ECLI:NL:RBMNE:2025:6342

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
C/16/569000 / FA RK 24-103
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en afwikkeling huwelijkse voorwaarden met betrekking tot vergoedingsrechten en alimentatie

In deze beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, uitgesproken op 26 november 2025, wordt de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat partijen het erover eens zijn dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten. De rechtbank heeft ook het ouderschapsplan, dat afspraken over de zorg voor de kinderen bevat, aan de beschikking gehecht. De man en de vrouw hebben beiden verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te bepalen, maar de rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen omdat partijen hierover afspraken hebben gemaakt in het ouderschapsplan.

De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld op € 300,- per maand per kind, te betalen door de man aan de vrouw, en de partneralimentatie op € 3.092,- bruto per maand, te betalen door de vrouw aan de man. De rechtbank heeft ook bepaald dat de vrouw gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand in de echtelijke woning mag blijven wonen, onder de verplichting om de volledige gebruikslasten te betalen. De rechtbank heeft de wijze van verdeling van de woning vastgesteld, waarbij de man de woning kan overnemen onder bepaalde voorwaarden. Indien dit niet lukt, zal de woning verkocht worden.

Daarnaast heeft de rechtbank de verzoeken van partijen met betrekking tot vergoedingsrechten en de verdeling van de inboedel beoordeeld. De rechtbank heeft bepaald dat de inboedel bij helfte moet worden verdeeld en dat partijen elkaar moeten vergoeden voor hetgeen de ander meer dan de helft heeft betaald aan de aflossingen op de aan de woning verbonden leningen. De rechtbank heeft ook de verzoeken van de man om vergoeding van kosten en investeringen afgewezen, omdat deze onvoldoende onderbouwd waren. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de echtscheiding zelf, die pas ingaat na inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/569000 / FA RK 24-103 (echtscheiding)
C/16/591653 / FA RK 25-689 (financiële afwikkeling echtscheiding)
Beschikking van 26 november 2025
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. I.E. van der Bijl,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P.W.M. Splinter.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 22 oktober 2024 een beschikking gewezen. Voor het verloop van de procedure tot dat moment wordt naar die beschikking verwezen.
1.2.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verweerschrift van de vrouw van 20 december 2024 tegen de aanvullende verzoeken van de man van 8 mei 2024, met aanvullende verzoeken en producties 20 t/m 32;
  • het bericht van de man van 1 april 2025;
  • het bericht van de vrouw van 1 april 2025;
  • het verweerschrift van de man, ontvangen op 19 februari 2025, tegen de aanvullende verzoeken van de vrouw van 20 december 2024, met producties 76 t/m 86;
  • van de man een aanvullend verzoekschrift van 4 september 2025 met producties 87 t/m 103;
  • van de vrouw een brief van 7 september 2025 met producties 33 t/m 49;
  • van de vrouw een bericht van 7 september 2025 met productie 40;
  • van de vrouw een bericht van 12 september 2025 met producties 50 t/m 56;
  • van de man een pleitnotitie, overgelegd tijdens de zitting;
  • van de vrouw een pleitnotitie, overgelegd tijdens de zitting;
  • van partijen een ouderschapsplan, overgelegd tijdens de zitting.
1.3.
De verzoeken zijn (verder) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 17 september 2025. Daarbij waren partijen aanwezig, bijgestaan door hun voornoemde advocaten.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de minderjarige kinderen van partijen, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vinden die op hen betrekking hebben. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

De feiten
2.1.
Partijen zijn op [datum huwelijk] 2016 in [plaats 1] met elkaar getrouwd.
2.2.
Partijen hebben op 25 augustus 2016 huwelijkse voorwaarden laten opmaken.
2.3.
Partijen zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] .
2.4.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 februari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen. De rechtbank heeft bij die beschikking:
  • de kinderen aan de vrouw toevertrouwd;
  • een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die inhoudt dat de kinderen om de week van donderdag uit school/de opvang tot maandag naar school/de opvang bij de man verblijven;
  • een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 253,- per kind per maand;
  • bepaalt dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de echtelijke woning).
De verzoeken
2.5.
De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man is;
  • een zorgregeling met vakantieregeling te bepalen;
  • een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie te bepalen;
  • te bepalen dat ieder van partijen elk de eigen kinderopvangkosten moeten dragen;
  • een door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie te bepalen;
  • te bepalen dat er een vergoedingsrecht voor de man is ontstaan:
o van € 115.517,- voor aflossingen op de leningen ter zake de woning;
o van (na wijziging op de zitting) € 292.774,82 voor zijn aangebrachte en ondernemingsvermogen;
  • te bepalen dat de vrouw de helft van het bedrag dat niet aan de man vanuit de eenvoudige gemeenschappen kan worden vergoed uit haar privé vermogen aan de man dient te voldoen;
  • te bepalen dat de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld in de staat waarop hij de woning heeft verlaten, en dat de vrouw daar op haar kosten voor zorg dient te dragen;
  • te bepalen dat de vrouw de echtelijke woning op de datum van inschrijving van de echtscheiding moet verlaten en schoon, netjes en opgeruimd en voorzien van het benodigde onderhoud achter dient te laten, en alle sleutels die zij in haar bezit heeft aan de man dient over te dragen;
  • te bepalen dat de man bevoegd is tot het gebruik van de echtelijke woning en de inboedel, gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking, waarbij de vrouw wordt verboden de woning zonder toestemming van de man te betreden;
  • te bepalen dat de vrouw van 28 december 2023 tot 1 maart 2024 de helft van de lasten van de echtelijke woning moet voldoen, en aldus ook dat de vrouw aan de man moet vergoeden het meerdere dat hij heeft betaald boven de 50% van de kosten die man had moeten voldoen;
  • te bepalen dat de vrouw, vanaf 1 maart 2024 totdat zij de woning verlaat, alle lasten van de echtelijke woning moet voldoen, ook zijnde de lasten inzake de lening van de vader van de man en de BV van de man, en aldus ook dat de vrouw aan de man moet vergoeden de bedragen die hij vanaf 1 maart 2024 ten behoeve van de echtelijke woning heeft voldaan;
  • te bepalen dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding moet voldoen van 4% van het deel van de overwaarde van de man in de echtelijke woning;
  • te bepalen dat de vrouw de zakelijke goederen die door haar toedoen niet meer bruikbaar zijn aan de man moet vergoeden door aan hem de aanschafwaarde te betalen;
  • te bepalen dat de inboedel geen privé vermogen betreft en bij helfte verdeeld dient te worden aan de hand van de door de man ingebracht inboedellijst, waarbij geldt dat de vrouw de verlovingsring en de trouwring aan de man moet afgeven, evenals een download van alle foto’s van de kinderen die de vrouw tijdens de huwelijkse periode heeft opgeslagen;
  • te bepalen dat de vrouw aan de man moet voldoen:
o een bedrag van € 60.000,- voor de verrekening van de privé banksaldi;
o een bedrag van € 5.000,- voor privé opnamen van de vrouw van de gezamenlijke rekening;
o een bedrag van minimaal € 108.073,- voor de verrekening van de kosten van de huishouding en de rekeningcourantschuld van de man;
o alle privé kosten die de man voor de vrouw na 28 december 2023 heeft voldaan;
  • te bepalen dat de vrouw ervoor moet zorgen dat de en/of rekening van partijen uit de roodstand wordt gehaald en dat zij alle kosten vanwege de roodstand moet voldoen en eventuele kosten die de man daartoe heeft voldaan aan hem moet vergoeden;
  • te bepalen dat de vrouw inzake haar auto aan de man dient te vergoeden € 14.250,-, dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag;
  • te bepalen dat de lening en voorwaarden die de man met de ABN AMRO is aangegaan ten behoeve van zijn woning in [plaats 2] , welke lening en voorwaarden zijn overgegaan op de woning in [woonplaats] , aan de man toekomen en hij de lening en voorwaarden dus mag overnemen/deze aan hem toekomen;
  • te bepalen dat de opnamen rekeningcourant die de man tijdens het huwelijk heeft verricht verrekend moeten worden en dus dat de vrouw de helft van de rekeningcourantschuld op de peildatum aan de man moet vergoeden, dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag;
  • de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.6.
