In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 16 september 2024. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn van acht weken, zoals voorgeschreven in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is overschreden. Eiser heeft verweerder op 23 mei 2025 in gebreke gesteld, maar er is sindsdien geen nieuw besluit genomen door verweerder. De rechtbank heeft besloten dat het beroep kennelijk gegrond is, wat betekent dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit moet nemen. Tevens is bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiser heeft recht op een vergoeding van de proceskosten, die is vastgesteld op € 453,50, en het griffierecht moet door verweerder aan eiser worden vergoed. De uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink op 24 november 2025, en is openbaar uitgesproken.