moeder hebben tijdens de zitting nog pleitnotities overgelegd.
1.5.
De rechtbank heeft de betrokken kinderen niet gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De moeder en de man hebben een relatie gehad.
2.2.
De moeder is bevallen van drie kinderen:
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft [minderjarige 3 (voornaam)] erkend. [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] zijn niet erkend.
2.4.
De moeder heeft alleen het gezag over de kinderen.
2.5.
De moeder en de man hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.6.
De man verzoekt de rechtbank:
  • om hem toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] ;
  • om hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3 (voornaam)] , [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] ;
  • een zorgregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen;
  • een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder de man maandelijks moet informeren omtrent belangrijke aangelegenheden van de kinderen, met inbegrip van maandelijkse toezending van een recente foto van de kinderen.
2.7.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de man. Zij heeft de rechtbank (primair) verzocht om de man de omgang met de kinderen te ontzeggen voor onbepaalde dan wel bepaalde tijd.
2.8.
In de (tussen)beschikking van 31 oktober 2024 heeft de rechtbank opdracht gegeven voor een onderzoek door de Raad.
2.9.
Bij vonnis in kort geding van 2 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter beslist:
  • verbiedt de man na betekening van dit vonnis – anders dan via zijn advocaat – persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of op een andere manier contact op te nemen met de vrouw tot de datum van de (tussen)beschikking in de bodemprocedure met zaaknummer C/16/580775 FO RK 24-1075;
  • verbiedt de man na betekening van dit vonnis persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of op een andere manier contact op te nemen met de kinderen tot de datum van de (tussen)beschikking in de bodemprocedure met zaaknummer C/16/580775 FO RK 24-1075, tenzij een professionele partij daartoe toestemming geeft;
  • veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere keer dat hij niet aan de veroordelingen onder punt 5.1. en 5.2. voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt.
2.10.
De man heeft de rechtbank op 24 oktober 2025 bericht dat hij zijn verzoeken intrekt, maar hij is daar binnen een paar dagen op teruggekomen. De rechtbank heeft dit opgevat als een vermindering en vermeerdering van de verzoeken.

3.De beoordeling

Conclusie
3.1.
De rechtbank zal nog geen beslissing nemen over de erkenning, maar opdracht geven voor een DNA-onderzoek en Verilabs als deskundige benoemen. De rechtbank zal de verzoeken van de man ten aanzien van het gezag en de omgang afwijzen. Wel zal de rechtbank een informatieregeling vaststellen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
Erkenning: DNA-onderzoek
3.2.
De rechtbank zal opdracht geven voor een DNA-onderzoek en Verilabs als deskundige benoemen.
3.3.
De rechtbank vindt een DNA-onderzoek nodig. Het is namelijk van groot belang voor (de identiteitsvorming van) [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] dat vast komt te staan wie hun biologische vader is. Met een DNA-onderzoek kan dat worden vastgesteld. Tijdens de zitting hebben ook de bijzondere curator en de Raad benadrukt dat afstammingskennis erg belangrijk is voor kinderen, nog los van de vraag of vervangende toestemming voor erkenning kan worden verleend.
De rechtbank zal Verilabs als deskundige benoemen, want Verilabs voert rechtsgeldige DNA-onderzoeken uit. Dit betekent dat aan alle eisen wordt voldaan, ook voor de identificatie van de testpersonen en de afname en verzending van het DNA-materiaal.
De deskundige zal bij het onderzoek DNA-materiaal afnemen bij de man, [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] en de moeder. Partijen hebben zich bereid verklaard om mee te werken aan het DNA-onderzoek.
3.4.
De rechtbank houdt de behandeling van de zaak aan voor de duur van vier maanden, in afwachting van de resultaten van het DNA-onderzoek.
3.5.
Voor een spoedig verloop van het onderzoek kunnen partijen alvast zelf contact opnemen met Verilabs om af te spreken waar en wanneer de afname van het DNA-materiaal zal plaatsvinden.
De contactgegevens van Verilabs zijn:
E-mail : [e-mailadres]
Telefoon : [telefoonnummer]
Bezoekadres : Verilabs, [adres] , [postcode] [plaats 2]
3.6.
De rechtbank zal de kosten van het DNA-onderzoek
voorschieten, want de man procedeert op basis van een toevoeging. [1] De kosten van het onderzoek bedragen in beginsel € 995,- voor een standaard vaderschapsonderzoek met twee kinderen. Als de betrokkenen niet tegelijk aanwezig zijn voor de afname van DNA-materiaal dan zijn de kosten hoger. Dit zal hier het geval zijn, omdat de man in een penitentiaire inrichting verblijft.
In de eindbeschikking zal de rechtbank vermelden wat de definitieve kosten van het DNA-onderzoek zijn en wie deze kosten uiteindelijk aan de rechtbank moet(en) betalen.
