ECLI:NL:RBMNE:2025:6374

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
592568 HA RK 25-78
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019z RvArt. 1019aa lid 1 RvArt. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelgeschil over arbeidsongeschiktheid en verlies aan verdienvermogen na verkeersongeval

Verzoeker raakte op 5 mei 2016 betrokken bij een verkeersongeval als motorrijder en heeft sindsdien lichamelijke en psychische klachten. ASR erkende aansprakelijkheid, maar partijen kwamen niet tot definitieve schadeafwikkeling vanwege geschil over arbeidsongeschiktheid en verlies aan verdienvermogen.

Verzoeker diende een deelgeschilprocedure in om hierover duidelijkheid te krijgen. De rechtbank oordeelde dat het verzoek vrijwel het gehele geschil omvatte, wat niet passend is voor een deelgeschil, maar behandelde inhoudelijk de punten over arbeidsongeschiktheid, causaal verband en secundaire victimisatie om de impasse te doorbreken.

De rechtbank stelde dat een onafhankelijk verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van blijvende arbeidsongeschiktheid en wees het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht toe. Verder verklaarde zij voor recht dat de door deskundigen vastgestelde klachten en beperkingen in causaal verband staan met het ongeval en dat verzoeker in de hypothetische situatie zonder ongeval per 1 juni 2016 in dienst zou zijn getreden bij een werkgever voor een jaar tegen een vastgesteld salaris.

Andere verzoeken, zoals over smartengeld en rekenrente, werden afgewezen. De rechtbank veroordeelde ASR tot betaling van de proceskosten en deed een dringend beroep op partijen om het schadetraject voortvarend te vervolgen.

Uitkomst: Rechtbank verklaart deels voor recht over arbeidsongeschiktheid en dienstverband, wijst voorlopig deskundigenbericht toe en veroordeelt ASR tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/592568 / HA RK 25-78
Beschikking (deelgeschil) van 25 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
die woont in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
advocaat: mr. A. el Ballouti,
tegen

1.ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

die is gevestigd in Utrecht,
2.
OAK ADVOCATEN,
die is gevestigd in Ermelo,
verwerende partijen,
advocaat: mr. A. Spelt.
Partijen worden hierna [verzoeker] , ASR en OAK Advocaten genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 143 producties van 25 april 2025;
- de oproep voor de mondelinge behandeling van 7 juli 2025;
- het verweerschrift met 49 producties van 23 september 2025;
- de mondelinge behandeling van 7 oktober 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Het verzoek is tegelijk behandeld met het verzoek van [verzoeker] om een voorlopig deskundigenbericht van 16 mei 2025 (geregistreerd onder nummer C/16/593843 HA RK 25-94). ASR heeft in haar verweerschrift in beide procedures verweer gevoerd. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter partijen meegedeeld dat in beide zaken uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoeker] is op 5 mei 2016 als motorrijder betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Hij heeft sindsdien lichamelijke en psychische klachten. ASR heeft namens haar verzekerde de aansprakelijkheid erkend, maar partijen komen niet tot een definitieve schadeafwikkeling. Zij twisten met name over de omvang van de arbeidsongeschiktheid en (de uitgangspunten bij de berekening aan) het verlies aan verdienvermogen van [verzoeker] . [verzoeker] heeft de rechtbank in dit deelgeschil gevraagd om onder andere hierover te beslissen.
2.2.
Een beslissing hierover kan de impasse tussen partijen doorbreken, maar om daarover duidelijkheid te krijgen is een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige nodig. Het verzoek van [verzoeker] in deelgeschil over zijn arbeidsongeschiktheid kan daarom niet worden toegewezen. Zijn verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige (dat gelijktijdig met het deelgeschil is behandeld) wordt toegewezen.
2.3.
[verzoeker] heeft verder in het deelgeschil vrijwel het gehele geschil voorgelegd en dat is niet de bedoeling van een deelgeschil. De rechtbank beslist op drie van zijn verzoeken en wijst zijn andere verzoeken zonder inhoudelijke beoordeling af omdat deze zich niet lenen voor de deelgeschilprocedure.

