ECLI:NL:RBMNE:2025:6429

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/719
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure tegen gemeente Rhenen

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om proceskostenvergoeding van verzoeker, die in beroep was gegaan tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen. Verweerder had op 12 december 2024 een besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaarschrift van verzoeker ongegrond was verklaard en zijn aanvraag voor het wijzigen van een huisnummer was afgewezen. Verzoeker ging in beroep en op 19 maart 2025 werd zijn aanvraag voor een ander huisnummer alsnog goedgekeurd, waarna hij zijn beroep introk met het verzoek om vergoeding van de proceskosten die hij had gemaakt in de bezwaar- en beroepsfase. Verweerder stemde in met de vergoeding van de kosten voor het indienen van het beroepschrift, maar gaf aan dat de proceskosten voor de bezwaarfase al waren uitgekeerd.

De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak gedaan. De veroordeling in proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. De rechtbank oordeelde dat, omdat verweerder tegemoet was gekomen aan het beroep van verzoeker, het verzoek om proceskostenveroordeling gegrond was. De rechtbank heeft de proceskosten vastgesteld op € 907,- voor het indienen van het beroepschrift en heeft verweerder ook veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 194,- aan verzoeker. De uitspraak is openbaar uitgesproken en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/719
uitspraak van de rechtbank/enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.H.N. van Spanje)
en

het college van burgemeester en wethouders gemeente Rhenen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 12 december 2024 een besluit op bezwaar genomen. Het bezwaarschrift is ongegrond verklaard en verzoekers aanvraag voor het wijzigen van een huisnummer is afgewezen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 19 maart 2025 heeft verweerder de aanvraag voor een ander huisnummer alsnog toegekend met een gewijzigd besluit op bezwaar. Verzoeker kan zich hierin vinden en heeft het beroep ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten gemaakt in de bezwaar- en beroepsfase. Verweerder heeft hierop gereageerd en heeft er geen bezwaar tegen om de kosten voor het indienen van een beroepschrift van verzoeker te betalen. Verweerder geeft aan dat de proceskosten gemaakt in de bezwaarfase reeds zijn uitgekeerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
4. Verweerder heeft reeds een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
6. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb). Dit volgt rechtstreeks uit de wet. In dit geval gaat het om een bedrag van € 194,-.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier
.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.