ECLI:NL:RBMNE:2025:6306

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
24/135, 24/139, 24/4324, 23/5796
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag overname schulden door gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland wordt de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de overname van haar schulden door de minister van Financiën behandeld. Eiseres, die is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, heeft verschillende aanvragen ingediend bij Sociale Banken Nederland (SBN) voor de overname van haar schulden. De rechtbank oordeelt dat het beroep in de zaak UTR 24/135 gegrond is, omdat de minister een nieuw besluit moet nemen over de schuld aan Wehkamp. De rechtbank bevestigt echter dat de minister de overname van andere schulden terecht heeft afgewezen, waaronder informele schulden en schulden die niet voldoen aan de voorwaarden van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank legt uit dat de bewijslast voor het aantonen van de opeisbaarheid van de schulden bij eiseres ligt en dat de minister niet verplicht is om zelf aanvullende informatie te verzamelen. De rechtbank concludeert dat de overige beroepen ongegrond zijn en dat het bezwaar in de zaak UTR 23/5796 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/135, 24/139, 24/4324 en 23/5796

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: mr. A. Divis).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de overname van haar schulden. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep in de zaak UTR 24/135 gegrond is, omdat de minister een nieuw besluit gaat nemen over de schuld aan Wehkamp. De minister mocht de overname van de andere schulden afwijzen. De minister heeft het bezwaar in de zaak UTR 23/5796 terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar te laat was ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

1. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hiervoor heeft zij dan ook compensatie gekregen in het kader van de Catshuisregeling. In dit kader heeft eiseres een schuldenlijst toegezonden aan Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om overname van haar schulden. Eiseres heeft hiervoor verschillende aanvragen gedaan en de SBN heeft deze aanvragen grotendeels afgewezen.
2. Op 26 april 2023 heeft SBN de aanvraag van eiseres voor overname van diverse schulden afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 november 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft per schuld aangegeven waarom deze niet voor overname in aanmerking komen. De schulden waar dit besluit op ziet, zijn:
  • De schuld aan de ING inzake de creditcard ter hoogte van €2397,50. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister, omdat er onvoldoende bewijsstukken zijn aangeleverd om deze schuld te kunnen beoordelen.
  • De schuld aan SBL belenen ter hoogte van €3260,39. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister, omdat dit een pandlening betreft en daarom geen schuld is die in aanmerking komt voor overname op grond van de Wht.
  • De schulden aan [A] – de zwager van eiseres – ter hoogte van €5000,- en €19.500,-. Deze schulden zijn afgewezen voor overname door de minister, omdat dit informele schulden zijn en er geen notariële akte is (overgelegd) waarin de schulden zijn vastgelegd.
  • De schuld aan de schoonmoeder van eiseres ter hoogte van €500,-. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister, omdat dit een informele schuld betreft en er geen notariële akte is (overgelegd) waarin deze schuld is vastgelegd.
  • De schuld aan de Wehkamp ter hoogte van €559,04. Deze schuld is afgewezen voor overname door de minister omdat er onvoldoende bewijsstukken zijn aangeleverd om deze schuld te kunnen beoordelen.
  • De schuld aan budgetenergie ter hoogte van €1405,54. De minister heeft deze schuld deels afgewezen voor overname, omdat eiseres deze schuld deels heeft betaald voordat ze haar compensatie ontving. Het bedrag dat overgenomen wordt bedraagt €1204,56. De overige €200,98 wordt niet overgenomen.
2.1.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer UTR 24/135. De minister heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. Daarnaast heeft SBN op 3 mei 2023 de aanvraag van eiseres voor overname van haar schuld aan de ANWB inzake haar creditcard ter hoogte van €810,44 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 november 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Ter onderbouwing hiervan stelt de minister dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was. Bovendien is er volgens de minister geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
4. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer UTR 24/139. De minister heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. Op 30 augustus 2023 heeft SBN ook de aanvraag van eiseres voor overname van haar schuld aan de ABN Amro ter hoogte van €10.000,- afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 april 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hierbij stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.
6. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer UTR 24/4324.