3.De achtergrond van het geschil

3.1.
[verzoeker] was op het moment van het ongeval 26 jaar. Hij reed op zijn motor en is aangereden door een personenauto die was verzekerd bij ASR. ASR heeft als WAM-verzekeraar de aansprakelijkheid op 8 augustus 2016 erkend.
3.2.
Door de aanrijding kwam [verzoeker] met zijn kruis tegen het stuur/de tank van de motor. Daarna werd hij over de kop gelanceerd en enkele meters verderop is hij op de grond beland. Hij had een sleutel in zijn broekzak en door de klap tegen de motor heeft de sleutel de rechterzijde van zijn scrotum verwond. Na het ongeval is het leven [verzoeker] zwaar gevallen. Hij heeft fysieke en mentale klachten, heeft weinig dagbesteding en is bang dat hij onvruchtbaar is en geen gezinsleven zal krijgen.
3.3.
De schadeafwikkeling tussen partijen loopt al bijna 10 jaar. Mr. Spelt van OAK Advocaten behartigt de belangen van ASR. Mr. El Ballouti van Hardt Letselschade Advocatuur die van [verzoeker] . Daarvoor heeft [verzoeker] twee andere belangenbehartigers gehad.
3.4.
Om duidelijkheid te krijgen over de oorzaken van de gezondheidsklachten en beperkingen van [verzoeker] en het causaal verband met het ongeval, hebben partijen op gezamenlijk verzoek twee deskundigen ingeschakeld, te weten een neuroloog (dr. [A] ) en een psychiater (dr. [B] ). Beide deskundigen hebben in 2022 een expertiserapport uitgebracht. De neuroloog heeft een blijvende invaliditeit van 8% bij [verzoeker] vastgesteld. De psychiater heeft een blijvende invaliditeit van 20% vastgesteld.
3.5.
Tot nu toe heeft ASR in het kader van de schadeafwikkeling een bedrag van € 48.176,10 aan [verzoeker] betaald en € 37.740,11 aan buitengerechtelijke kosten.

4.De beoordeling

Het kader van de deelgeschilprocedure
4.1.
[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter om een deel van het geschil voor te leggen. Dit om vervolgens de totstandkoming van een minnelijke regeling buiten rechte te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
[verzoeker] heeft vrijwel het hele geschil voorgelegd
4.2.
Wat buiten het bereik van de Wet deelgeschillen valt, is een verzoek dat zo allesomvattend is dat het in feite een bodemprocedure is. Een deelgeschil moet gaan over één of meer geschilpunten tussen partijen, waarna er vervolgens buiten rechte verder onderhandeld kan worden.
4.3.
[verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift (van 98 pagina’s!) in het petitum dertien beslispunten verwoord, opgedeeld in zes hoofdonderwerpen. Hij vraagt te beslissen over (I) het causaal verband tussen zijn klachten en beperkingen en het ongeval, (II) zijn arbeidsongeschiktheid en verlies aan verdienvermogen, (III) secundaire victimisatie en immateriële schadevergoeding, (IV) smartengeldvergoeding, (V) rekenrente en (VI) buitengerechtelijke kosten van de vorige belangenbehartigers en de huidige belangbehartiger. Daarmee heeft hij vrijwel het hele geschil voorgelegd.
4.4.
Bij de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] toegelicht dat zijn verzoek niet het hele geschil betreft omdat hij over de schadeposten zoals huishoudelijke hulp en medische kosten geen beslissing heeft gevraagd. Dat ziet de rechtbank anders. Het enkele feit dat hij niet over alle mogelijke schadeposten een beslissing heeft gevraagd, maakt zijn verzoek nog geen deelgeschil. Zijn verzoeken zijn allemaal stuk voor stuk verzoeken die in deelgeschil zouden kunnen worden voorgelegd, maar gezamenlijk komen zij in feite neer op een bodemzaak.
4.5.
