ECLI:NL:RBMNE:2025:6413
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na oplichting en diefstal
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 6 november 2025 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Veroordeelde was eerder veroordeeld voor meerdere feiten van oplichting en diefstal gepleegd in 2022.
De rechtbank baseerde de ontnemingsvordering op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €7.764,-. Dit bedrag is samengesteld uit opbrengsten van vier afzonderlijke feiten waarbij veroordeelde bankpassen en pincodes van slachtoffers gebruikte om geld te pinnen en betalingen te verrichten, alsmede een bedrag dat rechtstreeks aan hem was afgegeven.
De verdediging had verzocht de vordering af te wijzen vanwege onvoldoende bewijs, maar de rechtbank verwierp dit verweer. Er waren voldoende bewijsmiddelen, waaronder aangiften, camerabeelden en het eerdere veroordelend vonnis. De rechtbank kende het gehele voordeel toe aan veroordeelde en legde hem de betalingsverplichting op. Tevens werd de maximale gijzelingstermijn van 155 dagen vastgesteld voor het geval van niet-betaling.
De redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, maar dit werd reeds meegenomen bij de strafoplegging, zodat geen matiging van het bedrag plaatsvond. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank te Utrecht op 27 november 2025.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €7.764 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.