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw is;
  • een zorgregeling te bepalen, alsmede een vakantieregeling te bepalen conform een nader door de vrouw in te brengen voorstel;
  • een nader vast te stellen bedrag te bepalen dat de man, bij vooruitbetaling, moet betalen als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen;
  • te bepalen dat de vrouw bevoegd is tot het gebruik van de echtelijke woning, alsmede de inboedel, gedurende zes maanden na inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking;
  • de wijze van verdeling van de echtelijke woning te gelasten op een door de vrouw voorgestelde wijze;
  • te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt jegens de man van € 166.309,50 ter zake de investeringen van haar privé vermogen in de echtelijke woning, welke vordering in de verrekening van de overwaarde moet worden meegenomen;
  • te bepalen dat de man een nader te bepalen vergoedingsrecht toekomt jegens de vrouw, ter zake de investeringen van zijn privé vermogen in de echtelijke woning, welke vordering in de verrekening van de overwaarde moet worden meegenomen;
  • te bepalen dat de inboedel bij helfte wordt verdeeld;
  • te bepalen dat de man de helft van de aflossing op de hypothecaire lening bij de ABN AMRO Bank over de periode van 1 maart 2024 tot het moment van levering aan de vrouw moet voldoen;
  • deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.7.
Tijdens de zitting hebben de ouders nog verzocht om het ouderschapsplan aan deze beschikking te hechten.

3.De beoordeling

Over de beoordeling merkt de rechtbank in algemeenheid op dat zij geen acht heeft geslagen op producties die partijen zonder nadere toelichting in het geding heeft gebracht en waarvan niet duidelijk is ter onderbouwing van welke stelling(en) deze dienen.
De echtscheiding
3.1.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. [1] Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Het ouderschapsplan
3.2.
Partijen hebben afspraken gemaakt over de kinderen in een ouderschapsplan. De rechtbank zal deze afspraken, volgens het verzoek van de ouders tijdens de zitting, overnemen in haar beschikking. Het ouderschapsplan wordt daarom aan deze beschikking gehecht.
De zorg voor de kinderen
3.3.
De rechtbank zal de verzoeken van partijen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling afwijzen. Partijen hebben over deze onderwerpen afspraken gemaakt in het ouderschapsplan. Het ouderschapsplan wordt aan de beschikking gehecht. Partijen hebben daarom geen belang meer bij een beslissing van de rechtbank.
De kinderalimentatie
3.4.
Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen dat de man, met ingang van 1 oktober 2025, een bedrag van € 300,- per maand kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank vindt het positief dat het partijen gelukt is om deze afspraak te maken. De rechtbank zal de afspraak in deze beschikking vastleggen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om bijdragen in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de kinderalimentatie pas aan het eind van de maand wordt betaald.
3.5.
Omdat de vrouw kinderalimentatie ontvangt, moet zij de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen betalen. Ten aanzien van de kosten van de kinderopvang geldt dat de ouder die op het moment dat de kinderen naar de opvang gaan volgens de zorgregeling voor de kinderen moet zorgen, de opvangkosten moet betalen. Het is immers de keuze van die ouder om de kinderen op dat moment naar de opvang te laten gaan.
De partneralimentatie
3.6.
De rechtbank zal beslissen dat de vrouw, bij vooruitbetaling, een bedrag van € 3.092,-, bruto per maand partneralimentatie aan de man moet betalen, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
3.7.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de partneralimentatie gaat gelden.
3.8.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, omdat de partneralimentatie volgens de wet niet eerder kan ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De huwelijksgerelateerde behoefte
3.9.
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de man nodig heeft om zijn kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de man moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de man daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
3.10.
Voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de ‘hofnorm’. De hofnorm neemt het netto besteedbaar gezinsinkomen van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt. De gedachte is dat partijen gewend waren om daar samen van te leven. Dat betekent dat ieder van hen de helft van dat inkomen nodig heeft om de uitgaven te blijven doen, zoals diegene gewend was tijdens het huwelijk. Maar beide partijen hebben na de scheiding meer geld nodig, omdat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden. Zij kunnen hun kosten niet meer met een ander delen en daarom gaat de hofnorm ervan uit dat de behoefte 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen is. Gelet op deze berekeningswijze moet de rechtbank eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Tussen partijen is niet in geschil dat daarvoor uitgegaan kan worden van de (inkomens)gegevens van partijen in 2023.
3.11.
De man had in 2023 (als DGA van zijn onderneming) een inkomen uit arbeid van € 90.000,- bruto per jaar. Dit staat tussen partijen niet ter discussie. Partijen verschillen wel van mening of de opnames van de rekening-courant van zijn onderneming in dat jaar bij dat inkomen moeten worden opgeteld. De rechtbank neemt de opnames in de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte mee. De opnames van de rekeningcourant in 2023 zijn namelijk bepalend geweest voor de welstand waarin partijen in 2023 hebben geleefd. Gelet op de eindstand van de rekeningcourant per 31 december 2022 en 31 december 2023, gaat het over 2023 om een bedrag van € 1.857,- netto per maand. Met voorgaande gegevens, heeft de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man in 2023 berekend op € 6.244,- per maand.
3.12.
Voor de berekening van het inkomen van de vrouw in 2023 gaat de rechtbank van een aantal bestanddelen uit. Allereerst staat vast dat de vrouw in 2023 een winst uit onderneming heeft genoten van [onderneming1] van € 16.373,- en een arbeidsloon ( [onderneming2] BV, [onderneming3] BV en [onderneming4] BV) van totaal € 24.809,-. Deze bedragen blijken uit de aangifte inkomstenbelasting van de vrouw over 2023 en staan tussen partijen ook niet ter discussie. Tussen partijen staat evenmin ter discussie dat de vrouw in 2023 huurinkomsten heeft ontvangen via [onderneming5] BV. De rechtbank schat deze huurinkomsten op € 18.400,- netto per jaar. Dit is het gemiddelde van de bijschrijvingen die naar voren komen uit de door de man overgelegde rekeningafschriften (zijn productie 22). Dit bedrag sluit ook aan bij wat partijen zelf uit de stukken hebben opgemaakt. Hiernaast gaat de rechtbank uit van door de vrouw ontvangen dividenduitkering van € 96.900,- over 2023. De vrouw heeft dit bedrag aan dividenduitkering ontvangen op 20 januari 2023, zo blijkt uit het door haar zelf overgelegde bankafschrift (haar productie 49). De hoogte van deze dividenduitkering is verglijkbaar met dividenduitkeringen van voorgaande jaren, die naar eigen zeggen van de vrouw tussen de € 80.000,- en € 114.000,- per jaar bedroegen. De rechtbank neemt aan dat partijen in 2023 van het dividend hebben geleefd omdat niet vast staat dat het dividend aan het einde van het jaar (2023) nog aanwezig was. Die aanname vindt ondersteuning in de aangifte inkomstenbelasting over 2023 van de vrouw, waaruit blijkt dat de banksaldi van de vrouw in 2023, ten opzichte van 2022, met slechts € 22.030,- zijn toegenomen. Hier komt bij dat de vrouw op de zitting heeft verklaard dat zij van haar privérekening(en) ook altijd kosten van het gezin heeft betaald. De rechtbank laat de superdividend uitkering wel buiten beschouwing. De vrouw heeft op de zitting nader toegelicht dat zij deze uitkering in 2023 nog niet had ontvangen en dit volgt ook uit haar aangifte inkomstenbelasting over dat jaar (pagina 8). Voor de berekening van het inkomen van de vrouw voor de behoefte is verder niet van belang welke bedragen de vrouw eventueel nog meer uit haar ondernemingen (of de ondernemingen waarvan zij aandelen bezit) had kunnen halen. Dat is niet gedaan en dergelijke fictieve bedragen zijn dus niet bepalend geweest voor de welstand waarin partijen hebben geleefd. De rechtbank heeft met voornoemde bestanddelen berekend dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2023 € 10.407,- per maand bedroeg.