Toch verklaart de rechtbank [verzoeker] niet niet-ontvankelijk in al zijn verzoeken. Onder andere omdat de afwikkeling van de schade van [verzoeker] al bijna 10 jaar loopt en [verzoeker] begrijpelijkerwijs de noodklok heeft geluid met zijn (te uitgebreide) verzoekschrift, moet er schot in de zaak komen.
4.6.
De onderhandelingen tussen partijen lopen met name vast op de mate van arbeidsongeschiktheid en (de uitgangspunten bij de berekening aan) het verlies aan verdienvermogen. Een beslissing op dit punt kan de impasse/patstelling tussen partijen mogelijk doorbreken. De rechtbank zal dit verzoek daarom inhoudelijk behandelen. De rechtbank behandelt de verzoeken over het causaal verband en over secundaire victimisatie van [verzoeker] ook inhoudelijk omdat dit de verdere onderhandelingen soepeler kan laten verlopen.
4.7.
De andere verzoeken – die onder andere zien op smartengeld, rekenrente en openstaande kosten van rechtsbijstand (van vooral eerdere belangenbehartigers) – zal de rechtbank zonder inhoudelijke beoordeling afwijzen. Enerzijds omdat het anders op een bodemprocedure zou neerkomen. Anderzijds omdat deze verzoeken onvoldoende kunnen bijdragen aan het doorbreken van de impasse dan wel prematuur zijn gelet op wat er nog onderzocht moet worden. Deze verzoeken lenen zich dus kort gezegd niet voor behandeling in dit deelgeschil.
Het verzoek om een verklaring voor recht dat hij blijvend arbeidsongeschikt is, is niet toewijsbaar
Om te beoordelen of [verzoeker] blijvend arbeidsongeschikt is, is een onafhankelijk deskundigenonderzoek nodig
4.8.
[verzoeker] verzoekt om voor recht te verklaren dat hij als gevolg van het ongeval blijvend arbeidsongeschikt is. Hij beroept zich op het arbeids-medisch belastbaarheidsonderzoek van 2021, gemaakt in opdracht van de gemeente [.] door het multidisciplinair team van [onderneming 1] [1] . Hij wijst erop dat daarin een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgenomen. Hij kan, zo volgt daaruit volgens [verzoeker] , niet meer dan 2 uur per dag werken verdeeld over 3 dagen per week.
4.9.
Volgens ASR moet aan het rapport van [onderneming 1] voorbijgegaan worden. Het arbeids-medisch onderzoek is primair gericht op re-integratie en participatie. Het is geen onafhankelijk deskundigenonderzoek en de uitkomsten hebben slechts een indicatieve waarde. Daarom is een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek noodzakelijk.
4.10.
De rechtbank is het met ASR eens dat voor het antwoord op de vraag of [verzoeker] blijvend arbeidsongeschikt is een onafhankelijke verzekeringsgeneeskundig en een arbeidsdeskundig onderzoek nodig is. Op basis van de huidige stukken in het dossier kan deze vraag niet worden beantwoord. Het onderzoek van [onderneming 1] is daarvoor niet voldoende. Het onderzoek is in een ander kader (bijstand en arbeidsparticipatie) uitgevoerd en is niet geschikt om te gebruiken bij de afwikkeling van de letselschade van [verzoeker] . Zo bouwt het niet voort op de deskundigenrapporten van de neuroloog en psychiater en ASR is niet bij het onderzoek betrokken geweest. Het onderzoek van [onderneming 1] heeft dus niet de waarde van een gezamenlijk deskundigenonderzoek waar partijen aan gebonden zijn.
4.11.
Het verzoek van [verzoeker] onder II om voor recht te verklaren dat hij blijvend arbeidsongeschikt is, is daarom niet toewijsbaar. Zijn verzoek om een voorlopig deskundigenbericht met benoeming van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige (gelijktijdig behandeld met dit deelgeschil met nummer C/16/593843 HA RK 25-94) en) wordt in het verlengde hiervan wel toegewezen.
De verzoeken over de uitgangspunten bij de berekening van het verlies aan verdienvermogen zijn deels toewijsbaar
4.12.