7. Daarnaast heeft SBN op 7 april 2023 de aanvraag van eiseres voor overname van haar schuld aan de Gemeente Amsterdam Stadsbank van Lening ter hoogte van €816,- afgewezen omdat de schuld niet op naam van eiseres stond. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat was ingediend. Het bezwaar is echter wel ambtshalve beoordeeld, waarbij de minister bij de afwijzing van de aanvraag is gebleven.
8. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld onder zaaknummer UTR 23/5796. De minister heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft de beroepen van eiseres op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
10. Tijdens de zitting werd duidelijk dat de aanvullende stukken van eiseres van 7 april 2025 de minister niet op tijd hadden bereikt. Bovendien heeft de minister op de zitting toegezegd bereid te zijn om navraag te doen bij de ING over de eventuele aanmaningen en ingebrekestellingen inzake de creditcardschuld. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting aangegeven nog een poging te willen doen bij PostNL om te achterhalen wanneer het bezwaar in de zaak UTR 23/5796 is aangekomen bij verweerder. De rechtbank heeft daarom de zaak aangehouden en partijen de kans gegeven om schriftelijk te reageren. Omdat partijen hebben aangegeven geen nadere zitting te willen, heeft de rechtbank na ontvangst van de schriftelijke reacties het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader Wet hersteloperatie toeslagen (Wht)
11. De regeling met betrekking tot het overnemen van private schulden is verduidelijkt in de Memorie van Toelichting [1] en de rechtspraak over de Wht. Hieruit blijkt dat het doel van de Wht is om gedupeerde ouders een nieuwe start te bieden door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Er wordt pas tot incassomaatregelen overgegaan als een schuld opeisbaar is en niet kan worden voldaan. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om alleen opeisbare schulden of achterstanden onder de regeling te brengen. Hierdoor zullen niet alle ouders volledig worden gevrijwaard van alle schulden. De regeling is niet gericht op het herstellen van onrecht, maar op het bieden van een nieuwe start. De wetgever heeft hier ook bewust voor gekozen. Dat kan tot situaties leiden die onrechtvaardig kunnen aanvoelen.
11.1.
Om in aanmerking te komen voor de overname van private schulden dient de gedupeerde ouder zelf een aanvraag in te dienen. Hierbij is het de verantwoordelijkheid van de ouder om de benodigde gegevens te verstrekken. De minister moet namelijk kunnen achterhalen of het compensatiebedrag gebruikt is om schulden, of achterstanden daarop, af te lossen. De minister moet wel inzichtelijk maken welke gegevens aangeleverd moeten worden, maar de bewijslast ligt bij de aanvrager – in dit geval de gedupeerde ouder – zelf.
11.2.
Een gedupeerde ouder die een private schuld heeft afbetaald met de ontvangen vergoeding vanuit bijvoorbeeld de Catshuisregeling of de integrale herbeoordeling, kan deze schuld aanmelden bij SBN met het verzoek om deze schulden te vergoeden. Deze schuld moet echter wel voldoen aan een aantal voorwaarden. [2] De schuld moet namelijk ontstaan zijn na 31 december 2005, opeisbaar zijn voor 1 juni 2021 en voldaan zijn op een tijdstip na ontvangst van een bedrag als compensatie op grond van een herstelmaatregel. Als een deel van de schuld dus is betaald voor het ontvangen van de tegemoetkoming, komt deze niet in aanmerking voor overname. Bovendien kan de (totale) terugbetaling niet hoger zijn dan het (in totaal) ontvangen bedrag op grond van een herstelmaatregel.
11.3.
Artikel 4.1, derde lid van de Wht geeft aan welke geldschulden en kosten overgenomen kunnen worden. Hieruit blijkt dat een informele schuld alleen wordt overgenomen indien deze is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak. [3] De eis van de notariële akte is bewust in de wet opgenomen. De notariële akte dient namelijk als bewijs van het bestaan van de informele schuld en van de betalingsafspraken die zijn gemaakt. De wetgever heeft hiervoor gekozen om zoveel mogelijk zeker te stellen dat alleen de daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat veel informele leningen niet voldoen aan dit vereiste, omdat deze meestal niet worden vastgelegd in een notariële akte.
11.4.