3.13.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen bedroeg dus € 16.651,- per maand in 2023. Van het netto besteedbaar gezinsinkomen betaalden partijen ook de kosten van hun kinderen. Het bedrag ter hoogte van die kosten hadden partijen dus niet beschikbaar om in hun eigen kosten te voorzien. Het netto besteedbaar gezinsinkomen moet daarom worden verminderd met de kosten van de kinderen. Deze kosten worden, op basis van de tabellen van het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting Nibud en gelet op het inkomen van de ouders in 2023, door de rechtbank begroot op € 1.460,- per maand in 2023. Het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen bedroeg dan (€ 16.651 - € 1.460 =) € 15.191. Van dat inkomen heeft de man, net als de vrouw, volgens de hofnorm 60% nodig. Dat was € 9.115,- netto per maand in 2023. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 10.309,- netto per maand.
De behoeftigheid
3.14.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de man redelijkerwijs in staat is om zelf het hiervoor vermelde bedrag (€ 10.309,-) te verdienen. Als de man daar niet toe in staat is, dan is hij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de man om partneralimentatie toewijzen.
3.15.
Uit de arbeidsovereenkomst van de man (zijn productie 93) blijkt dat zijn huidige salaris, exclusief vakantietoeslag, € 114.000,- bruto per jaar bedraagt. Daarnaast kan de man, volgens zijn arbeidsovereenkomst, aanspraak maken op een jaarlijkse tantième van € 27.000,-. De rechtbank gaat er van uit dat de man dit bedrag jaarlijks zal ontvangen, omdat van de man verwacht mag worden dat hij zich volledig zal inzetten om de beste resultaten te bereiken. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt dan € 7.140,- per maand. Van dit inkomen betaalt de man een bedrag van € 300,- per maand kinderalimentatie aan de vrouw. Er blijft van het netto besteedbaar inkomen van de man dan een bedrag van € 6.840,- per maand over om in zijn eigen kosten van levensonderhoud te voorzien.
3.16.
Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 10.309,- netto per maand en een netto besteedbaar inkomen van de man van € 6.840,-, resteert een aanvullende behoefte van € 3.469,- netto per maand. Als de man partneralimentatie ontvangt, dan moet hij daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de man daarom een bedrag van
€ 6.870,- bruto per maand nodig heeft om in zijn huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.
De draagkracht van de vrouw
3.17.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de vrouw in de aanvullende behoefte van de man kan voorzien. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen van de vrouw. De man vindt dat aan de vrouw hetzelfde inkomen kan worden toegerekend als in 2023. De vrouw ziet dat anders en vindt dat haar huidige en lagere inkomen als uitgangspunt moet dienen.
3.18.
De rechtbank volgt de man, met dien verstande dat de rechtbank in haar berekening uitgaat van de inkomensbestanddelen van de vrouw over 2023 zoals hiervoor bij de huwelijksgerelateerde behoefte zijn beschreven. Het dienstverband van de vrouw bij [onderneming4] B.V. en haar inkomen van [onderneming1] zijn weliswaar gestopt maar, de rechtbank vindt dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij dat inkomensverlies opvangt. Gelet op haar arbeidsverleden valt niet in te zien waarom dit niet zou lukken. Daarbij heeft de vrouw op de zitting verklaard dat zij bezig is met het vinden van werk om het inkomensverlies op te vangen, al dan niet door voor het familiebedrijf te gaan werken. De rechtbank vindt niet dat aan de vrouw een hogere verdiencapaciteit kan worden toegerekend dan haar inkomen over 2023. Het inkomen van de vrouw over 2023 is gebaseerd op een parttime dienstverband omdat de vrouw toen, net als nu, voor de kinderen zorgde. Rekening houdend met de huidige belastingtarieven, komt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2025 uit op een bedrag van € 10.385,- per maand.
3.19.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de man. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De vrouw wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij haar inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. De overige 40% mag de vrouw vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 60% [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)]. Dit levert een draagkracht op van € 3.575,- per maand.
3.20.
Als de vrouw partneralimentatie betaalt, dan mag zij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt de vrouw minder belasting, zodat zij meer ruimte heeft voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de vrouw op een bedrag van € 5.410,- bruto per maand.
Vergelijking van de financiële situaties van partijen
3.21.
Hiervoor heeft de rechtbank berekend dat de vrouw een bedrag van € 5.410,- per maand aan partneralimentatie kan betalen en dat de man ook behoefte heeft aan dit bedrag. Het ligt dan voor de hand dat de vrouw dit bedrag aan partneralimentatie moet betalen. Maar de vrouw heeft ook aangevoerd dat het onredelijk zou zijn als hij door de betaling van dat bedrag minder geld te besteden heeft dan de man. Anders gezegd, de man mag niet beter af zijn dan de vrouw na betaling van de partneralimentatie. Om te kunnen vaststellen of die situatie zich hier voordoet, moet de rechtbank de financiële situatie van de partijen met elkaar vergelijken.
3.22.
Bij de financiële vergelijking gaat de rechtbank bij de vrouw uit van de inkomensgegevens als hiervoor bij de berekening van haar draagkracht is vermeld. Aan de kant van de man gaat de rechtbank uit van het inkomen als hiervoor bij de berekening van zijn behoeftigheid is vermeld.
3.23.
Na vergelijking van de financiële situaties van partijen, stelt de rechtbank vast dat de man beter af is dan de vrouw als de vrouw het bedrag van € 5.410,- aan partneralimentatie betaalt. Uit de bijgaande berekening volgt dat partijen ongeveer evenveel te besteden hebben in het geval dat de vrouw een bedrag van € 3.092,- per maand aan partneralimentatie aan de man zou betalen. Met andere woorden: als de vrouw méér dan € 3.092,- betaalt, dan is de man beter af dan de vrouw. Daarom zal de rechtbank het eerder berekende bedrag aan partneralimentatie (€ 5.410,-) verlagen tot € 3.092,- per maand.
Alimentatie vooruitbetalen
3.24.
De rechtbank zal ook beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om bijdragen in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de kinderalimentatie pas aan het eind van de maand wordt betaald.
Het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en inboedel
3.25.
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw, bij uitsluiting van de man, bevoegd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en inboedel, gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw woont sinds eind februari 2024 alleen met de kinderen in de woning. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de man de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of hij het aandeel van de vrouw in de woning kan overnemen. Het is nog niet zeker of dit lukt. Als dit niet lukt zal de woning moeten worden verkocht. De man kan voorlopig nog elders terecht. Onder deze omstandigheden vindt de rechtbank dat de vrouw voorlopig nog in de woning mag blijven en in de gelegenheid moet worden gesteld om een andere geschikte woning te vinden.
3.26.
Gedurende het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw heeft de man geen genot van zijn aandeel in de woning. De man heeft daarom in beginsel recht op een schadeloosstelling in de vorm van een gebruiksvergoeding. Wat betreft de hoogte van de gebruiksvergoeding overweegt de rechtbank dat in de rechtspraak geen eenduidige richtlijn te vinden is op welke wijze de hoogte van de gebruiksvergoeding moet worden vastgesteld. Dit wordt mede bepaald door hetgeen in het specifieke geval redelijk en billijk wordt bevonden. In dit geval acht de rechtbank het redelijk en billijk om de hoogte van de gebruiksvergoeding vast te stellen op de helft van de gebruikslasten van de woning, waaronder begrepen de rentelasten (en dus niet de aflossingen) voor de aan de woning verbonden leningen zoals hierna beschreven, te weten bij de ABN Amro bank, [onderneming6] BV en [onderneming7] BV. De rechtbank streept dus de gebruiksvergoeding weg tegen de gebruikslasten van de woning. Dit heeft tot gevolg dat de vrouw, zolang zij de woning bij uitsluiting van de man gebruikt, alle gebruikslasten van de woning moet betalen. De man heeft bij zijn verzoek over de gebruiksvergoeding geen ingangsdatum verzocht echter, uit het separate verzoek van de man over de (gebruikers)lasten van de woning vanaf 1 maart 2024, maakt de rechtbank op dat de man wel wil dat de vrouw vanaf dat moment de kosten van de woning draagt. De rechtbank hanteert die ingangsdatum, omdat de vrouw (middels de voorlopige voorziening) al sinds 28 februari 2024 het uitsluitend gebruik van de woning toekomt.