[verzoeker] vraagt om voor recht te verklaren dat in de hypothetische situatie zonder ongeval (1) hij per 1 juni 2006 in dienst zou zijn getreden bij [onderneming 2] tot aan zijn pensioengerechtelijke leeftijd, (2) zijn bijstandsuitkering moet worden weggedacht en (3) hij pensioen zou hebben opgebouwd.
[verzoeker] heeft voldoende aangetoond dat hij bij [onderneming 2] in dienst zou zijn getreden, maar of dat tot aan zijn pensioenleeftijd zou hebben geduurd daarvoor is nader onderzoek nodig
4.13.
Bij de impasse tussen partijen over de indiensttreding bij [onderneming 2] speelt het wantrouwen van ASR een rol. ASR gelooft namelijk niet dat [verzoeker] in dienst zou zijn getreden bij [onderneming 2] .
4.14.
Anders dan ASR meent heeft [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat hij in de situatie zonder ongeval bij [onderneming 2] in dienst zou zijn getreden. Namens de werkgever [onderneming 2] heeft mevrouw [C] (één van de mede-eigenaren) op 28 september 2016 schriftelijk verklaard dat [verzoeker] op 1 juni 2016 in dienst zou treden als autopoetser. Zij heeft verklaard dat het ging om een dienstverband voor onbepaalde tijd, voor 38 uur per week met een bruto-salaris van € 2.000. Ruim een jaar later, op 15 november 2017, heeft ASR mevrouw [C] gebeld en haar een aantal vragen over dit voorgenomen dienstverband gesteld. Van dat gesprek heeft ASR een verslag gemaakt. De antwoorden van mevrouw [C] zijn duidelijk en consistent. Ze heeft uitgelegd dat [verzoeker] in het verleden als leerling bij [onderneming 2] had gewerkt, dat ze hem kenden en iemand nodig hadden en dat er daarom geen vacature was uitgezet. Ze verklaart dat zij wisten dat hij dit werk goed kon, dat hij een flexibel persoon was, altijd aanwezig, stipt en een harde werker en dat als hij het werk aankon ze hem zo weer zouden aannemen. Ze zegt dat het om 38 uur per week ging. Zij heeft verder verklaard dat meestal de week vóór de indiensttreding de zaken met de arbeidsovereenkomst geregeld werden. Bij de mondelinge behandeling was haar broer en mede-eigenaar van [onderneming 2] aanwezig. Zijn toelichting komt overeen met die van zijn zus. Ook hij heeft verklaard dat [verzoeker] in dienst zou treden en dat [verzoeker] eerder als leerling (BBL) bij [onderneming 2] had gewerkt.
4.15.
De rechtbank volgt ASR niet dat aan de verklaringen namens [onderneming 2] geen gewicht kan worden toegekend omdat [verzoeker] op (belangrijke) details anders heeft verklaard. Weliswaar heeft [verzoeker] op punten anders verklaard – onder andere dat het zou gaan om 32 uur en een jaarcontract – maar deze discrepanties tussen de verklaringen namens [onderneming 2] en die van [verzoeker] leiden niet tot de conclusie dat het niet geloofwaardig is dat [verzoeker] bij [onderneming 2] in dienst zou treden. De beide eigenaren van [onderneming 2] verklaren eenduidig en consistent. Daarbij komt dat het bij de beoordeling van een hypothetische situatie als deze aankomt op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt en mogen aan de benadeelde in dit verband geen strenge eisen worden gesteld. [2] Op grond van de verklaringen oordeelt de rechtbank dat redelijkerwijs te verwachten valt dat [verzoeker] in dienst was getreden bij [onderneming 2] . De rechtbank gaat ervan uit dat [onderneming 2] als werkgever de inhoud van de arbeidsvoorwaarden bepaalde en het beste kende. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [verzoeker] in dienst zou zijn getreden met een 38-urige werkweek en een salaris van € 2.000 en dat dit – mede gelet op zijn beperkte arbeidsverleden – in elk geval een jaar zou hebben geduurd. Het verzoek van [verzoeker] om voor recht te verklaren dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval per 1 juni 2006 in dienst zou zijn getreden bij [onderneming 2] is daarom (deels) toewijsbaar.