De rechtbank (of de bijzondere curator) zal de definitieve kosten niet betalen.
Gezag
3.7.
De rechtbank zal het verzoek van de man om samen met de moeder met het gezag over de kinderen te worden belast, afwijzen. Dit betekent dat de moeder alleen het gezag blijft uitoefenen. Dit wordt hierna toegelicht.
3.8.
De rechtbank merkt op dat de man wel de juridische vader van [minderjarige 3 (voornaam)] is, maar niet van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Voor het uitoefenen van het gezag is het juridisch ouderschap een vereiste. Het is op dit moment nog onzeker of de man de juridische vader van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] zal worden, omdat nog niet is beslist op het verzoek over de erkenning van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De rechtbank vindt het echter niet nodig om de beslissing over het gezag aan te houden, omdat voor de rechtbank duidelijk is dat gezamenlijk gezag geen optie is.
3.9.
De rechtbank neemt deze beslissing omdat zij dit in het belang van de kinderen noodzakelijk vindt. [2] Ook de Raad heeft dit geadviseerd. Tussen partijen is sprake van een complexe en risicovolle dynamiek (dit zal onder het kopje
‘omgang’verder worden toegelicht). De verstandhouding tussen partijen is zo verstoord dat er geen enkele vorm van overleg mogelijk is. Op dit moment geldt ook een contactverbod van de man jegens de moeder en de kinderen. Partijen zijn daarom niet in staat om samen gezagsbeslissingen te nemen over de kinderen. Niet is te verwachten dat dit op korte termijn zo zal verbeteren dat partijen op een goede wijze uitvoering kunnen geven aan het ouderlijk gezag.
Omgang
3.10.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen en de man de omgang met de kinderen ontzeggen. Dit betekent dat de man geen omgang met de kinderen mag hebben. De rechtbank beslist dit, omdat zij het contact met de man op dit moment niet in het belang van de kinderen vindt. Dat is volgens de wet voldoende om het contact te verbieden. [3]
3.11.
Ook in dit kader merkt de rechtbank op dat de man op dit moment wel de juridische vader van [minderjarige 3 (voornaam)] is, maar niet van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . In artikel 1:377a BW wordt echter niet alleen over ‘de ouder’ gesproken, maar ook over ‘degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat’. Naar het oordeel van de rechtbank staat de man in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] , zodat hetzelfde wettelijke criterium geldt voor omgang met [minderjarige 3 (voornaam)] als voor omgang met [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .
3.12.
Bij haar beslissing baseert de rechtbank zich mede op het onderzoek dat de Raad heeft gedaan naar de mogelijkheden voor omgang tussen de man en de kinderen. De Raad heeft op 27 maart 2025 gerapporteerd en op 13 november 2025 aanvullend gerapporteerd.
Uit dit onderzoek blijkt het volgende. In maart hield de Raad nog rekening met drie scenario’s, te weten:
  • Scenario 1 gaat ervan uit dat sprake is van intieme terreur vanuit de man richting de moeder;
  • Scenario 2 gaat ervan uit dat de man zijn leven heeft gebeterd en gericht is op contact met de kinderen;
  • Scenario 3 gaat ervan uit dat de moeder het contact tussen de man en de kinderen belemmert.
De Raad zag in maart nog mogelijkheden om onder begeleiding van specialistische hulpverlening enige vorm van contactherstel tussen de man en de kinderen te realiseren.
In november ziet de Raad deze mogelijkheden niet meer en adviseert de Raad om geen omgangsregeling vast te stellen. Volgens de Raad heeft de man de afgelopen maanden laten zien dat hij niet in staat is om zijn emoties en fixatie richting de moeder te beheersen. De Raad constateert dat er een complexe en risicovolle dynamiek is tussen partijen, waarbij de zorgen over het controlerende en dwingende gedrag van de man richting de moeder de boventoon voeren. Volgens de Raad zijn de kenmerken van intieme terreur in de afgelopen maanden bevestigd. Het patroon van stressvolle contacten tussen partijen zet zich voort, ondanks de detentie van de man en het contactverbod van de man jegens de moeder en de kinderen.
3.13.
De wijze waarop het contact tussen partijen tot stand komt, blijft voor de Raad – en voor de rechtbank – onduidelijk. De man zegt dat de moeder contact met hem zoekt en dat ze goede gesprekken hebben en soms onenigheid. De moeder betwist dat zij de man belt, maar zij is soms niet in staat om weerstand te bieden aan het bellen van de man naar haar. Hierdoor ontstaan valse verwachtingen tussen partijen. Beide partijen doen dus iets aan het in stand houden van de zorgelijke dynamiek. Feit is wel dat het de man is die ervoor kiest om bedreigende uitspraken te doen naar de moeder, zoals ‘het wordt Gouda 2.0 ’, en die achter elkaar blijft bellen als de moeder niet opneemt, soms wel 40 keer per dag. Vaststaat dat de man het contactverbod jegens de moeder negeert. Het dwingende en controlerende gedrag van de man roept zorgen op over de veiligheid van de moeder.