De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State, de hoogste rechter in deze zaken, heeft in een uitspraak van 15 mei 2024 naar de hierboven genoemde voorwaarden in de Wht gekeken. [4] De Afdeling heeft toen geoordeeld dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om deze voorwaarden in de Wht op te nemen en daarbij ook heeft meegewogen dat hierdoor mogelijk een deel van de private schulden buiten de regeling valt. Het is dan niet aan de rechter om de inhoud van die voorwaarden te toetsen. Alleen als sprake is van bijzondere hardheid, waarbij de voorwaarden in een bijzondere situatie zo oneerlijk uitvallen dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, kan van die voorwaarden worden afgeweken.
11.5.
Eiseres is het met een deel van de voorwaarden niet eens en heeft de rechtbank gevraagd om daarvan af te wijken. De rechtbank ziet daar, gezien de uitspraak van de Afdeling, geen aanleiding voor. Uit wat eiseres heeft aangevoerd blijkt ook niet dat in deze zaak sprake is van bijzondere hardheid.
UTR 24/135, diverse schulden
12. Eiseres voert aan dat het onjuist is dat het totale bedrag van de schulden die worden overgenomen niet hoger kan zijn dan de compensatie die zij heeft ontvangen. Bovendien kan het haar niet worden tegengeworpen dat zij de schuld aan Budgetenergie al deels had betaald voordat ze het compensatiebedrag in het kader van de Catshuisregeling had ontvangen. Daarnaast stelt eiseres dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar schulden niet voor overname in aanmerking komen. Daardoor kan zij hier niet inhoudelijk op in gaan, aldus eiseres. Eiseres voert ook aan dat de minister niet voldoende onderzoek heeft gedaan en dat dit een schending oplevert van het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres is van mening dat het aan de minister is om de stukken over de ontstaansgeschiedenis van haar schulden ter verkrijgen, die verantwoordelijkheid ligt niet bij haar. Volgens eiseres kan het bestreden besluit daardoor niet in stand blijven.
De schuld aan de ING ter hoogte van €2.397,50
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze schuld mocht afwijzen voor overname, omdat hij niet over voldoende gegevens beschikte om de schuld te kunnen beoordelen. Uit de stukken moet duidelijk blijken op welk moment de schuld is ontstaan en wanneer deze opeisbaar is geworden. Omdat op basis van de beschikbare gegevens niet vast te stellen is of deze schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021, voldoet de schuld niet aan de voorwaarden van de Wht. De rechtbank overweegt, zoals uiteengezet in 11.1, dat het de verantwoordelijkheid van eiseres zelf is om bij de aanvraag de benodigde gegevens aan te leveren. De minister heeft eiseres meerdere malen om aanvullende informatie gevraagd, uitgelegd welke gegevens nog ontbraken, op welke manier eiseres deze gegevens op kon vragen bij de ING en eiseres ook de kans gegeven om nadere stukken in te dienen. Dit heeft eiseres niet gedaan. Het enige document dat in dit kader door eiseres is ingebracht zijn haar bankafschriften, waaruit blijkt dat er op 13 juni 2021 in totaal €2.397,50 is afgeschreven van haar rekening. Hieruit blijkt alleen niet of er sprake was van een betalingsachterstand, wanneer deze is ontstaan en uit welke bedragen de schuld precies bestaat. Hoewel het niet aan de minister is om deze informatie boven tafel te krijgen, heeft de minister op de zitting aangeboden om navraag te doen bij de ING. De minister heeft de ING gevraagd of er nog aanmaningen of ingebrekestellingen te achterhalen waren. Deze zijn niet boven tafel gekomen, waardoor niet te achterhalen is wanneer de schuld opeisbaar is geworden.