4.16.
[verzoeker] vraagt ook om voor recht te verklaren dat hij uitzicht had op een duurzame arbeidsrelatie tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, maar dat kan op basis van de stukken in het dossier nu niet vastgesteld worden. De aard van de deelgeschilprocedure brengt met zich dat de rechtbank zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt en dat kan op dit moment niet. Daarvoor is nader onderzoek nodig. Dat onderzoek komt er met de toewijzing van het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht.
Dat de bijstandsuitkering moet worden weggedacht in de fictieve situatie is niet in geschil
4.17.
Partijen zijn het met elkaar eens dat bij schadebegroting in de fictieve situatie de bijstandsuitkering moet worden weggedacht. Een beslissing op dit punt kan daarom achterwege blijven.
Of [verzoeker] in de situatie zonder ongeval pensioen zou hebben opgebouwd, daarvoor is eveneens nader onderzoek nodig
4.18.
[verzoeker] vraagt ook om voor recht te verklaren dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval pensioen zou hebben opgebouwd. Dat verzoek is niet toewijsbaar. Zoals hiervoor overwogen, kan op basis van de stukken in het dossier niet worden vastgesteld of [verzoeker] uitzicht had op een duurzame arbeidsrelatie tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, daarvoor is nader onderzoek nodig. Dat onderzoek moet nog plaatsvinden.
Het verzoek over het causaal verband tussen zijn klachten en beperkingen en het ongeval is deels toewijsbaar
4.19.
Tussen partijen zijn de omvang van de klachten en beperkingen en het causaal verband in discussie en voor het vervolg van de schadeafhandeling is duidelijkheid daarover wenselijk.
De verzochte verklaring voor recht van [verzoeker] over het causaal verband is deels toewijsbaar, het omvat enkel de klachten en beperkingen die de deskundigen hebben benoemd in de beantwoording van de vragen
4.20.
[verzoeker] vraagt voor recht te verklaren dat bij hem als gevolg van het verkeersongeval van 5 mei 2016 sprake is van de in de deskundigenberichten van de neuroloog en de psychiater vermelde lichamelijke en psychische klachten en beperkingen, en dat deze klachten en beperkingen in causaal verband staan met het ongeval en daaraan moeten worden toegerekend.
4.21.
ASR verzet zich niet tegen dit verzoek voor zover het betreft de objectief vastgestelde beperkingen door de deskundigen. Als [verzoeker] bedoelt dat ook andere gestelde klachten (waaronder de anamnese) en gestelde beperkingen als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd dan verzet ASR zich daartegen.
4.22.
Het gaat hier om de interpretatie van twee op gezamenlijk verzoek in 2022 uitgebrachte deskundigenrapporten, een door neuroloog dr. [A] en een door psychiater dr. [B] .
4.23.
Neuroloog [A] komt in zijn rapportage [3] tot de volgende diagnose op zijn vakgebied (vraag 1f):
“Status na hoogenergetisch trauma, motor versus auto, zonder bewustzijnsverlies en zonder amnesie met daarna pijnklachten in lage rug en lies-scrotum aan de rechterzijde en rechterbovenbeen, met nu voor wat betreft het vakgebied van de Neurologie sensibele afwijkingen in het verzorgingsgebied van de n. genitofemoralis en ilio-inguinalis rechts, alsmede aanwijzingen voor tendomyogene lumbagoklachten. Daarnaast is er sprake van angstklachten en stemmingsklachten, doch dit betreft het vakgebied van de Psychiatrie.”
Met die laatste volzin maakt hij duidelijk dat hij over deze twee laatste klachten niet kan oordelen.
4.24.
Neuroloog [A] komt tot de volgende beperkingen op zijn vakgebied (vraag 1g):
“Op basis van de onderzoeksbevindingen acht ik het aannemelijk dat betrokkene beperkingen zal ervaren bij dragen van strakke kleding in de genitale regio vanwege de aanwezige allodynie en dysaesthesie in deze regio. Ook acht ik het aannemelijk dat hij beperkingen zal ervaren bij seksueel verkeer. Voor de beperkingen die hij ervaart bij zitten, staan en lopen heb ik geen verklaring vanuit neurologische optiek.”
