ECLI:NL:RBMNE:2025:6398

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
UTR 24/7895
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring voor woning op medische gronden

Op 30 oktober 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Eiser had een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring om medische redenen, omdat hij long- en hartklachten heeft en in een woning zonder lift woont. Het college heeft deze aanvraag op 6 juni 2024 afgewezen, en na bezwaar bleef het college bij deze afwijzing. Tijdens de zitting op 30 oktober 2025 heeft de rechtbank het beroep van eiser behandeld, waarbij zowel eiser als zijn gemachtigde, alsook de gemachtigde van het college aanwezig waren. De rechtbank heeft de zaak onmiddellijk na de zitting beoordeeld en uitspraak gedaan.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet had aangetoond dat hij voldeed aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring. Het college had terecht gesteld dat er een andere voorliggende voorziening beschikbaar was, namelijk de mogelijkheid voor eiser om een indicatie voor een gelijkvloerse woning aan te vragen. Eiser had deze mogelijkheid niet benut, wat de rechtbank als een tekortkoming beschouwde. Daarnaast had eiser onvoldoende gereageerd op het woningaanbod van WoningNet, wat ook tegen hem werd gewogen. De rechtbank concludeerde dat het college de urgentieverklaring terecht had afgewezen, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden en er geen sprake was van een bijzondere persoonlijke noodsituatie.

Eiser had ook een beroep gedaan op de hardheidsclausule, maar de rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een levensbedreigende situatie die een uitzondering rechtvaardigde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de urgentieverklaring door het college standhield. Eiser kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7895
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.G.M. Lodder),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. W. van Beveren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 6 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 29 oktober 2024 op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser, [leeftijd] jaar, heeft op 8 april 2024 gevraagd om een urgentieverklaring om medische redenen. Eiser woont op de [adres] in [plaats] . De woning heeft geen lift en volgens eiser belemmert de woning zijn gezondheid. Eiser heeft long- hartklachten, waardoor hij moeilijk kan traplopen.
3. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij voldoet een van de algemene voorwaarden voor een urgentieverklaring dat sprake is van een bijzondere persoonlijke noodsituatie [1] .
De algemene voorwaarden
4. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat geen sprake is van een bijzondere persoonlijke noodsituatie. Voor eiser bestaat een andere weg om zijn woonprobleem op te lossen, omdat hij een indicatie kan aanvragen voor een gelijkvloerse woning bij zijn verhuurder. Eiser heeft dat niet gedaan, terwijl dat wel voor de hand had gelegen. Dat eiser daarvan niet op de hoogte was, betekent niet dat het college die voorwaarde niet heeft mogen tegenwerpen. De mogelijkheid om zo’n indicatie aan te vragen is op de hoorzitting besproken en ook in het primaire besluit staat duidelijk dat eiser om een indicatie kan vragen en waar hij dat kan doen.
5. De rechtbank is van oordeel dat het college ook de voorwaarde heeft mogen tegenwerpen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij eerst zelf naar een oplossing heeft gezocht. [2] Eiser heeft niet voldoende gereageerd op het woningaanbod van WoningNet. Gebleken is dat eiser sinds januari 2025 niet meer actief, dat wil zeggen minimaal twee keer per week, op het woningaanbod heeft gereageerd. Eiser heeft tijdens de zitting gezegd dat het geen zin heeft om te reageren omdat hij steeds op plek 300 of hoger eindigt, maar dat ontslaat hem niet van de verplichting om te blijven reageren op woningen die hem worden aangeboden. Eiser moet ook zelf blijven proberen om een woning te vinden en hij moet dus ook reageren op het woningaanbod.
6. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij aantoonbaar niet in staat is om zelf binnen zes maanden voor passende huisvesting te zorgen [3] . Het college heeft die algemene voorwaarde daarom niet aan eiser mogen tegenwerpen.
7. Uit wat de rechtbank zojuist heeft overwogen, volgt dat het college de andere twee algemene voorwaarden van artikel 28, eerste lid, van de Huisvestingsverordening, wel terecht heeft tegengeworpen. Het gaat dan erom dat ten eerste sprake is van een andere voorliggende voorziening (namelijk een urgentie voor een gelijkvloerse woning) en ten tweede dat eiser niet voldoende heeft gereageerd op woningaanbod. Het college heeft de urgentieverklaring om die redenen terecht geweigerd. Het college heeft daarom niet meer hoeven beoordelen of eiser op medische gronden voor een urgentie in aanmerking komt.
De hardheidsclausule
8. Eiser doet ook een beroep op de hardheidsclausule. Volgens eiser heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom hij hiervoor niet in aanmerking komt. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Voor de vraag of het in dit geval onevenredig hard is om eiser geen urgentie te verlenen, moet sprake zijn van een levensbedreigende situatie of een situatie die daarop lijkt. Dat is bij eiser niet het geval. Uit de medische verklaring van de verpleegkundig specialist van het ziekenhuis blijkt dat eiser long- en hartproblemen heeft en dat het fysiek niet altijd goed met hem gaat. Uit die verklaring blijkt echter niet dat de medische situatie van eiser levensbedreigend is. Het college heeft eiser daarom geen urgentie op grond van de hardheidsclausule hoeven te verlenen. Daarbij heeft het college mogen meewegen dat eiser andere mogelijkheden heeft zijn om zijn woonprobleem op te lossen.
9. De beroepsgronden van eiser slagen daarom niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de urgentieverklaring mocht afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025 door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
De rechter is verhinderd om het proces-verbaal te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28, aanhef, en onder c, van de Huisvestingsverordening Utrecht (Hhv).
2.Als bedoeld in art 28, eerste lid, en onder e, van de Hhv.
3.Artikel 28, eerste lid en onder g van de Hhv.