De huwelijkse voorwaarden
3.27.
Partijen zijn getrouwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden in dat door het huwelijk geen gemeenschap van goederen ontstaat. Wel hebben partijen in de huwelijkse voorwaarden afgesproken dat zij bij een echtscheiding zullen verrekenen alsof tussen hen een beperkte gemeenschap van goederen bestaat (het ‘alsof-beding’). Dat wil zeggen dat, behoudens in geval van een eenvoudige gemeenschap, geen daadwerkelijke verdeling van goederen moet plaatsvinden maar dat in kaart moet worden gebracht wat iedere echtgenoot aan vermogen heeft, dat verrekend moet worden. Daarin moeten zowel goederen als schulden worden meegenomen. De echtgenoot met het meeste vermogen moet vervolgens een zodanig bedrag aan de andere echtgenoot betalen dat ieder van hen (in verhouding tot de omvang van de beperkte gemeenschap) daarna evenveel vermogen heeft. Het bedrag dat de een aan de ander moet betalen wordt de ‘verrekenvordering’ genoemd.
3.28.
De beperkte gemeenschap omvat volgens hoofdstuk 3 van de huwelijkse voorwaarden van partijen alle goederen en schulden die op de peildatum aanwezig waren met uitzondering van, kort samengevat:
  • de waarde van goederen en schulden die op grond van artikel 1:94 (oud) BW buiten de gemeenschap vallen (waaronder bijvoorbeeld goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen en goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn voor zover die verknochtheid zich hiertegen verzet);
  • de waarde van de ten huwelijk aangebrachte goederen en schulden die op de aan de akte van huwelijkse voorwaarde vastgemaakte beschrijving zijn opgenomen, met de vruchten daarvan. Dat wat ervoor in de plaats is gekomen wordt ook niet gerekend tot de beperkte gemeenschap voor zover niet verkregen door betaling met andere middelen;
  • de waarde van dat wat door erfrecht of gift door de echtgenoten is verkregen met de vruchten daarvan, onder meer bestaande voor de vrouw uit de door haar krachtens erfrecht en/of schenking verkregen of nog te verkrijgen (certificaten van) aandelen in de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [onderneming8] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats 1] en [onderneming3] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats 2] , alsmede de aan deze verkrijging verbonden schulden en de waarde van dat wat ervoor in de plaats is gekomen, voor zover niet verkregen door betaling met andere middelen, een en ander voor zover dat gedeelte van de verkrijging door erfrecht of gift dat consumptief is besteed zonder dat er wat voor in de plaats is gekomen;
  • de waarde van ondernemingsvermogen, dat aan een echtgenoot toebehoort op de peildatum.
Anders dan waar partijen van uit gaan, is het dus niet zo dat bijvoorbeeld een saldo dat op de peildatum op een bankrekening op naam van een van partijen aanwezig is, per definitie, niet in de verrekening betrokken hoeft te worden.
3.29.
Het tijdstip waarop het te verrekenen vermogen moet worden bepaald is, volgens hoofdstuk 3 van de huwelijkse voorwaarden, het moment waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend. Dat is 28 december 2023. Om uitvoering te kunnen geven aan het verrekenbeding en de verrekenvordering te bepalen, moet dus de omvang van het te verrekenen vermogen (goederen en schulden) van partijen op 28 december 2023 worden vastgesteld. De rechtbank concludeert dat dit aan de hand van de stukken niet mogelijk is. Partijen hebben geen volledige inzage gegeven van hun te verrekenen goederen en schulden op deze peildatum. Partijen maken in het geheel geen helder onderscheid tussen verdeling van een eenvoudige gemeenschap, verrekening en vergoedingsrechten. Bij de beoordeling van de verzoeken van partijen, zal de rechtbank daarom zo nodig eerst beoordelen of dat verzoek met de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, de verrekening of vergoedingsrechten samenhangt om vervolgens te kunnen beoordelen in hoeverre het verzoek kan worden toegewezen. De rechtbank zal dus geen verrekenvordering vaststellen maar, kan wel beoordelen welke van de genoemde bestanddelen in een verrekening betrokken (zouden) moeten worden. Het is dan aan partijen om uiteindelijk een vermogensopstelling te maken en de eventuele verrekenvordering te bepalen.
3.30.
Over de door partijen gestelde “vergoedingen” merkt de rechtbank nog het volgende op. Beide partijen maken aanspraak op vergoeding van bedragen die zij voor de woning en/of de ander (zouden) hebben betaald, zonder dat daarbij in alle gevallen een grondslag is vermeld. Daar waar nodig en mogelijk zal de rechtbank de grondslag aanvullen en de verzoeken van partijen in het licht van die grondslag beoordelen. Daarbij is van belang dat de rechtbank, uit de verzoeken van partijen en het partijdebat, afleidt dat partijen, met het finaal verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden, de bedoeling hebben gehad om alle regels die gelden voor de wettelijke gemeenschap van goederen in titel 7 van boek 1 BW van overeenkomstige toepassing te verklaren, dus ook de artikelen over het doen ontstaan van vergoedingsrechten zoals genoemd in artikel 1:95 lid 2 en artikel 1:96 lid 4 BW. De rechtbank sluit bij de beoordeling van de verzoeken dan ook bij deze zienswijze aan. Dit betekent dat de rechtbank veronderstelt dat sprake is van een zogeheten ‘pseudo-gemeenschap’, waarvan de in hoofdstuk 3 van de huwelijkse voorwaarden genoemde goederen en schulden zijn uitgezonderd. Als gevolg hiervan bestaan er als het ware drie (‘alsof’-)vermogens, te weten het eigen (niet te verrekenen) vermogen van ieder van de echtgenoten en het vermogen van de pseudo-gemeenschap. Vanuit dit licht bezien kan (bijvoorbeeld) een (‘alsof’-)vergoedingsrecht ontstaan als een schuld van de pseudo-gemeenschap uit eigen (niet tot die ‘pseudo-gemeenschap’ en dus niet te verrekenen) vermogen van een echtgenoot is betaald. Als daarvan sprake is, ontstaat geen werkelijk recht op een vergoeding maar, strekt het alsof-vergoedingsrecht in mindering op het te verrekenen vermogen van die partij. Wel kunnen (werkelijke) vergoedingsrechten van de ene echtgenoot op de andere echtgenoot ontstaan als een vermogensverschuiving plaatsvindt tussen niet tot die ‘pseudo-gemeenschap’ behorende goederen van de echtgenoten onderling, zoals bijvoorbeeld opgenomen in hoofdstuk 1 en 2 van de huwelijkse voorwaarden.
A.
De eenvoudige gemeenschap(pen)
A.1: de woning aan de [adres] in [woonplaats] en de daaraan verbonden leningen
3.31.
De echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] is van partijen gezamenlijk en vormt een eenvoudige gemeenschap. De rechtbank begrijpt de verzoeken van partijen over de woning als een verzoek om de wijze van verdeling van deze eenvoudige gemeenschap vast te stellen. Voor wat betreft de verdeling van de woning zijn partijen het erover eens dat alleen de man in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over te nemen. De rechtbank zal daarom ook zo beslissen. Daaraan verbindt de rechtbank de termijnen en voorwaarden zoals in het dictum beschreven. De man heeft dan, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende tijd om te onderzoeken of het voor hem financieel haalbaar is om de woning over te nemen. Hierbij wordt opgemerkt dat de man de woning toebedeeld krijgt in de staat waarin deze zich bevindt. Indien de man meent dat de vrouw, sinds partijen uit elkaar zijn gegaan, schade aan de woning heeft toegebracht die hersteld of vergoed moet worden, had het op weg van de man gelegen om daartoe een concreet verzoek in te dienen. Omdat de man dat niet heeft gedaan, kan de rechtbank daar ook geen beslissing over nemen. Als het de man niet lukt om de woning over te nemen, moet de woning verkocht worden aan een derde.
3.32.
Zowel in geval van overname van de woning door de man als bij verkoop, moeten de aan de woning verbonden hypothecaire geldleningen bij de ABN AMRO Bank worden afgelost. Dit staat tussen partijen niet ter discussie. De rechtbank zal beslissen dat op datzelfde moment ook het restant van de twee aan de woning verbonden onderhandse geldleningen, bij de onderneming van de vader van de man ( [onderneming6] BV) en bij de onderneming van de man ( [onderneming7] BV), moeten worden afgelost. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat deze twee leningen bestaan. De vrouw heeft aangedragen dat zij de leningen niet kent. Maar dat verweer vindt de rechtbank, in het licht van de gemotiveerde stellingen van de man, onvoldoende. De leningen zijn volgens de man aangegaan voor verbouwings- en/of onderhoudswerkzaamheden aan de woning. De vrouw heeft erkend dat deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Van de lening bij [onderneming6] BV heeft de man een overeenkomst overgelegd van 28 augustus 2018. Daaruit blijkt dat de lening ten behoeve van de verbouwing van de woning is aangegaan. De lening is ook als ‘eigenwoningschuld’ opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting van de vrouw (over in ieder geval 2019 t/m 2021; een aangifte inkomstenbelasting 2022 is niet overgelegd). Van de lening bij [onderneming7] BV heeft de man een overeenkomst van 30 juni 2018 overgelegd. Deze overeenkomst is mede ondertekend door de vrouw. Ook deze lening is als eigenwoningschuld opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting van de vrouw (over in ieder geval 2019 t/m 2021). Dat de vrouw niet wist van deze leningen kan de rechtbank zich dan ook maar moeilijk voorstellen en doet ook niet af aan het bestaan van de leningen. Uit de aangifte inkomstenbelasting van de man van 2023 blijkt dat de lening aan [onderneming6] BV op 31 december 2023 nog € 138.809,- bedroeg en de lening bij [onderneming7] BV nog € 61.065,-. De leningen waren op de peildatum dus nog aanwezig. Na aflossing van de hypothecaire lening en de twee onderhandse lening, maken partijen samen aanspraak op de overwaarde, ieder voor de helft.
3.33.
De rechtbank wijst het verzoek van de man dat ziet op de lening en voorwaarden bij de bank ten behoeve van de woning af. De grondslag voor dit verzoek ontbreekt en de bank is geen partij in deze procedure. De rechtbank kan daarom niet bepalen of de man de lening met voorwaarden mag voortzetten of overnemen.
A.2: de inboedel
3.34.
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel van de woning van hen samen is. Beide partijen verzoeken te bepalen dat de inboedel bij helfte wordt verdeeld. De rechtbank zal daarom ook zo beslissen.
3.35.
De door de man genoemde trouwring, verlovingsring en de foto’s van de kinderen maken geen onderdeel uit van een inboedel. De rechtbank wijst dit gedeelte van het verzoek van de man af. In de huwelijkse voorwaarden hebben partijen bepaald dat sieraden toebehoren aan degene die deze in gebruik heeft of tot wiens gebruik deze zijn bestemd. De trouwring en verlovingsring van de vrouw behoren daarom aan haar toe. Veder gaat de rechtbank er van uit dat de vrouw bereid zal zijn om een (digitale) kopie van de foto’s van de kinderen aan de man te verstrekken.
B.
De kosten van de huishouding
B.1: de kosten van de huishouding van 2021 t/m 2023 van € 108.073
3.36.
De man maakt aanspraak op vergoeding voor de kosten van de huishouding in de periode van 2021 t/m 2023 voor een bedrag van € 108.073,-. De man stelt dat hij meer dan de helft van de kosten heeft betaald. De kosten werden volgens de man van de en/of-rekening betaald en van de rekening-courant van zijn onderneming. Volgens de man stortte de vrouw maandelijks slechts € 1.000,- op de en/of-rekening en vulde hij het tekort steeds aan. De vrouw voert verweer. Zij draagt aan dat zij ook van haar eigen bankrekening(en) kosten van de huishouding heeft betaald en dat daarmee de kosten van de huishouding volgens de huwelijkse voorwaarden zijn verdeeld.
3.37.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. Het verzoek van de man ziet op een vergoeding voor kosten van de huishouding over een periode waarin partijen nog getrouwd waren en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Partijen hebben voor de verdeling van de kosten in deze situatie afspraken gemaakt in hoofdstuk 2 van hun huwelijkse voorwaarden. Zij spraken af dat de kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding door beide echtgenoten allereerst worden betaald naar evenredigheid van hun inkomen. Voor zover de inkomens ontoereikend zijn spraken partijen af dat de kosten naar evenredigheid ten laste van de inkomsten uit vermogen moeten worden betaald. Als ook de inkomsten uit vermogen ontoereikend zijn, spraken partijen af, dat de kosten ten laste komen van de vermogens van de echtgenoten, naar evenredigheid van die vermogens. Op zichzelf kunnen deze afspraken er dus toe leiden dat de man een groter deel van de kosten van de huishouding voor zijn rekening neemt dan de vrouw.
3.38.
Om te kunnen vaststellen of de man op grond van de huwelijkse voorwaarden over een bepaalde periode te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding had de man, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, in ieder geval moeten stellen (i) wat de totale kosten van de huishouding over die betreffende periode waren, (ii) wie in die betreffende periode welke kosten heeft betaald, (iii) ten laste van welke middelen die kosten zijn voldaan, (iv) wie in de betreffende periode welk inkomen (al dan niet uit vermogen) heeft genoten, en – zo nodig – (v) wie welk vermogen in die betreffende periode heeft gehad. Aan de hand van de bijdragen die partijen hebben geleverd en afhankelijk van de vraag ten laste van welke middelen zij die bijdragen hebben voldaan, kan worden vastgesteld of een partij nog nader moet bijdragen dan wel te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. De man heeft deze verschillende elementen niet (voldoende) inzichtelijk gemaakt. Een en ander nog afgezien van het feit dat voor een vergoeding van de kosten van de huishouding in de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding is opgenomen.
B.2: de lasten van de woning van 28 december 2023 tot 1 maart 2024
3.39.
De man maakt aanspraak op een vergoeding van de vrouw voor zover de man in de periode van 28 december 2023 tot 1 maart 2024 meer dan de helft van de lasten van de woning heeft betaald. Hiertoe draagt de man aan dat partijen tijdens deze periode samen in de woning woonden, terwijl de huwelijkse voorwaarden niet meer van toepassing waren en de vrouw, niet de helft, maar slechts een klein deel van de lasten van de woning heeft betaald. De vrouw voert gemotiveerd verweer en verwijst hierbij naar de afspraken van partijen in de huwelijkse voorwaarden en de kosten die zij zelf in deze periode heeft voldaan.
3.40.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. Het verzoek van de man ziet op kosten van de gemeenschappelijke huishouding tijdens het huwelijk. Anders dan de man stelt, zijn hierop afspraken tussen partijen in de huwelijkse voorwaarden van toepassing. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man slechts een aantal kosten aan de orde gesteld. Gelet op wat de rechtbank hiervoor over de kosten van de huishouding heeft opgemerkt, concludeert de rechtbank dat de man zijn verzoek, in het licht van de betwisting door de vrouw, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. De rechtbank kan niet vaststellen of de man meer heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding over de betreffende periode dan hij had moeten doen.
C.
De verrekening
C.1: de aflossingen op de leningen van de woning van € 115.517,-
3.41.
De man maakt aanspraak op een vergoeding van € 115.517,- in verband met aflossingen op de, hiervoor genoemde aan de woning verbonden, geldleningen bij de bank en [onderneming6] BV. De man stelt dat de aflossingen van zijn privévermogen zijn voldaan. Ter onderbouwing hiervan draagt de man aan dat de aflossingen aan de bank van de en/of-rekening van partijen is voldaan, waarop de vrouw slechts € 1.000,- per maand heeft gestort en de man vanuit zijn privévermogen steeds het tekort heeft aangezuiverd. Verder werd volgens de man op de lening bij [onderneming6] BV, afgelost door verrekeningen van € 1.600,- per jaar met schenkingen van de vader van de man aan de man. De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.42.
De rechtbank begrijpt dat de man hiermee verzoekt een alsof-vergoedingsrecht vast te stellen, dat in mindering strekt op zijn te verrekenen vermogen. De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen, omdat niet vast is komen te staan dat de aflossingen met (niet te verrekenen) privévermogen van de man zijn voldaan. In hoofdstuk 1 van de huwelijkse voorwaarden van partijen is opgenomen dat het saldo op de en/of-rekening aan partijen samen toebehoort, ieder voor de onverdeelde helft. Dit betekent dat afschrijvingen van deze rekening, zoals voor de aflossingen van een aan de woning verbonden lening, worden vermoed ten laste van gemeenschappelijk vermogen van partijen te zijn gekomen. Het enkele feit dat de man meer geld op deze rekening heeft gestort dan de vrouw maakt niet dat sprake is van een (alsof-)vergoedingsrecht. De gelden die de man op de en/of rekening heeft gestort kunnen immers net zo goed afkomstig zijn van (te verrekenen) vermogen dat in de ‘pseudo-gemeenschap’ valt. Ten aanzien van de schenkingen is niet gesteld of gebleken dat deze uitsluitend aan de man of mede aan de vrouw zijn verstrekt. Hierdoor is niet duidelijk geworden dat deze schenkingen (niet te verrekenen) privévermogen van de man betreffen.
C.2: de investeringen van de man en zijn onderneming in de woning van € 292.774,82
3.43.
De man maakt aanspraak op een vergoeding van € 292.774,82 voor investeringen in de woning. De man heeft dit bedrag in zijn, door de rechtbank op 19 februari 2025 ontvangen, verweerschrift (pagina 3 t/m 5) gespecificeerd. Volgens de man zijn voornoemde investeringen betaald van zijn privévermogen namelijk:
  • voor € 46.713,04 door zijn onderneming [onderneming7] BV;
  • voor € 103.261,78 van het restant van de verkoopopbrengst van het appartement dat aan de zijde van de man op de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden is opgenomen;
  • voor € 130.000,- van het banksaldi dat aan de zijde van de man op de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden is opgenomen;
  • voor € 12.800,- van jaarlijkse schenkingen van zijn vader.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.44.
De rechtbank begrijpt dat de man hiermee verzoekt een alsof-vergoedingsrecht vast te stellen, dat in mindering strekt op zijn te verrekenen vermogen. De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. De vrouw heeft erkend dat de man voor een bedrag van
€ 12.491,78 met privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd (in verband met niet retour ontvangen kosten koper). Daarom staat in ieder geval vast dat de man voor een bedrag van
€ 12.491,78 met privévermogen in de ‘pseudo-gemeenschap’ (waarvan de woning onderdeel uitmaakt), heeft geïnvesteerd als gevolg waarvan in de verrekening een bedrag van € 12.491,78 in mindering strekt op het te verrekenen vermogen van de man. Voorgaande impliceert geen vergoedingsrecht van de vrouw aan de man omdat er geen vermogensverschuiving tussen privévermogens onderling heeft plaatsgevonden. Voor het overige deel van de door de man gestelde investeringen ziet de rechtbank niet in waarom daaruit voor de man een (alsof-)vergoedingsrecht toekomt. Voor de investeringen die door zijn onderneming zijn gedaan geldt dat, een eventueel vergoedingsrecht, toekomt aan de onderneming en niet aan de man in privé. Voor het overige komt wat de man stelt feitelijk neer op een vergoedingsrecht ter hoogte van zijn aanbrengvermogen. Kort samengevat zegt de man namelijk dat nu zijn (niet te verrekenen) aanbrengvermogen op is, terwijl er flink aan de woning is verbouwd er dús een (alsof-)vergoedingsrecht ter hoogte van zijn aanbrengvermogen is ontstaan. Die conclusie is echter te kort door de bocht en vindt bovendien geen steun in de producties waar de man naar verwijst. Zo verwijst de man voor een investering van € 57.405,27 naar zijn productie 63, waarin afschrijvingen van de en/of rekening van partijen zijn opgenomen. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat het saldo op deze en/of-rekening gemeenschappelijk vermogen van partijen betreft en dus geen privévermogen van de man. Daarnaast verwijst de man voor een investering van € 199.544,44 naar zijn productie 64, waarin afschrijvingen van een rekening op naam van de man zichtbaar zijn. Dit rekeningnummer staat echter niet genoemd op de staat van aanbrengsten. Verder verwijst de man voor een investering van € 68.821,37 naar productie 65, waarin afschrijvingen van een zakelijke rekening zichtbaar zijn. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom afschrijvingen van een zakelijke rekening tot een vergoedingsrecht voor de man leiden. Het had op de weg van de man gelegen om “het geldspoor” van zijn aanbrengvermogen naar de woning inzichtelijk te maken. Dit heeft de man niet gedaan. Hierdoor valt niet vast te stellen of de investeringen met privévermogen zijn voldaan, of bijvoorbeeld met geld dat uit de leningen voor de woning is verkregen. Ook valt niet vast te stellen of het aanbrengvermogen (voor zover dat op de peildatum niet meer aanwezig was) aan de woning is besteed, of bijvoorbeeld aan consumptieve uitgaven voor het gezin of uitgaven voor de man in privé. Tot slot is hiervoor reeds overwogen dat niet vastgesteld kan worden of de schenkingen van de vader van de man als (niet te verrekenen) privévermogen van de man moet worden aangemerkt.
C.3: de investeringen van de vrouw in de woning van € 166.309,50
3.45.
De vrouw maakt aanspraak op een vergoeding van € 166.309,50 voor investeringen in de woning. De rechtbank begrijpt dat de vrouw hiermee verzoekt een alsof-vergoedingsrecht vast te stellen, dat in mindering strekt op haar te verrekenen vermogen. Hoewel de man dit vergoedingsrecht in zijn stukken erkent, heeft de man op de zitting nader toegelicht dat die erkenning alleen geldt indien de man door de man gestelde vergoedingsrechten worden toegewezen. Omdat deze niet worden toegewezen, wordt dus door de man betwist dat de vrouw aanspraak kan maken op een vergoeding. In het licht van de betwisting door de man, acht de rechtbank het verzoek van de vrouw onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom af.
3.46.
Ter onderbouwing van haar verzoek draagt de vrouw aan dat zij een schenking onder uitsluitingsclausule heeft verkregen van € 94.680,- en haar aanbrengvermogen € 81.080,- bedroeg. Volgens de vrouw is dit geld in de woning geïnvesteerd. Dit blijkt echter nergens uit. De vrouw verwijst enkel naar een schenkingsovereenkomst en de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden, maar de vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt wat haar vermogen op de peildatum is en welk “spoor” het geld uit haar schenking en het aanbrengvermogen naar de woning heeft afgelegd. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de schenkingen en het aanbreng vermogen op de peildatum aanwezig was en zo niet, of dat vermogen in de woning is geïnvesteerd als gevolg waarvan een (alsof-)vergoedingsrecht zou zijn ontstaan.
C.4: de banksaldi
3.47.
De man maakt aanspraak op een vergoeding van de vrouw van € 60.000,- in verband met de verrekening van haar banksaldi. De man draagt hiertoe aan dat de banksaldi van de vrouw op de peildatum in de verrekening betrokken moeten worden, als gevolg waarvan de vrouw de helft van die totale banksaldi aan de man moet betalen. Volgens de man moet hierbij geen rekening worden gehouden met het banksaldo van de vrouw op de staat van aanbrengsten omdat dit geld in de woning is geïnvesteerd. De vrouw voert verweer. Volgens haar moeten de banksaldi op haar rekeningen buiten de verrekening worden gehouden.
3.48.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. Als gevolg van het finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen moeten de op de peildatum aanwezige saldi van hun bankrekeningen in de verrekening worden betrokken, behoudens voor zover deze daar volgens de huwelijkse voorwaarden van zijn uitgezonderd. Zo blijft bijvoorbeeld aan de zijde van de man buiten de verrekening: zijn banksaldo van € 5.000,- op zijn rekening met nummer [rekeningnummer 1] voor zover dat op de peildatum nog aanwezig is, omdat dit op de staat van aanbrengsten is vermeld. Aan de zijde van de vrouw blijft bijvoorbeeld buiten de verrekening: (het gedeelte van) een banksaldo dat (aantoonbaar) is gevormd door de vruchten van aandelen die zij via een gift heeft verkregen. Anders dan partijen betogen, is het dus niet zo, dat een totaalbedrag ter hoogte van hun aanbrengvermogen niet in de verrekening betrokken hoeft te worden of dat het gehele saldo op een eigen rekening sowieso buiten de verrekening moet blijven. Omdat partijen geen (volledig) overzicht hebben gegeven van de saldi op hun rekeningen op de peildatum en waardoor die saldi zijn gevormd, kan de rechtbank niet vaststellen welke saldi wel of niet in de verrekening betrokken moeten worden. Een en ander staat los van de vraag of vanwege uitgaven tijdens het huwelijk een (‘alsof’-)vergoedingsrecht kan ontstaan.
C.5: de auto van de vrouw
3.49.
De man maakt aanspraak op vergoeding van € 14.250,- ter zake de auto van de vrouw. Volgens de man is de auto die is opgenomen in de staat van aanbrengsten van de vrouw (de Audi) in 2019 ingeruild voor € 10.463,72. Van dit bedrag en een bijbetaling, zo de rechtbank begrijpt, van te verrekenen vermogen zou een andere auto (een Mini) zijn gekocht. Als gevolg hiervan moet volgens de man de Audi in de verrekening betrokken worden. Omdat de Mini € 28.500,- waard is, is de vrouw de helft van dit bedrag aan de man verschuldigd, aldus de man. De vrouw voert verweer.
3.50.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. Indien de vrouw op de peildatum eigenaar is van een Mini, moet in beginsel de waarde van de Mini op de peildatum in de verrekening betrokken worden door die waarde in de vermogensopstelling aan de zijde van de vrouw op te nemen. Dit kan anders zijn als de Mini is betaald met gelden die van verrekening zijn uitgezonderd, zoals de verkoopprijs van de Audi die op de staat van aanbrengsten was vermeld. In dat geval moet de Mini voor een lagere waarde in de vermogensopstelling aan de zijde van de vrouw worden opgenomen.
3.51.
Uit productie 56 van de vrouw blijkt dat de aankoopprijs voor de Mini € 43.789,- bedroeg. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de aankoopprijs voor een bedrag van € 10.463,72 is betaald met de inruilwaarde van de Audi, die op de staat van aanbrengsten is vermeld. Uit voornoemde productie blijkt verder dat van de aankoopsom een bedrag van € 28.391,- door de vrouw is voldaan van haar bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] . Dit rekeningnummer staat genoemd aan de zijde van de vrouw op de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden met een saldo van € 13.000,-, zodat slechts ter hoogte van € 13.000,- duidelijk is dat dit privé-vermogen betrof. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de aankoopsom van de Mini voor ((10.463,72+13.000)/43.789 = afgerond) 54% is betaald met vermogen dat niet in de verrekening betrokken moet worden. Van welk vermogen de rest van de aankoopsom is betaald, is onduidelijk. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de rest van de aankoopsom met te verrekenen vermogen is betaald. Dit betekent dat 46% van de waarde van de Mini op de peildatum in de vermogensopstelling aan de zijde van de vrouw moet worden meegenomen. Omdat de man onbetwist heeft gesteld dat de Mini toen € 28.500,- waard was, komt dit uit op een bedrag van € 13.110,-. Van een vergoedingsrecht kan geen sprake zijn, omdat geen verschuiving tussen de privévermogens van partijen heeft plaatsgevonden.
C.6: de rekening-courant van de man
3.52.
De man verzoekt te bepalen dat de opnamen van zijn rekening-courant tijdens het huwelijk in de verrekening betrokken moeten worden, in die zin dat de vrouw de helft van de rekening-courantschuld op de peildatum aan de man moet vergoeden. De man draagt hiertoe aan dat de schuld is ontstaan doordat van de rekening-courant kosten van de woning en/of het gezin zijn betaald. De vrouw voert verweer.
3.53.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af. Partijen zijn buiten iedere gemeenschap getrouwd. De opnames in rekening-courant door de man betreffen dan ook een privé-schuld van de man, waar de vrouw niet aansprakelijk voor is en dus in de onderlinge rechtsverhouding ook niet voor de helft draagplichtig. Deze vordering van de onderneming op de man valt volgens hoofdstuk 3 van de huwelijkse voorwaarden echter wel in de pseudo-gemeenschap die verrekend moet worden. De huwelijkse voorwaarden bepalen dat de waarde van alle bezittingen (met uitzondering van wat in de huwelijkse voorwaarden is uitgesloten) en alle schulden verrekend worden alsof partijen in een (beperkte) gemeenschap van goederen zouden zijn gehuwd. Een schuld bij de B.V. van de man is niet van de verrekening uitgesloten in de huwelijkse voorwaarden. Dit brengt met zich dat de schuld van de man in rekening-courant in de finale verrekening dient te worden betrokken. Het gaat daarbij in principe om de gehele schuld op de peildatum. De rekening-courantschuld is immers niet meegenomen in de staat van aanbrengsten. De vrouw heeft nog aangedragen dat de man zichzelf vanuit zijn onderneming meer had kunnen uitkeren en niet inzichtelijk is waardoor de rekening-courantschuld is ontstaan maar, zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom dit ertoe doet en het niet redelijk en billijk zou zijn om de rekening-courantschuld in de verrekening te betrekken.
D.
Vergoedingen
D.1: de lasten van de woning vanaf 1 maart 2024
3.54.
De man maakt aanspraak op een vergoeding van de vrouw voor de kosten van de woning die hij vanaf 1 maart 2024 heeft betaald, omdat de vrouw sindsdien alleen in de woning woont. Daarbij wijst de man op de lasten van de lening voor de woning bij de onderneming van de vader van de man, alsmede op de kosten voor de beveiliging van de woning, de energie en het internet. De vrouw voert gemotiveerd verweer maar, zij is wel bereid eventuele gebruikerslasten die de man sinds 1 maart 2024 heeft betaald voor haar rekening te nemen. Verder maakt de vrouw aanspraak op vergoeding van de helft van de aflossingen op de aan de woning verbonden hypothecaire lening bij de bank die zij sinds 1 maart 2024 heeft voldaan.
3.55.
Over de rentelasten voor de aan de woning verbonden lening bij de onderneming van de vader van de man vanaf 1 maart 2024 heeft de rechtbank hiervoor bij de gebruiksvergoeding al een beslissing genomen. Voor wat betreft de aflossingen op deze lening, alsmede de aan de woning verbonden hypothecaire lening sinds 1 maart 2024, zal de rechtbank beslissen dat partijen aan elkaar moeten vergoeden hetgeen de ander meer dan de helft heeft betaald. Verder zal de rechtbank bepalen dat de vrouw € 1.942,52 aan de man moet betalen ter zake de kosten voor de energie en het internet van de woning.