4.25.
In antwoord op vraag 1h en 1i over de situatie met ongeval heeft [A] een blijvende invaliditeit van 8% vastgesteld en hij verwacht in de toekomst geen verandering. Op de vragen 2a en 2c over de situatie zonder ongeval heeft hij geantwoord dat [verzoeker] voor het ongeval geen klachten op het vakgebied van de neurologie had en dat hij op basis van anamnese en dossier geen reden heeft aan te nemen dat de klachten en afwijkingen ook zouden zijn ontstaan wanneer het ongeval [verzoeker] niet was overkomen. Het gaat hierbij om de klachten / beperkingen / diagnose op het vakgebied van de neurologie, zoals [A] die bij de beantwoording van de vragen 1f en 1g heeft beschreven. Daarvan kan dus op grond van het rapport de causaliteit worden aangenomen. Dat geldt niet, zoals [verzoeker] lijkt te betogen, voor alle door [verzoeker] zelf genoemde klachten en beperkingen.
4.26.
Psychiater dr. [B] heeft in haar rapportage [4] als diagnose PTSS vastgesteld (vraag 1f). De vragen over de beperkingen (vraag 1g) heeft zij als volgt beantwoord:
“Betrokkene is fysiek beperkt door pijn en pijnvermijdingsgedrag, emotioneel beperkt omdat klachten hem volledig beheersen en er geen ruimte is voor andere zaken, hij is relationeel beperkt door vermijdingsgedrag, hij is sociaal beperkt door vermijdingsgedrag i.c.m. hyperarousal en stressreacties.
Hoe verhoudt zich dat tot de door de onderzochte geclaimde beperkingen?
PassendWat is uw verklaring daarvoor ?
Als iets passend is behoeft dat mijns inziens geen verklaring.”
4.27.
In antwoord op vraag 1h voor de situatie met ongeval heeft zij een blijvende invaliditeit van 20% vastgesteld. De vragen over de medische eindsituatie heeft zij als volgt beantwoord:
“Ik verwacht dat de huidige toestand blijvend is, maar uiteraard hoop ik dat wegvallen van het bestendigende en versterkende effect van frustraties rondom de letselschadezaak een positieve invloed hebben op betrokkene’s gevoel van eigenwaarde en daarmee zijn revalidatievermogen.
j. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
Ik verwacht niet maar hoop op enige verbetering, al is het maar in algeheel welbevinden
k. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
Afhankelijk van de termijn waarop deze letselschadezaak is afgerond
l. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?
Ik hoop dat die dan minder worden.”
4.28.
Voor de situatie zonder ongeval heeft zij vermeld dat [verzoeker] voor het ongeval geen beperkingen, klachten en afwijkingen op haar vakgebied had en dat die er ook niet zouden zijn geweest of op enig moment ook sowieso zouden zijn ontstaan, als het ongeval [verzoeker] niet was overkomen.
4.29.
Beide deskundigen hebben dus een blijvende invaliditeit vastgesteld, de neuroloog 8% en de psychiater 20%. Zij hebben beiden vastgesteld dat [verzoeker] zonder ongeval geen klachten of afwijkingen op hun vakgebied had gehad en dat die er ook niet zouden zijn geweest of op enig moment ook sowieso zouden zijn ontstaan, als het ongeval [verzoeker] niet was overkomen. Tegen deze achtergrond is de verzochte verklaring voor recht van [verzoeker] toewijsbaar voor zover de klachten en beperkingen betreft die zijn genoemd in de beantwoording van de vragen onder 1f en 1g in beide rapportages. De verklaring voor recht strekt zich dus niet uit over de klachten die zijn genoemd in de anamnese maar die niet terugkomen in de beantwoording van de vragen of die niet op het eigen vakgebied zijn gedaan.
Het verzoek over de secundaire victimisatie is niet toewijsbaar
4.30.
