ECLI:NL:RBMNE:2025:6426

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
25/1513
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over passendheid functie ex-werkneemster wegens onvoldoende motivering

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een geschil tussen een bedrijf en het UWV over de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een ex-werkneemster op grond van de Wet WIA. Het bedrijf is het niet eens met het UWV-besluit dat de ex-werkneemster wel volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Na een tussenuitspraak op 13 augustus 2025 waarin de rechtbank het UWV de gelegenheid gaf om het besluit te herstellen, diende het UWV een aanvullende motivering in. Deze motivering betrof de passendheid van de functie productiemedewerker industrie, ondanks een beperking wegens verhoogd persoonlijk risico zoals brand-, snij- en prikgevaar.

De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functie passend is, met name omdat de beperking in de functionele mogelijkhedenlijst niet alleen geldt voor werken op hoogte, zoals het UWV stelde, maar ook voor andere risico's. De aanvullende toelichting op het soldeerboutje overtuigt de rechtbank niet. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak en de eerdere tussenuitspraak.

De rechtbank wijst het betaalde griffierecht aan het bedrijf toe, maar kent geen proceskostenvergoeding toe omdat geen beroepsmatige rechtsbijstand is ingeschakeld.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1513

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaak tussen

[bedrijf] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B. Polman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: T. Rook).

Als derde-partij neemt aan het geding deel [persoon] te [plaats]

(gemachtigde: mr. N.J. Brouwer).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering van de ex-werkneemster van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de beslissing van het Uwv dat de ex-werkneemster wel volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Procesverloop

2. Op 13 augustus 2025 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.2.
Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiseres en derde-partij hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres gegrond en beslist dat het Uwv een nieuwe beslissing moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De tussenuitspraak
4. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. [1]
4.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het Uwv in de arbeidsdeskundige rapportage van 26 mei 2025 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functie productiemedewerker industrie (SBC 111180) passend is voor de ex-werkneemster. De ex-werkneemster is blijkens de functionele mogelijkhedenlijst (de fml) aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Uit de functiebelasting die is opgesteld door de arbeidskundig analist volgt dat bij deze functie een verhoogd persoonlijk risico bestaat. De kenmerkende functiebelasting wijst op licht verbrandgevaar bij dagelijks werken met soldeerbout en dat prik- of snijgevaar mogelijk is aan kleine onderdelen. Door het Uwv is onvoldoende gemotiveerd waarom de functie desondanks passend is voor ex-werkneemster.
De herstelpoging
5. Het Uwv heeft op 25 augustus 2025 een aanvullende motivering ingediend van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep om het geconstateerde gebrek te herstellen. In deze aanvullende motivering herhaalt de arbeidsdeskundige dat de in de fml gestelde beperking voor verhoogd persoonlijk risico vanwege de toelichting “zoals op hoogtes” enkel om werk op hoogtes ziet. Volgens de arbeidsdeskundige is de functie productiemedewerker industrie passend omdat deze niet op hoogte wordt uitgevoerd. Verder heeft de arbeidsdeskundige een nadere toelichting gegeven op de werking van het soldeerboutje waarmee in deze functie wordt gewerkt.
5.1.
Eiseres voert in de zienswijze van 5 september 2025 aan dat de motivering dat de functie passend is, omdat deze niet op hoogte wordt uitgevoerd, onvoldoende is. Zij wijst op de functiebelasting waarin wordt uitgegaan van brand-, snij- en prikgevaar en wijst erop dat de verzekeringsarts heeft aangegeven dat ex-werkneemster is aangewezen op werk zonder dit risico.
5.2.
De derde-partij voert in de zienswijze van 8 september 2025 eveneens aan dat het Uwv nog altijd onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functie gezien de beperking in de fml en de functiebelasting als passend kan worden aangemerkt.
De beoordeling
6. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met de aanvullende motivering niet heeft hersteld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het Uwv stelt in de aanvullende motivering dat de in de fml opgenomen beperking wegens verhoogd persoonlijk risico alleen geldt voor werken op hoogte. Het Uwv heeft niet nader gemotiveerd dat, en zo ja waarom, de beperking wegens verhoogd persoonlijk risico in het geval van ex-werkneemster alleen zou gelden voor werken op hoogtes. Het Uwv heeft ook niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om een andere toelichting te vragen bij, of overleg te voeren met, de verzekeringsarts over hoe de beperking in het geval van ex-werkneemster moet worden geduid. Zonder nadere toelichting of motivering kan de rechtbank niet volgen dat deze beperking enkel zou zien om werken op hoogte. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van een beperking wegens verhoogd persoonlijk risico, zoals, maar niet beperkt tot, werken op hoogtes. Daarom kan de motivering van het Uwv dat de functie passend is omdat deze niet op hoogte wordt uitgevoerd, geen stand houden.
6.1.
In de aanvullende motivering heeft het Uwv ook een nadere toelichting gegeven op de werking van de soldeerbout. De rechtbank begrijpt deze toelichting zo, dat het Uwv hiermee het eerder op de zitting ingenomen standpunt onderbouwt dat bij een soldeerbout slechts een beperkte mate van gevaarzetting speelt. De rechtbank heeft hier in de tussenuitspraak al een oordeel over gegeven. Zoals de rechtbank hiervoor in overweging 4 heeft overwogen, blijft zij bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze functie ondanks licht verbrandgevaar en prik- of snijgevaar, toch passend is voor de ex-werkneemster. De rechtbank zal het besluit daarom vernietigen en het Uwv opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Conclusie en vervolgopdracht

7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het Uwv moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
7.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
7.2.
Eiseres heeft geen kosten gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank kent dus geen vergoeding van proceskosten toe.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het Uwv op binnen zes weken nadat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).