De schuld aan SBL Belenen ter hoogte van €3.260,39
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze schuld mocht afwijzen voor overname, omdat dit geen geldschuld of opeisbare vordering is in de zin van de Wht. Het gaat hier namelijk om een beleenovereenkomst. Hierbij geeft iemand een goed in onderpand aan de Stadsbank van Lening waarvoor diegene een beleensom ontvangt. Maandelijks is diegene daarvoor een beleenvergoeding verschuldigd. De overeenkomst wordt voor de duur van een aantal maanden afgesloten. Op het moment dat iemand binnen de afgesproken termijn de beleensom terugbetaalt en de volledige beleenvergoeding voldoet, ontvangt diegene het onderpand (het goed) terug. Wanneer iemand dit niet op tijd betaalt, wordt de Stadsbank van Lening eigenaar van het goed, tenzij de beleenovereenkomst wordt verlengd. De consequentie van niet op tijd terugbetalen is dus het verlies van het onderpand. Gelet op de aard van deze pandlening kan er dus geen opeisbare hoofdsom ontstaan.
14.1.
Gelet op het doel van de Wht, zoals overwogen in 11, hoefde de minister deze schuld dan ook niet over te nemen. Op basis van deze pandlening kan iemand namelijk niet geconfronteerd worden met incassomaatregelen. Iemand kan er namelijk voor kiezen om de beleentermijn te blijven verlengen, totdat hij of zij voldoende geld heeft, of ervoor kiezen om de Stadsbank van Lening eigenaar te laten worden van het in onderpand gegeven goed. In dit geval heeft eiseres ervoor gekozen om de beleenovereenkomst te blijven verlengen. De rechtbank begrijpt dat het om sieraden gaat met een emotionele waarde die eiseres heel graag terug wil krijgen. Deze regeling is daar echter niet voor bedoeld.
De schulden aan de zwager en schoonmoeder van eiseres ter hoogte van €5.000,-, €19.500,- en €500,-
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze schulden mocht afwijzen voor overname, omdat eiseres geen notariële akte of rechterlijke uitspraak heeft overgelegd. Deze schulden zijn leningen die eiseres is aangegaan bij familieleden, waardoor deze gekwalificeerd worden als informele schulden. Zoals omschreven in rechtsoverweging 11.3 is een van de voorwaarden voor de overname van een informele schuld dat deze vastgelegd moet zijn in een notariële akte of een rechterlijke uitspraak. Dat is hier niet het geval. Eiseres heeft ter onderbouwing van deze schulden enkel bankafschriften overgelegd. Hieruit is echter niet op te maken uit welke bedragen de schulden bestaan en of er sprake is van een betalingsachterstand. De rechtbank begrijpt de reactie van eiseres dat als ze op voorhand had geweten dat een notariële akte noodzakelijk zou zijn, ze deze wel op had laten stellen. Dat maakt het oordeel alleen niet anders, omdat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om de eis van een notariële akte als voorwaarde op te nemen. Nu deze schulden niet aan deze voorwaarde voldoen, kunnen ze niet worden overgenomen.
De schuld aan Wehkamp ter hoogte van €559,04
16. De minister heeft in zijn brief van 20 mei 2025 toegezegd om een herziene beslissing op bezwaar te nemen ten aanzien van deze schuld. De minister stelt zich nu namelijk op het standpunt dat uit nadere stukken die eiseres tijdens de beroepsprocedure heeft ingebracht is gebleken dat een gedeelte van deze schuld, met een bedrag van € 154,-, wel voldoet aan de voorwaarden voor overname in het kader van de Wht. Dit komt omdat het schuldbedrag is ontstaan na 1 januari 2006 en vanwege een betalingsachterstand opeisbaar geworden voor 1 juni 2021. De minister heeft al toegezegd om de schuld tot dit bedrag over te nemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de minister deze toezegging zal nakomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat er een hoger bedrag dan € 154,- moet worden overgenomen, omdat eiseres niet heeft onderbouwd dat de rest van het bedrag opeisbaar was.
De schuld aan Budgetenergie ter hoogte van €1405,54
17. De minister heeft deze schuld gedeeltelijk overgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de minister het resterende bedrag van deze schuld niet over hoeft te nemen, omdat eiseres deze schuld deels heeft betaald voordat ze haar compensatie ontving. De rechtbank stelt vast dat eiseres een betalingsregeling heeft getroffen met Budgetenergie om een bedrag van in totaal €2.509,52 af te betalen. De afspraak was om dit in 25 termijnen af te betalen, met een termijnbedrag van €100,38. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat eiseres in totaal 13 termijnen heeft betaald. Twee daarvan heeft eiseres voldaan voor 3 juni 2021, de datum waarop eiseres haar compensatie heeft ontvangen. Zoals omschreven in rechtsoverweging 11.2, is een van de voorwaarden voor het overnemen van een al betaalde schuld dat deze is betaald na ontvangst van de compensatie. Aangezien deze twee termijnen daarvóór zijn betaald, komen deze niet in aanmerking voor overname.
17.1.
Verder merkt de rechtbank op dat eiseres 11 termijnen heeft betaald na het ontvangen van haar compensatie, dat komt neer op een bedrag van €1.104,18. Uit het primaire besluit van 26 april 2023 blijkt echter dat eiseres een bedrag van €1.204,56 vergoed heeft gekregen. De minister heeft dus eigenlijk al een groter deel van deze schuld overgenomen dan nodig was. Omdat eiseres dit bedrag al heeft ontvangen, zal dit niet meer worden teruggedraaid. Dat kan ook niet, in verband met het verbod op reformatio in peius. Dat verbod houdt in dat iemand niet in een slechtere positie mag komen doordat hij of zij bezwaar heeft gemaakt.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
18. Van een schending van het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals overwogen onder 11.1 is het de verantwoordelijkheid van eiseres om de benodigde gegevens aan te leveren en is het niet aan de minister om zelf deze financiële gegevens en stukken op te vragen. Desondanks heeft de minister toch nog, in het kader van de creditcardschuld bij de ING, aanvullend onderzoek gedaan om alle feiten boven tafel te krijgen. Dat hier geen nadere informatie uit is gekomen, betekent nog niet dat de minister geen volledig onderzoek heeft gedaan. De minister heeft bovendien voor iedere schuld duidelijk en uitgebreid uiteengezet waarom die schuld niet wordt overgenomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
UTR 24/139, overname schuld visa ANWB
19. Eiseres voert aan dat de minister deze schuld wel over zou moeten nemen. De minister heeft niet voldoende gemotiveerd waarom deze schuld niet in aanmerking komt voor overname. De reden voor deze afwijzing is onduidelijk volgens eiseres. Bovendien vindt eiseres dat de minister niet voldoende onderzoek heeft gedaan en dat dit een schending oplevert van het zorgvuldigheidsbeginsel.
20. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze schuld niet over hoeft te nemen, omdat de schuld niet voldoet aan de voorwaarden van de Wht. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een betalingsachterstand en dat de schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021. De rechtbank overweegt dat eiseres in dit kader slechts een jaaroverzicht van 2021 en enkele bankafschriften heeft aangeleverd. Hieruit blijkt alleen dat het beginsaldo van de creditcard van de ANWB € 810,44 was en het eindsaldo € 0,-. Eiseres heeft ook in het kader van deze schuld meerdere keren de kans gehad om aanvullende stukken aan te leveren, dat heeft eiseres niet gedaan. Zoals overwogen in rechtsoverweging 11.1 is het de verantwoordelijkheid van eiseres om met stukken te komen waaruit blijkt dat de schuld aan de voorwaarden voldoet. Het is niet aan de minister om deze stukken op te vragen. Verder heeft de minister voldoende onderzoek gedaan en gemotiveerd waarom deze schuld niet in aanmerking komt voor overname. Er is dus geen sprake van een schending van het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
UTR 24/4324, overname schuld ABN Amro
21. Eiseres voert aan dat het oneerlijk is dat haar schuld volgens de wet niet wordt overgenomen, terwijl zij wel is aangemerkt als gedupeerde. Bovendien kan ze de gestelde wetgeving over de opeisbaarheid niet volgen en kan ze zich niet vinden in de geldende wet- en regelgeving in het kader van de toeslagenaffaire. Daarnaast voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel.
22. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 9 augustus 2019 een kredietovereenkomst voor een persoonlijke lening heeft afgesloten bij de ABN Amro voor € 21.000,-. Op 5 oktober 2019 is deze kredietovereenkomst opnieuw afgesloten met een ander contract. Uit deze overeenkomst blijkt dat de verschuldigde bedragen opeisbaar zijn indien eiseres gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een maandtermijn en, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de volledige nakoming van haar verplichtingen. Het punt van discussie is hier niet de ontstaansdatum, maar de datum waarop deze schuld opeisbaar is geworden.