Uit de stukken en uit de toelichting bij de mondelinge behandeling blijkt dat het voor het herstel van [verzoeker] en voor het doorbreken van de impasse tussen partijen van belang is dat hij erkenning krijgt voor zijn leed. Zijn leven is kort gezegd in duigen gevallen en de afhandeling van zijn letselschadezaak loopt veel te lang, al bijna 10 jaar. De rechtbank zal daarom ook zijn verzoek over de secundaire victimisatie (en de in dat kader verzochte immateriële schadevergoeding) inhoudelijk behandelen.
ASR heeft niet onrechtmatig gehandeld, haar verzoeken om informatie waren legitiem
4.31.
Beide partijen hebben een uitvoerige omschrijving gegeven over wie wat en wanneer in die 10 jaar heeft geschreven en aan wie het ligt dat de afhandeling zo lang duurt. Zij hebben allebei stapels correspondentie in het geding gebracht. Volgens [verzoeker] heeft ASR jarenlang stelselmatig de boel getraineerd, telkens om informatie verzocht die al verstrekt was en structureel voorschotten geweigerd of te laat voldaan ondanks de aantoonbare financiële nood bij [verzoeker] . Daartegenover heeft ASR gemotiveerd betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld bij de schadeafhandeling. Zij voert aan dat zij zo voortvarend als mogelijk te werk is gegaan, oplossingsgericht en faciliterend is geweest en mediation heeft aangeboden en dat zij – ondanks dat er onvoldoende onderbouwing overlegd was – adequaat heeft bevoorschot. Tot nu toe heeft ASR € 37.740,11 aan buitengerechtelijke kosten betaald en € 48.176,10 aan [verzoeker] zelf. Zij voert aan dat zij om onderbouwing is blijven vragen omdat er onduidelijkheid over het letsel, de causaliteit en de schadeposten was en bleef bestaan. Zij heeft informatie gevraagd over onder andere de bijstand, de inkomsten uit PGB en zijn arbeidsverleden en die informatie bleef uit.
4.32.
Tegenover de gemotiveerde betwisting van ASR heeft [verzoeker] onvoldoende aangetoond dat ASR onrechtmatig heeft gehandeld bij de schadeafhandeling. Hierbij weegt mee dat de rechtbank op grond van de correspondentie constateert dat het regelmatig gebeurd is dat ASR om onderliggende stukken en onderbouwing vroeg en die informatie vervolgens niet of pas veel later kwam. Die verzoeken waren gelet op het dossier begrijpelijk en legitiem. In die 10 jaar tijd heeft [verzoeker] bijvoorbeeld de onderbouwing over de post PGB (voor hulp aan zijn vader) niet gegeven en pas ter zitting laten weten dat hij deze post niet meer vordert. Daarbij lag vertraging in de voortgang ook aan de kant van [verzoeker] . Dit lag onder meer aan wisselingen in zijn rechtsbijstand en het niet of laat reageren op verzoeken van ASR. Tegen deze achtergrond en gelet op wat ASR wel heeft gedaan en betaald, wordt de lat van onrechtmatig handelen niet gehaald.
Het verzoek dat zich richt tegen OAK Advocaten wordt ook afgewezen
4.33.
[verzoeker] heeft ook gevraagd om te bepalen dat sprake is van secundaire victimisatie door OAK Advocaten als ‘uitvoerder’. In het verlengde van het voorgaande, wordt ook dit verzoek afgewezen. Bovendien is de rechtbank met ASR van oordeel dat het handelen van OAK Advocaten in de schadeafhandeling, steeds namens en in opdracht van ASR is geweest. Het gaat om beroepsmatige rechtsbijstand. OAK Advocaten kan daarvoor in beginsel niet aansprakelijk zijn.
ASR verdient niet de schoonheidsprijs, ze heeft te weinig regie gevoerd
4.34.