3.56.
Het uitgangspunt is dat partijen, als gezamenlijk eigenaar van de woning, de aan de woning verbonden lasten samen moeten dragen naar evenredigheid van hun aandeel (dus ieder voor de helft). Partijen moeten de aflossingen op de (hypothecaire) leningen voor de woning daarom ook samen betalen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de vrouw de rentelasten die de man sinds 1 maart 2024 voor de leningen van de woning heeft voldaan, als gebruiksvergoeding, betalen. Voor wat betreft de aflossingen ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het hiervoor beschreven uitgangspunt.
3.57.
Voor de kosten voor de beveiliging van de woning, de energie en het internet verwijst de man naar zijn productie 84. Uit deze stukken maakt de rechtbank op dat de kosten van de beveiliging aan de onderneming van de man zijn gefactureerd. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom hieruit een vorderingsrecht voor de man voortvloeit. De kosten van internet en energie beschouwd de rechtbank als gebruikerslasten, waarover de vrouw heeft verklaard deze voor haar rekening te willen nemen. De vrouw moet daarom (€ 887,98 voor de energie + € 1.054,54 voor internet =) € 1.942,52 aan de man betalen.
D.2: de zakelijke goederen van de onderneming van de man
3.58.
De man maakt aanspraak op een vergoeding van de vrouw voor zakelijke goederen die door toedoen van de vrouw niet meer bruikbaar zijn. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Nog afgezien van het feit dat het verzoek onvoldoende concreet is, ontbreekt de grondslag voor dit verzoek. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom de man aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding van schade aan goederen die niet van hem, maar van de onderneming, zijn.
D.3: de en/of rekening
3.59.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw verantwoordelijk is voor de roodstand op de en/of-rekening en eventuele kosten die de man daartoe heeft voldaan aan hem moet vergoeden. Hiertoe draagt de man aan dat de vrouw vanaf 1 maart 2024 onvoldoende geld op de rekening heeft overgemaakt waardoor een roodstand is ontstaan en kosten zijn berekend. Daarnaast verzoekt de man een vergoeding van de vrouw van € 5.000,- voor privéopnamen van de en/of-rekening, omdat voor de creditcard van de vrouw (naar schatting) € 10.000,- van de rekening is afgeschreven. De vrouw voert verweer.
3.60.
De rechtbank zal de verzoeken van de man afwijzen. De man heeft zijn verzoek over de roodstand van de rekening en de kosten daarvan onvoldoende onderbouwd. In de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat een tekort op de rekening door partijen samen moet worden gedragen, ieder voor de helft. De man heeft niet onderbouwd waarom van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Bovendien is het onduidelijk hoe dit verzoek zich verhoudt tot de verzoeken van de man over de verdeling van de lasten van de woning sinds 1 maart 2024, waarover de rechtbank in deze beschikking (ook) een beslissing neemt.
Dat van de rekening door de vrouw privéopnamen zijn gedaan is door de vrouw gemotiveerd betwist en door de man evenmin voldoende onderbouwd. Zo zijn de afschrijvingen van de creditcard van de vrouw niet inzichtelijk gemaakt. Bovendien is niet duidelijk wanneer de opnamen zijn gedaan en geldt volgens hoofdstuk 1 en 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen voor dergelijke opnamen een vervalbeding van één jaar.
D.4: de privékosten van de vrouw vanaf 28 december 2023
3.61.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw aan hem alle privékosten die de man na 28 december 2023 heeft voldaan moet betalen. Daarbij wijst de man op de kosten van een telefoonabonnement van de vrouw. De vrouw voert verweer.
3.62.
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. De man heeft onvoldoende gesteld. Uit het enkele feit dat de man kosten heeft betaald voor de vrouw, vloeit niet direct een vergoedingsrecht voort. Of een vergoeding verschuldigd is hangt in ieder geval af van het soort kosten, de periode waarin deze zijn gemaakt en van welk inkomen of vermogen de kosten zijn voldaan. Dit kan niet uit de stukken worden opgemaakt. Bovendien geldt voor echtgenoten de verplichting om elkaar tijdens het huwelijk (dat zolang de echtscheiding niet is ingeschreven nog in stand is) het nodige te verschaffen. [2]
Uitvoerbaar bij voorraad
3.63.
De rechtbank zal de beslissing gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De proceskosten
3.64.
De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum huwelijk] 2016 in [plaats 1] ;
4.2.
bepaalt dat de inhoud van het ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van deze beschikking en hecht een exemplaar van het ouderschapsplan aan;
4.3.
bepaalt dat de man met ingang van 1 oktober 2025, bij vooruitbetaling, een bedrag van € 300,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
4.4.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, bij vooruitbetaling, een bedrag van € 3.092,- bruto per maand moet betalen aan de man, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud;
4.5.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan de [adres] in [woonplaats] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, onder de verplichting voor de vrouw om de volledige gebruikslasten van de woning te betalen (waaronder de rente voor de aan de woning verbonden leningen bij de ABN Amro bank, [onderneming6] BV en [onderneming7] BV);
4.6.
gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats] als volgt:
de woning zal worden toebedeeld aan de man tegen een nog te taxeren marktwaarde per datum taxatie, onder de ontbindende voorwaarden dat de man uiterlijk 1 april 2026 aan de vrouw aantoont dat hij in staat is de woning over te nemen en haar te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;
de woning dient uiterlijk 31 december 2025 te zijn getaxeerd door een door partijen nog aan te wijzen makelaar. Ten behoeve van de aanwijzing van de makelaar die de woning zal taxeren, zal de vrouw binnen een termijn van één week na heden drie (NVM/VBO-)makelaars voorstellen aan de man, die er op zijn beurt binnen één week één uit zal kiezen. Partijen zullen de gekozen makelaar vervolgens binnen een week na die keuze gezamenlijk een opdracht tot taxatie geven. Beide partijen behoren hun medewerking aan de taxatie te verlenen en dienen op behoorlijke wijze in de gelegenheid te worden gesteld bij de taxatie aanwezig te zijn. Partijen dienen de kosten van de taxatie bij helfte te dragen;
indien aan de hiervoor onder a genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de vrouw haar aandeel in de woning overdragen aan de man uiterlijk op 1 mei 2025, onder de voorwaarde dat zij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening wordt ontslagen en dat bij een overwaarde aan haar toekomt een bedrag gelijk aan de helft van de overwaarde van de woning (de taxatiewaarde minus de hypothecaire leningen en de leningen voor de woning bij [onderneming6] BV en [onderneming7] BV). De kosten van de notariële overdracht dient door de man te worden gedragen;
indien en voor zover niet aan de hiervoor onder a genoemde voorwaarden wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen gezamenlijk een verkoopopdracht zullen verstrekken aan de hiervoor bedoelde makelaar, die partijen, indien zij geen overeenstemming bereiken, bindend zal adviseren ten aanzien van de vraag- en laatprijs. Bij verkoop en levering van de woning dient uit de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening te worden afgelost en dienen de kosten verbonden aan de verkoop te worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende opbrengst;
4.7.
bepaalt dat de inboedel in onderling overleg tussen partijen moet worden verdeeld;
4.8.
bepaalt dat partijen aan elkaar moeten vergoeden hetgeen de ander, sinds 1 maart 2024, meer dan de helft heeft betaald aan de aflossingen op de aan de woning verbonden leningen bij de ABN Amro Bank, [onderneming6] BV en [onderneming7] BV;
4.9.
bepaalt dat de vrouw een vergoeding van € 1.942,52 aan de man moet betalen, ter zake de kosten voor de energie en het internet van de woning sinds 1 maart 2024;
4.10.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;
4.11.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;
4.12.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.E. Falkmann, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. K.A.H. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:81 BW.