Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verweerschrift van de vrouw van 20 december 2024 tegen de aanvullende verzoeken van de man van 8 mei 2024, met aanvullende verzoeken en producties 20 t/m 32;
- het bericht van de man van 1 april 2025;
- het bericht van de vrouw van 1 april 2025;
- het verweerschrift van de man, ontvangen op 19 februari 2025, tegen de aanvullende verzoeken van de vrouw van 20 december 2024, met producties 76 t/m 86;
- van de man een aanvullend verzoekschrift van 4 september 2025 met producties 87 t/m 103;
- van de vrouw een brief van 7 september 2025 met producties 33 t/m 49;
- van de vrouw een bericht van 7 september 2025 met productie 40;
- van de vrouw een bericht van 12 september 2025 met producties 50 t/m 56;
- van de man een pleitnotitie, overgelegd tijdens de zitting;
- van de vrouw een pleitnotitie, overgelegd tijdens de zitting;
- van partijen een ouderschapsplan, overgelegd tijdens de zitting.
2.Waar de procedure over gaat
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] .
- de kinderen aan de vrouw toevertrouwd;
- een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die inhoudt dat de kinderen om de week van donderdag uit school/de opvang tot maandag naar school/de opvang bij de man verblijven;
- een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 253,- per kind per maand;
- bepaalt dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de echtelijke woning).
- tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man is;
- een zorgregeling met vakantieregeling te bepalen;
- een door de vrouw aan de man te betalen kinderalimentatie te bepalen;
- te bepalen dat ieder van partijen elk de eigen kinderopvangkosten moeten dragen;
- een door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie te bepalen;
- te bepalen dat er een vergoedingsrecht voor de man is ontstaan:
- te bepalen dat de vrouw de helft van het bedrag dat niet aan de man vanuit de eenvoudige gemeenschappen kan worden vergoed uit haar privé vermogen aan de man dient te voldoen;
- te bepalen dat de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld in de staat waarop hij de woning heeft verlaten, en dat de vrouw daar op haar kosten voor zorg dient te dragen;
- te bepalen dat de vrouw de echtelijke woning op de datum van inschrijving van de echtscheiding moet verlaten en schoon, netjes en opgeruimd en voorzien van het benodigde onderhoud achter dient te laten, en alle sleutels die zij in haar bezit heeft aan de man dient over te dragen;
- te bepalen dat de man bevoegd is tot het gebruik van de echtelijke woning en de inboedel, gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking, waarbij de vrouw wordt verboden de woning zonder toestemming van de man te betreden;
- te bepalen dat de vrouw van 28 december 2023 tot 1 maart 2024 de helft van de lasten van de echtelijke woning moet voldoen, en aldus ook dat de vrouw aan de man moet vergoeden het meerdere dat hij heeft betaald boven de 50% van de kosten die man had moeten voldoen;
- te bepalen dat de vrouw, vanaf 1 maart 2024 totdat zij de woning verlaat, alle lasten van de echtelijke woning moet voldoen, ook zijnde de lasten inzake de lening van de vader van de man en de BV van de man, en aldus ook dat de vrouw aan de man moet vergoeden de bedragen die hij vanaf 1 maart 2024 ten behoeve van de echtelijke woning heeft voldaan;
- te bepalen dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding moet voldoen van 4% van het deel van de overwaarde van de man in de echtelijke woning;
- te bepalen dat de vrouw de zakelijke goederen die door haar toedoen niet meer bruikbaar zijn aan de man moet vergoeden door aan hem de aanschafwaarde te betalen;
- te bepalen dat de inboedel geen privé vermogen betreft en bij helfte verdeeld dient te worden aan de hand van de door de man ingebracht inboedellijst, waarbij geldt dat de vrouw de verlovingsring en de trouwring aan de man moet afgeven, evenals een download van alle foto’s van de kinderen die de vrouw tijdens de huwelijkse periode heeft opgeslagen;
- te bepalen dat de vrouw aan de man moet voldoen:
- te bepalen dat de vrouw ervoor moet zorgen dat de en/of rekening van partijen uit de roodstand wordt gehaald en dat zij alle kosten vanwege de roodstand moet voldoen en eventuele kosten die de man daartoe heeft voldaan aan hem moet vergoeden;
- te bepalen dat de vrouw inzake haar auto aan de man dient te vergoeden € 14.250,-, dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag;
- te bepalen dat de lening en voorwaarden die de man met de ABN AMRO is aangegaan ten behoeve van zijn woning in [plaats 2] , welke lening en voorwaarden zijn overgegaan op de woning in [woonplaats] , aan de man toekomen en hij de lening en voorwaarden dus mag overnemen/deze aan hem toekomen;
- te bepalen dat de opnamen rekeningcourant die de man tijdens het huwelijk heeft verricht verrekend moeten worden en dus dat de vrouw de helft van de rekeningcourantschuld op de peildatum aan de man moet vergoeden, dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag;
- de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
- tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw is;
- een zorgregeling te bepalen, alsmede een vakantieregeling te bepalen conform een nader door de vrouw in te brengen voorstel;
- een nader vast te stellen bedrag te bepalen dat de man, bij vooruitbetaling, moet betalen als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen;
- te bepalen dat de vrouw bevoegd is tot het gebruik van de echtelijke woning, alsmede de inboedel, gedurende zes maanden na inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking;
- de wijze van verdeling van de echtelijke woning te gelasten op een door de vrouw voorgestelde wijze;
- te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt jegens de man van € 166.309,50 ter zake de investeringen van haar privé vermogen in de echtelijke woning, welke vordering in de verrekening van de overwaarde moet worden meegenomen;
- te bepalen dat de man een nader te bepalen vergoedingsrecht toekomt jegens de vrouw, ter zake de investeringen van zijn privé vermogen in de echtelijke woning, welke vordering in de verrekening van de overwaarde moet worden meegenomen;
- te bepalen dat de inboedel bij helfte wordt verdeeld;
- te bepalen dat de man de helft van de aflossing op de hypothecaire lening bij de ABN AMRO Bank over de periode van 1 maart 2024 tot het moment van levering aan de vrouw moet voldoen;
- deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.De beoordeling
- de waarde van goederen en schulden die op grond van artikel 1:94 (oud) BW buiten de gemeenschap vallen (waaronder bijvoorbeeld goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen en goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn voor zover die verknochtheid zich hiertegen verzet);
- de waarde van de ten huwelijk aangebrachte goederen en schulden die op de aan de akte van huwelijkse voorwaarde vastgemaakte beschrijving zijn opgenomen, met de vruchten daarvan. Dat wat ervoor in de plaats is gekomen wordt ook niet gerekend tot de beperkte gemeenschap voor zover niet verkregen door betaling met andere middelen;
- de waarde van dat wat door erfrecht of gift door de echtgenoten is verkregen met de vruchten daarvan, onder meer bestaande voor de vrouw uit de door haar krachtens erfrecht en/of schenking verkregen of nog te verkrijgen (certificaten van) aandelen in de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [onderneming8] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats 1] en [onderneming3] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats 2] , alsmede de aan deze verkrijging verbonden schulden en de waarde van dat wat ervoor in de plaats is gekomen, voor zover niet verkregen door betaling met andere middelen, een en ander voor zover dat gedeelte van de verkrijging door erfrecht of gift dat consumptief is besteed zonder dat er wat voor in de plaats is gekomen;
- de waarde van ondernemingsvermogen, dat aan een echtgenoot toebehoort op de peildatum.
De eenvoudige gemeenschap(pen)
De kosten van de huishouding
De verrekening
- voor € 46.713,04 door zijn onderneming [onderneming7] BV;
- voor € 103.261,78 van het restant van de verkoopopbrengst van het appartement dat aan de zijde van de man op de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden is opgenomen;
- voor € 130.000,- van het banksaldi dat aan de zijde van de man op de staat van aanbrengsten bij de huwelijkse voorwaarden is opgenomen;
- voor € 12.800,- van jaarlijkse schenkingen van zijn vader.
€ 12.491,78 met privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd (in verband met niet retour ontvangen kosten koper). Daarom staat in ieder geval vast dat de man voor een bedrag van
€ 12.491,78 met privévermogen in de ‘pseudo-gemeenschap’ (waarvan de woning onderdeel uitmaakt), heeft geïnvesteerd als gevolg waarvan in de verrekening een bedrag van € 12.491,78 in mindering strekt op het te verrekenen vermogen van de man. Voorgaande impliceert geen vergoedingsrecht van de vrouw aan de man omdat er geen vermogensverschuiving tussen privévermogens onderling heeft plaatsgevonden. Voor het overige deel van de door de man gestelde investeringen ziet de rechtbank niet in waarom daaruit voor de man een (alsof-)vergoedingsrecht toekomt. Voor de investeringen die door zijn onderneming zijn gedaan geldt dat, een eventueel vergoedingsrecht, toekomt aan de onderneming en niet aan de man in privé. Voor het overige komt wat de man stelt feitelijk neer op een vergoedingsrecht ter hoogte van zijn aanbrengvermogen. Kort samengevat zegt de man namelijk dat nu zijn (niet te verrekenen) aanbrengvermogen op is, terwijl er flink aan de woning is verbouwd er dús een (alsof-)vergoedingsrecht ter hoogte van zijn aanbrengvermogen is ontstaan. Die conclusie is echter te kort door de bocht en vindt bovendien geen steun in de producties waar de man naar verwijst. Zo verwijst de man voor een investering van € 57.405,27 naar zijn productie 63, waarin afschrijvingen van de en/of rekening van partijen zijn opgenomen. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat het saldo op deze en/of-rekening gemeenschappelijk vermogen van partijen betreft en dus geen privévermogen van de man. Daarnaast verwijst de man voor een investering van € 199.544,44 naar zijn productie 64, waarin afschrijvingen van een rekening op naam van de man zichtbaar zijn. Dit rekeningnummer staat echter niet genoemd op de staat van aanbrengsten. Verder verwijst de man voor een investering van € 68.821,37 naar productie 65, waarin afschrijvingen van een zakelijke rekening zichtbaar zijn. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom afschrijvingen van een zakelijke rekening tot een vergoedingsrecht voor de man leiden. Het had op de weg van de man gelegen om “het geldspoor” van zijn aanbrengvermogen naar de woning inzichtelijk te maken. Dit heeft de man niet gedaan. Hierdoor valt niet vast te stellen of de investeringen met privévermogen zijn voldaan, of bijvoorbeeld met geld dat uit de leningen voor de woning is verkregen. Ook valt niet vast te stellen of het aanbrengvermogen (voor zover dat op de peildatum niet meer aanwezig was) aan de woning is besteed, of bijvoorbeeld aan consumptieve uitgaven voor het gezin of uitgaven voor de man in privé. Tot slot is hiervoor reeds overwogen dat niet vastgesteld kan worden of de schenkingen van de vader van de man als (niet te verrekenen) privévermogen van de man moet worden aangemerkt.
Vergoedingen