Het voorgaande neemt niet weg dat de opstelling van ASR niet de schoonheidsprijs verdient. ASR heeft te weinig de regie genomen en zaken op z’n beloop gelaten. Van een verzekeraar had, mede gelet op de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL), in dit proces wel meer mogen worden verwacht. Zij had in een veel eerder stadium bijvoorbeeld zelf nadere actie kunnen ondernemen door bijvoorbeeld zelf een deskundigentraject te starten. De lange duur van de schadeafhandeling heeft ook duidelijk een negatieve invloed op de psychische gesteldheid van [verzoeker] , zoals ook blijkt ook uit de rapportage van de psychiater. De rechtbank doet mede hierom een dringend beroep op ASR, maar ook op de beide advocaten, om het schadetraject nu voortvarend te vervolgen.
4.35.
In dit kader is positief dat partijen het met elkaar eens zijn over het inschakelen van nieuwe deskundigen via de procedure van het voorlopig deskundigenbericht en dat zij na de uitkomst van die deskundigenberichten een mediationtraject willen starten.
Bij de mondelinge behandeling heeft ASR bovendien toegezegd dat zij een voorschot van € 5.000 zal voldoen binnen 2 weken na de mondelinge behandeling. De rechtbank gaat ervan uit dat ASR dit bedrag aan [verzoeker] inmiddels betaald heeft en dat ASR zal bezien of er gedurende de nu ingezette trajecten (deskundigen en mediation) nogmaals bevoorschot moet worden.
De kosten van het deelgeschil
4.36.
De rechtbank moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Daaruit volgt dat de rechtbank bij de begroting van de kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
4.37.
De kosten voor dit deelgeschil bedragen volgens [verzoeker] € 24.789,88 (berekend met 74,5 uur x 275 + btw), te vermeerderen met het griffierecht. ASR voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.
4.38.
De zaak is niet heel eenvoudig, maar rechtvaardigt niet de 74,5 uur die de advocaat van [verzoeker] in rekening wil brengen. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat de advocaat van [verzoeker] zich had moeten realiseren dat niet vrijwel het hele geschil in deelgeschil kan worden voorgelegd en dat er over de schadeposten geen definitief oordeel kan worden gegeven voordat de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige expertises waren afgerond. Daarbij komt ook dat niet vrijwel alle correspondentie in een verzoekschrift vermeld behoeft te worden. Het verzoek had dus veel korter en bondiger kunnen zijn.
De rechtbank volgt ASR niet dat het uurtarief van de advocaat van [verzoeker] (€ 275 exclusief btw) niet redelijk is. De advocaat is als schade-expert ingeschreven in het kwaliteitsregister van het NIVRE en zijn kantoor is aangesloten bij het Nationaal Keurmerk Letselschade en de branchevereniging Nederlandse Letselschade Experts. Van een advocaat met een dergelijk specialisme en (hoog) tarief mag echter wel worden verwacht dat deze voortvarend een zaak als deze oppakt. Een en ander heeft daarom invloed op wat de rechtbank redelijk acht qua aantal te besteden uren. Alles bij elkaar begroot de rechtbank de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak op 20 uren x € 275 exclusief btw, dus op € 5.500 exclusief btw. ASR zal tot betaling van het totaal van € 6.655,00 inclusief btw aan [verzoeker] worden veroordeeld. Bij dit bedrag moet het griffierecht van € 90,00 nog worden opgeteld.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de in de antwoorden van de deskundigenberichten van de neuroloog en psychiater vermelde klachten en beperkingen van [verzoeker] (vragen 1f en 1g) in causaal verband staan met het ongeval en daaraan moeten worden toegerekend zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.23 tot en met 4.29,
5.2.
verklaart voor recht dat [verzoeker] in de hypothetische situatie zonder ongeval, per 1 juni 2016 in dienst zou zijn getreden bij [onderneming 2] voor 38 uur per week tegen een brutosalaris van 2.000 per maand voor de duur van in elk geval één jaar,
5.3.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.655,00 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00 en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
pvt 4189

Voetnoten

1.Productie 129 verzoekschrift deelgeschil en productie E verzoekschrift voorlopig deskundigenrapport
2.HR 17 februari 2017 HR:2017:273
3.Productie 127 verzoekschrift deelgeschil en productie D verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht
4.Productie 128 verzoekschrift deelgeschil en productie C verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht