ECLI:NL:RBMNE:2025:6398
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring voor woning op medische gronden
Op 30 oktober 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Eiser had een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring om medische redenen, omdat hij long- en hartklachten heeft en in een woning zonder lift woont. Het college heeft deze aanvraag op 6 juni 2024 afgewezen, en na bezwaar bleef het college bij deze afwijzing. Tijdens de zitting op 30 oktober 2025 heeft de rechtbank het beroep van eiser behandeld, waarbij zowel eiser als zijn gemachtigde, alsook de gemachtigde van het college aanwezig waren. De rechtbank heeft de zaak onmiddellijk na de zitting beoordeeld en uitspraak gedaan.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet had aangetoond dat hij voldeed aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring. Het college had terecht gesteld dat er een andere voorliggende voorziening beschikbaar was, namelijk de mogelijkheid voor eiser om een indicatie voor een gelijkvloerse woning aan te vragen. Eiser had deze mogelijkheid niet benut, wat de rechtbank als een tekortkoming beschouwde. Daarnaast had eiser onvoldoende gereageerd op het woningaanbod van WoningNet, wat ook tegen hem werd gewogen. De rechtbank concludeerde dat het college de urgentieverklaring terecht had afgewezen, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden en er geen sprake was van een bijzondere persoonlijke noodsituatie.
Eiser had ook een beroep gedaan op de hardheidsclausule, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een levensbedreigende situatie die een uitzondering rechtvaardigde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de urgentieverklaring door het college standhield. Eiser kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen deze uitspraak.