23. De rechtbank is van oordeel dat deze schuld niet in aanmerking komt voor overname, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Daarmee voldoet de schuld niet aan de voorwaarden van de Wht. De redenering van de minister dat het in dit geval alleen gaat om de opeisbaarheid van de hoofdsom en niet die van de maandelijkse termijnen, volgt de rechtbank echter niet. De rechtbank overweegt dat er een verschil zit tussen de opeisbaarheid van de bedragen die eiseres maandelijks verschuldigd was en de opeisbaarheid van het totale bedrag. De bedragen die eiseres per maand moet betalen, die worden steeds na het verstrijken van de overeengekomen betaaldatum opeisbaar. Pas als eiseres niet voldoet aan deze betalingen en in gebreke wordt gesteld, zal de hoofdsom opeisbaar worden. Dat blijkt uit de kredietvoorwaarden, die onderdeel zijn van de kredietovereenkomst. Dat het totale bedrag niet opeisbaar is geworden, betekent niet dat de tussenbedragen niet opeisbaar zijn. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze maandelijkse betalingen opeisbaar zijn geworden. Zij heeft in het kader van deze schuld namelijk alleen de kredietovereenkomst en verschillende bankafschriften overgelegd. Hieruit is niet op te maken dat er sprake is geweest van achterstallige betalingen, betalingsherinneringen of een ingebrekestelling.
UTR 23/5796, niet-ontvankelijk bezwaar
24. Eiseres voert aan dat ze het bezwaarschrift aangetekend heeft verzonden op 17 mei 2023. Ter onderbouwing hiervan heeft ze een track en trace-code van PostNL overgelegd. Volgens eiseres is dit voldoende om aan te tonen dat het bezwaarschrift tijdig is verzonden. Omdat het een aangetekende brief was, moet deze wel op tijd aangekomen zijn bij SBN.
25. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en dat de minister het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het is aan eiseres om te onderbouwen dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. De rechtbank overweegt hierbij dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend als deze voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen. [5] Volgens de verzendtheorie is het bezwaarschrift ook tijdig ingediend als deze binnen de termijn per post is bezorgd en uiterlijk een week na afloop van de termijn is ontvangen. Als het stuk aangetekend is verzonden en de (tijdige) ontvangst hiervan wordt ontkend, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan de minister is aangeboden. [6] In dit geval is het bezwaar niet binnen 7 dagen na afloop van de bezwaartermijn door de minister ontvangen. De rechtbank heeft eiseres de gelegenheid gegeven om te onderbouwen dat het bezwaarschrift toch op tijd is ingediend, maar eiseres heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Omdat het bezwaarschrift (gedateerd op 17 mei 2023) gericht is tegen het besluit van 7 april 2023, liep de bezwaartermijn af op 20 mei 2023. Aangezien het bezwaarschrift pas op 30 mei 2023 is ontvangen, is deze meer dan een week te laat ingediend. Eiseres heeft hier verder ook geen reden voor gegeven.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep met zaaknummer UTR24/135 is gegrond. De minister heeft namelijk een bedrag van € 154,- toegezegd voor de schuld aan Wehkamp en zal hiervoor een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Ondanks de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Eiseres heeft namelijk pas in beroep onderbouwd dat er sprake was van een betalingsachterstand, terwijl zij dat ook al in bezwaar had kunnen doen. De beroepsgronden over de andere schulden slagen niet. Die schulden komen daarom niet in aanmerking voor overname.
27. De overige beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de schulden waar die beroepen over gaan niet in aanmerking komen voor overname en het bezwaar in de zaak UTR 23/5796 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer 24/135 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit enkel voor zover dit ziet op de overname van de schuld aan de Wehkamp;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- verklaart de overige beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3.
2.Dit volgt uit artikel 4.3, eerste en derde lid en artikel 4.1, tweede lid van de Wht.
3.Met een informele schuld wordt een geldschuld bedoeld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling. Daarnaast moet de notariële akte zijn verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.
5.Dit volgt uit artikel 6:9 eerste lid en 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 januari 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:162, ro. 3.1.