3.14.
De moeder is in september 2025 gestart met gespecialiseerde hulpverlening. De verwachting is dat dit een langdurig traject zal worden, omdat de huidige situatie nog te onrustig is voor traumaverwerking. Op dit moment bestaat de behandeling uit het ondersteunen van de moeder en het vergroten van haar weerbaarheid jegens de man. De rechtbank vindt het positief dat de moeder op deze manier probeert om haar leven op orde te krijgen.
De man heeft tot op heden geen hulp gezocht voor zijn agressieregulatie-problematiek en zijn grensoverschrijdende gedrag naar de moeder. De rechtbank ziet dit als een gemiste kans. Het is belangrijk dat de man gaat inzien dat ook hij aan zichzelf zal moeten werken.
3.15.
De rechtbank vindt het op dit moment niet in het belang van de kinderen om omgang met de man op te starten. De moeder ervaart veel spanning en angst richting de man en haar draagkracht is hierdoor beperkt. Het is in het belang van de kinderen dat de moeder, hun verzorgende ouder, (emotioneel) beschikbaar voor hen blijft. Dit geldt te meer nu [minderjarige 3 (voornaam)] binnenkort zal starten met speltherapie, om traumatische ervaringen te verwerken van huiselijk geweld van de man richting de moeder. De man toont onvoldoende inzicht in de belangen en grenzen van de moeder en de kinderen. De man zal moeten leren om zijn emoties richting de moeder te beheersen. Het is de man niet gelukt om te laten zien dat hij zich exclusief kan richten op de kinderen, zelfs niet bij het versturen van kaartjes. De man blijft zich fixeren op de moeder en dit uit zich in een hardnekkig patroon van controlerende en bedreigende communicatie van de man richting de moeder. Onder deze omstandigheden kan er niet op een onbelaste wijze contact worden opgebouwd tussen de kinderen en de man.
Informatieregeling
3.16.
De rechtbank zal de informatieregeling vaststellen die de Raad heeft geadviseerd.
Dit houdt in dat de moeder de man vier keer per jaar (aan het begin van ieder kwartaal) schriftelijk zal informeren over de kinderen, via de betrokken hulpverlening, waarbij de moeder een actuele foto van de kinderen zal meesturen.
3.17.
Volgens de wet is de moeder, als ouder met gezag, verplicht om de man, de ouder zonder gezag, op de hoogte te houden van belangrijke zaken in het leven van de kinderen. [4]
De rechtbank volgt de moeder niet in haar stelling dat informatieverstrekking aan de man niet in het belang van de kinderen is. Wel merkt de rechtbank op dat de regeling niet zal gelden ten aanzien van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man niet hun biologische vader is.
3.18.
De rechtbank vindt de door de man verzochte frequentie van eenmaal per maand te belastend voor de moeder. Gelet op de situatie is de geadviseerde frequentie van eenmaal per kwartaal passend.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.19.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
benoemt als deskundige:
de deskundige van Verilabs, [adres] , [postcode] [plaats 2] ;
4.2.
geeft opdracht aan de deskundige voor een DNA-onderzoek naar de vraag of:
[de man], geboren op [geboortedatum 3] 1986 in [geboorteplaats] ,
de biologische vader is van de kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats] ;
4.3.
verzoekt de deskundige om onderzoek te doen en schriftelijk te rapporteren binnen vier maanden na deze beschikking;
4.4.
bepaalt dat de rechtbank voorlopig de kosten van de deskundige betaalt, omdat aan de man een toevoeging is verleend;
4.5.
verzoekt partijen, de bijzondere curator en de Raad om na binnenkomst van het rapport schriftelijk te reageren op de inhoud van het rapport;
4.6.
houdt de (verdere) beslissing over
de erkenningpro formaaan tot
16 april 2026, in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek;
4.7.
ontzegt de man de omgang met [minderjarige 3 (voornaam)] , [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] ;
4.8.
bepaalt dat de moeder vier keer per jaar (aan het begin van ieder kwartaal) een e-mail of brief zal sturen aan de man,
via de betrokken hulpverlening, over:
  • de gezondheid van de kinderen,
  • de ontwikkeling van de kinderen (groei, spraak, vaardigheden),
  • wat de kinderen leuk vinden om te doen,
  • voor zover van toepassing: hoe het met de kinderen gaat op school,
waarbij de moeder iedere keer een recente foto van de kinderen zal meesturen;
4.9.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.10.
wijst de verzoeken van de man ten aanzien van het gezag en de omgang af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 195 jo. 199 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
2.Artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW)
3.Artikel 1:377a lid 3 BW
4.Artikel 1:377b BW